ECLI:NL:RBDHA:2026:9926

ECLI:NL:RBDHA:2026:9926

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer NL26.10539
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin. MOB. Beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.10539

(gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek),

en

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 9 maart 2026 heeft verweerder een brief verstuurd dat de overdrachtstermijn verlengd is omdat eiser vertrokken is zonder bekend waarheen.

Voorts ontving de rechtbank op 27 maart 2026 bericht van de gemachtigde van eiser dat hij niet op de zitting zal verschijnen en verzoekt om de zaak op basis van de stukken af te doen.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.10540, op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding

Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 21 januari 2026 ingediend.

Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 8 oktober 2025 in Spanje een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 27 januari 2026 heeft Nederland aan Spanje verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Spanje heeft dit verzoek op 3 februari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.

Op 18 maart 2026 heeft Nederland een claimverzoek van Duitsland ontvangen. Uit het claimverzoek blijkt dat eiser op 4 maart 2026 een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend. Nederland heeft dit verzoek op 23 maart 2026 afgewezen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.

Het bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenweet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep.

4. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.

5. Uit een zich in het digitale dossier bevindende brief van verweerder aan de gemachtigde van eiser op 9 maart 2026 blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat om die reden de overdrachtstermijn is verlengd. De gemachtigde van eiser heeft op 27 maart 2026 schriftelijk medegedeeld dat hij geprobeerd heeft contact op te nemen met eiser, maar dat dit niet is gelukt.

6. Nu eiser een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend en de gemachtigde van eiser geen contact meer met hem heeft, moet ervan uit worden gegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland gezochte bescherming. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 24 februari 2026.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar

Griffier

  • mr. E.P.S. Wessels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?