Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 17 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erkens in 's-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Venneman in 's-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 5 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt dat:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] bij de man verblijft van donderdag 09.00 uur tot zaterdag 18.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige] op donderdag naar de man brengt en de man [de minderjarige] op zaterdag naar de vrouw brengt, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw heeft op de zitting mondeling verweer gevoerd tegen de verzochte voorlopige zorgregeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Toevertrouwing [de minderjarige]
De vrouw en de man zijn het erover eens dat [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd. De rechtbank zal daarom, en omdat zij dat ook in het belang van [de minderjarige] acht, dit verzoek van de vrouw toewijzen.
Voorlopige zorgregeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De man is recent naar een eigen woning verhuisd. Daarvoor woonden de ouders nog samen en sliep de man op de bank. Op dit moment verblijft [de minderjarige] op donderdag overdag bij de man, op vrijdag bij de oma vaderszijde en op zaterdag overdag weer bij de man. De vrouw heeft zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] bij de man en over de zorg die hij daar krijgt. Om die reden heeft [de minderjarige] nog niet bij de man overnacht.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel [de minderjarige] nog jong is, is het een feit dat de ouders uit elkaar zijn en dat [de minderjarige] dus moet gaan wennen aan het verblijven en ook overnachten in twee huizen. Dat wat de vrouw heeft aangevoerd is volgens de rechtbank en ook de Raad geen reden om [de minderjarige] niet bij de man te laten overnachten. Op de zitting is besproken dat daarbij de verantwoordelijkheid bij de man ligt om zijn best te doen om de zorgen bij de vrouw weg te nemen. De rechtbank overweegt dat het voor het groeien van het vertrouwen van de vrouw ook nodig is dat de man de gelegenheid krijgt om te laten zien dat hij het kan. De rechtbank zal daarom bepalen dat [de minderjarige] ook bij de man overnacht. Gelet op zijn jonge leeftijd zal de rechtbank hierin een opbouw aanbrengen, startende met één nacht per week en toewerkend naar de regeling zoals door de man verzocht.
Voorlopige kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
Ingangsdatum
De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie
1 februari 2026 vaststellen, aangezien de vrouw onbetwist heeft gesteld dat de man op dat moment de echtelijke woning heeft verlaten.
Behoefte
Voor het bepalen van de behoefte van [de minderjarige] moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De vrouw en de man zijn op 1 februari 2026 feitelijk uit elkaar gegaan, zodat de rechtbank zal rekenen met de tarieven van 2026-I.
Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 11.394,- per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen op € 950,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Vast is komen te staan dat de man een ondernemer is met twee administratiebedrijven. De man stelt dat zijn inkomen sinds 2022 nihil is, omdat beide bedrijven verlies leiden. Uit de overgelegde jaarrekeningen blijkt een netto omzet van ongeveer € 200.000,- per jaar in 2025 van beide B.V.’s samen. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waar deze omzet aan is opgegaan. Op de zitting is wel duidelijk geworden dat de man in financiële problemen verkeert. De door de man overgelegde jaarrekeningen roepen naar het oordeel van de rechtbank te veel vragen op en er blijft daardoor te veel onduidelijk om de man te kunnen volgen in zijn standpunt dat er geen enkele inkomsten uit beide B.V.’s zijn. De rechtbank overweegt ook dat een inkomen van nihil sinds 2022 niet mogelijk kan zijn gelet op de kosten die man moet maken voor zijn levensonderhoud en gelet op zijn stelling dat hij recentelijk een huurovereenkomst is aangegaan van € 1.600,- per maand. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat in 2026 het minimale DGA-salaris € 58.000,- per jaar is. In het kader van deze ordemaatregel en gelet op de financiële problemen van de man acht de rechtbank het aannemelijk dat de man € 40.000,- per jaar aan inkomen uit DGA-salaris verdient uit de beide B.V.’s gezamenlijk. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man ten tijde van het uiteengaan van partijen op € 2.648,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedroeg het NBGI van partijen ten tijde van het uiteengaan (€ 950,- + € 2.648,- =) € 3.598,- per maand. Conform de aanbevelingen uit het rapport 2026 moet bij het NBGI worden opgeteld het kindgebonden budget waar partijen ten tijde van de samenleving recht op hadden. Partijen hadden gezien hun inkomen recht op een kindgebonden budget van € 137,- per maand. Hun NBGI komt daarmee uit op € 3.735,- per maand.
Gelet op dit NBGI bedraagt de behoefte van [de minderjarige] op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2026 voor één kind uit het rapport € 479,- per maand.
Draagkracht
De behoefte van [de minderjarige] moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2026 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht vrouw
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank, net als bij de berekening van de behoefte, uit van een inkomen van € 11.394,- per jaar. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.449,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Bij een NBI onder € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Aangezien het NBI van de vrouw onder de € 1.950,- per maand ligt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 25,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkracht man
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank, net als bij de berekening van de behoefte, uit van een DGA-salaris van € 40.000,- per jaar en een NBI van € 2.648,- per maand.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 342,- per maand, te weten
70% x [2.648 - (0,3 x 2.648 + 1.365)].
Conclusie
Op de door de man te betalen bijdrage moet in beginsel een zorgkorting in mindering worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Gelet op de vast te stellen voorlopige zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 25%. Het bedrag aan zorgkorting bedraagt € 120,- per maand (25% van € 479,-).
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de man vermindert wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte van het kind te voorzien. Als er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting. In dit geval leidt dit tot de volgende conclusie.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (€ 25,- + € 342,- =) € 367,- per maand ten opzichte van een totale behoefte van [de minderjarige] van € 479,- per maand. Het tekort aan draagkracht bedraagt € 112,- per maand. De helft van dit tekort, te weten € 56,- per maand, komt in mindering op de zorgkorting van de man. De man kan dus nog € 64,- per maand aan zorgkorting verzilveren (€ 120,- minus € 56,-).
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen voorlopige kinderalimentatie voor [de minderjarige] vaststellen op € 278,- per maand (€ 342,- minus € 64,-).
Voorlopige partneralimentatie
Aangezien bij de berekening van de voorlopige kinderalimentatie is gebleken dat er een tekort aan draagkracht is om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien, waardoor de man zijn draagkracht volledig daarvoor moet aanwenden, stelt de rechtbank vast dat de man geen draagkracht heeft voor voorlopige partneralimentatie. De rechtbank zal daarom dit verzoek van de vrouw afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ;
aan de vrouw wordt toevertrouwd;
*
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om [de minderjarige] bij zich te hebben:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 februari 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 278,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.