RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/698656 / JE RK 26-159
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1], [geboorteland 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2], [geboorteland 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2020 in [geboorteplaats 1], [geboorteland 1],
hierna te noemen: [minderjarige 3].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders
beide zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,
feitelijk verblijvende te [plaats 1].
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[informant 1]
hierna te noemen: de gezinshuismoeder van [minderjarige 1]
en
[informant 2]
hierna te noemen: de gezinshuisvader van [minderjarige 1],
hierna ook gezamenlijk te noemen: de gezinshuisouders van [minderjarige 1],
[informant 3] ,
hierna te noemen: de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 januari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader bijgestaan door een tolk;
- [naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling;
de gezinshuisouders van [minderjarige 1] als informant;
de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] als informant.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven samen in een gezinshuis. [minderjarige 1] verblijft in een ander gezinshuis
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 maart 2026 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 24 september 2026, en een machtiging verleend om [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 24 maart 2026.
In de opvolgende periode heeft de kinderrechter meerdere keren, te weten vijf keer, een nieuwe machtiging verleend of een machtiging verlengd om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen. De reden daarvoor was dat [minderjarige 1] is overgeplaatst naar een andere plek en er onduidelijkheid was over een vervolgplek, waardoor er telkens een nieuwe machtiging nodig was.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 januari 2026 een machtiging verleend [minderjarige 1], gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 25 maart 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van zes maanden. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling het verzoek verduidelijkt, in die zin dat wordt verzocht om een machtiging in een gezinsgerichte voorziening. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. Er zijn ernstige zorgen over de basale verzorging die de kinderen hebben gehad toen zij bij de ouders waren. De zorgen zijn gelegen in het gebrek aan slaapritme, dagritme, persoonlijke hygiƫne, zindelijkheid en de slechte gebitten van de kinderen. Op 15 september 2025 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 3] overgeplaatst naar hun huidige gezinshuis. Daar wordt gezien dat [minderjarige 2] een grote behoefte heeft aan structuur, een vast dagritme en geborgenheid. Hij maakt steeds meer oogcontact, maar praat niet uit zichzelf. Het is van belang dat er psychologisch diagnostisch onderzoek plaatsvindt bij [minderjarige 2], zodat er beter bij hem kan worden aangesloten. [minderjarige 2] is aangemeld bij het Samenwerkingsverband om zijn onderwijsbehoefte te onderzoeken en mogelijk zal een IQ-onderzoek noodzakelijk zijn. [minderjarige 2] zal tot september drie dagen per week naar dagbesteding gaan en hopelijk kan hij daarna de overstap maken naar onderwijs. [minderjarige 3] gaat naar de reguliere bassischool, waar zij het goed doet en makkelijk contact kan maken met anderen. Na een verblijft bij [zorginstelling], is [minderjarige 1] op 4 februari 2026 overgegaan naar zijn huidige gezinshuis. [minderjarige 1] vraagt extra begeleiding, regels en grenzen in zijn dagritme. [minderjarige 1] kan bij frustratie en begrenzing fysiek grensoverschrijdend gedrag laten zien. Aangezien extra begeleiding nodig is, zal er een ambulant begeleider bij hem betrokken raken. Vanwege de onduidelijkheid over [minderjarige 1] opvoedbehoefte, zal hij starten met 35 uur per week dagbesteding op een zorgboerderij. [minderjarige 1] zal aangemeld worden bij het gespecialiseerd onderwijs advies loket (GOAL) zodat onderzocht kan worden wat voor [minderjarige 1] de meest passende school voor gespecialiseerd onderwijs is. In de tijd dat de ouders een kamer in [plaats 2] huurden, verliepen de omgangsmomenten goed. Toen hun situatie instabiel werd omdat zij geen huisvesting meer hadden, is besloten om de omgang in te perken naar een keer per twee weken. De stress van de ouders over huisvestiging en financiƫle zorgen, werkte door op de kinderen. [minderjarige 1] plaste na de omgang in zijn bed en [minderjarige 2] liet stress en grensoverschrijdend gedrag zien. De ouders moeten werken aan het bieden van structuur, regels en grenzen. De kinderen groeien momenteel op in een rustige en stabiele woonsituatie waardoor zij tot een gezonde en positieve ontwikkeling komen. De ouders kunnen hen dit nu niet bieden. Desgevraagd heeft de jeugdbeschermer aangegeven dat de voorwaarden voor een thuisplaatsing in een schriftelijke aanwijzing van 8 oktober 2025 staan en dat deze nagestuurd zal worden.
4. De standpunten
De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. De vader heeft aangegeven dat als er geen woning voor hem en de moeder wordt geregeld, zij op 23 maart 2026 terug zullen gaan naar [land 1]. Daar heeft de moeder een woning, waar zij kunnen verblijven totdat zij een ander huis kunnen huren en de vader kan daar snel een baan krijgen in de IT. De ouders zullen als het verzoek wordt toegewezen zonder de kinderen vertrekken en in [land 1] werken aan het voldoen aan de voorwaarden om de kinderen terug te krijgen. Het is volgens de vader niet mogelijk om in Nederland aan de gestelde voorwaarden te voldoen als de vader en de moeder geen huis van de Nederlandse overheid krijgen. De vader wil met de gecertificeerde instelling samenwerken en een plan maken. Verder heeft de vader desgevraagd verteld dat de kinderen nog nooit naar school zijn gegaan vanwege familieproblemen. [minderjarige 1] is wel eens naar een organisatie geweest die therapie gaf aan kinderen met autisme.
5. De beoordeling
Absolute bevoegdheid en toepasselijk recht
Voor zover de kinderrechter uit de beschikbare stukken kan afleiden, hebben de ouders en de kinderen de Roemeense nationaliteit. Hierdoor draagt deze zaak een internationaal karakter en moet eerst worden nagegaan of de Nederlandse rechter in de onderhavige procedure rechtsmacht heeft. Aangezien de gewone verblijfplaats van de kinderen zich nu in Nederland bevindt, is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op het verzoek van de gecertificeerde instelling op grond van artikel 7 van de Verordening (EU) nr. 2019/1111 en is Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996.
Relatieve bevoegdheid
Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats van de met het gezag belaste ouder(s) of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, de rechter van het werkelijk verblijf van de minderjarige. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij en de moeder, zijnde de met gezag belaste ouder, op dit moment feitelijk wonen in een hostel in [plaats 1]. Er is ter zitting geen verweer gevoerd tegen de bevoegdheid van de rechtbank. De woonplaats van de gezaghebbende moeder tot uitgangspunt nemend, verklaart de rechtbank Den Haag zich bevoegd om kennis van het verzoek te nemen.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De ouders hebben met de kinderen op verschillende plaatsen verbleven, onder andere in [land 2] en [land 1]. Zij zijn min of meer toevallig in Nederland beland omdat ze na hun verblijf in [land 2] met de bus terug wilden naar [land 1], zo heeft de vader verklaard. Op basis van de informatie van de gezinshuisouders en de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter concluderen dat de ouders ernstig tekort zijn geschoten in de basale verzorging van de kinderen toen zij met hen verbleven. De kinderen -met name de twee oudsten- zijn nooit naar school geweest, maken een angstige en verwaarloosde indruk en hebben een ernstige ontwikkelingsachterstand, zowel lichamelijk als geestelijk. De ouders kunnen de kinderen momenteel geen stabiele thuissituatie bieden. Zij zijn wisselend geweest in hun wens om in Nederland of [land 1] te wonen met de kinderen en verblijven momenteel in een hostel. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van de verzorging van de kinderen noodzakelijk is dat de kinderen voorlopig in de gezinshuizen blijven wonen. Zij hebben een grote behoefte aan basale verzorging, duidelijkheid, structuur en grenzen, die hen in de gezinshuizen wordt geboden. Het is eveneens noodzakelijk dat de ouders er de komende periode voor zorgen dat zij inkomen en een vaste verblijfplaats regelen en werken aan de door de gecertificeerde instelling gestelde voorwaarden voor een thuisplaatsing. Het is aan de ouders om te bepalen in welk land zij zich daarvoor willen vestigen. Het is van belang dat de gecertificeerde instelling hierover in gesprek gaat met de ouders en de mogelijkheden voor een overdracht van de kinderen aan de hulpverlening in [land 1] bespreekt.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening tot 24 september 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. R.G. de Lange-Tegelaar, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.