ECLI:NL:RBDHA:2026:9941

ECLI:NL:RBDHA:2026:9941

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer NL25.49843
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beroep asiel. El Salvador. Problemen met bendes in El Salvador niet geloofwaardig geacht door de minister. Integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister in dit geval niet een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt, zodat het beroep (in zoverre) ongegrond is. Beroep gegrond. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat de motivering in het besluit niet om tot de conclusie te kunnen komen dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden en dat voldoende rekenschap is gehouden met de belangen van het kind. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiseres 3] , eiseres,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49843

geboren op [geboortedatum 1] ,

mede namens haar minderjarige kind [eiseres 2]

V-nummers: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. N.R. Imminga)

en

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 29 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Salvadoraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 2] . De minister heeft met het bestreden besluit van 18 september 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiseres krijgt geen verblijfsvergunning regulier en ook geen uitstel van vertrek om medische redenen. Aan eiseres is eveneens een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

In verband met de afhankelijke asielrelazen heeft de rechtbank de beroepen van eiseres - alsmede het beroep van haar partner (NL25.49844) en haar dochter (NL25.49845) op 1 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar partner (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eisers, en de gemachtigde van de minister. De dochter van eisers heeft zich voor de zitting afgemeld. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Twintig jaar geleden is eiseres verkracht door haar broer. Haar broer heeft haar gedreigd te vermoorden als eiseres dit doorvertelt aan anderen. Op 21 oktober 2022 heeft eiseres een afpersing gezien door een bendelid van de Mara Salva Trucha (MS-13). De dag erna is eiseres door een bendelid verwond en bedreigd. Een dag later heeft eiseres een poging tot aangifte gedaan, maar eiseres voelde zich niet gehoord en geholpen. Vervolgens heeft eiseres drie maanden ondergedoken gezeten bij een vriendin. Vanaf november 2022 heeft eiseres bedreigingen ontvangen via Messenger. Bij terugkeer vreest eiseres voor de bendeleden en haar broer. Ze vreest ook voor de overheid, omdat eiseres asiel heeft aangevraagd in Nederland.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;

- De problemen met de bendeleden;

- De problemen met de broer van eiseres.

De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief acht de minister niet geloofwaardig. Eiseres heeft haar verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Haar verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiseres voldoet daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000. Eiseres heeft na de start van de problemen nog drie maanden in El Salvador verbleven en haar verklaringen over de buurt waar zij verbleef in de periode voor haar vertrek zijn bevreemdend. Daarnaast komen haar verklaringen over haar poging tot aangifte en de houding van de autoriteiten niet overeen met de beschikbare algemene informatie. Ook zijn haar verklaringen over haar poging tot aangifte wisselend en heeft zij geen inspanning geleverd om aangifte te doen. Voorts is het bevreemdend dat haar partner haar meerdere malen per week bezocht terwijl zij zat ondergedoken. Tot slot hebben de door eiseres ingebrachte documenten niet de bewijswaarde die eiseres eraan wenst te hechten.

De geloofwaardigheid van de problemen met de broer van eiseres wordt in het midden gelaten. Eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de autoriteiten op de hoogte zijn van het feit dat eiseres in Nederland asiel heeft aangevraagd en dat zij haar om die reden zoeken. Haar vrees berust enkel op vermoedens. De minister merkt eiseres niet aan als vluchteling. Bij terugkeer naar El Salvador loopt eiseres geen reeel risico op ernstige schade. Uit de verklaringen van eiseres is niet gebleken dat haar broer haar of haar dochters iets aan wil doen.

Werkinstructie (WI) 2024/6

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het recht. Door enkel te toetsen aan artikel 31, lid 6, onder c van de Vw 2000 en geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling toe te passen, heeft de minister gehandeld in strijd met het Unierecht, het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 augustus 2025. Dat betekent dat het bestreden besluit moet worden vernietigd en de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van het juiste toetsingskader. Zelfs indien zou moeten worden uitgegaan van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, heeft de minister het asielrelaas van eiseres ten onrechte niet geloofwaardig geacht.

De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 8 augustus 2025 twee uitspraken gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank oordeelt echter dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2014/10. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat doet de rechtbank hieronder.

Heeft de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen voldoende rekening gehouden met haar psychotrauma klachten?

6. Eiseres voert aan dat er bij de beoordeling van de geloofwaardigheid onvoldoende rekening is gehouden met haar mentale toestand. Eiseres is ernstig getraumatiseerd en dit heeft effect op haar geheugen en op haar vermogen om samenhangend te verklaren. Eiseres heeft in dit verband ook nog aanvullende medische informatie ingebracht van 16 januari 2026, opgesteld door een behandelrapporteur van het ambulant transcultureel team.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat uit het medisch advies van Medifirst van 22 oktober 2024 niet blijkt dat eiseres niet in staat moet worden geacht coherent en consistent te verklaren en dat ze gehoord kan worden. Wel wordt vermeld dat eiseres angstige gebeurtenissen heeft meegemaakt in het land van herkomst en dat zij mogelijk emotioneel reageert wanneer ze hierover moet verklaren. Een optie is een extra pauze in te lassen, aldus het medisch advies. Ook uit de in beroep overgelegde rapportage van 16 januari 2026 blijkt niet dat eiseres ten tijde van de gehoren niet in staat is geweest om coherent en consistent te verklaren. Dat sprake is van psychotrauma klachten betekent nog niet dat eiseres inzichtelijk heeft gemaakt dat haar klachten van invloed zijn geweest op haar vermogen om te verklaren. Ook uit de verslaglegging van de met eiseres gevoerde gehoren valt niet af te leiden dat de klachten hierop van invloed zijn geweest. Tijdens het gehoor is rekening gehouden met haar psychische en fysieke gesteldheid; zowel aan het begin van het gehoor als tijdens het gehoor is haar gevraagd hoe het met haar gaat en er zijn extra pauzes ingelast. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister het tweede asielmotief niet geloofwaardig kunnen vinden?

7. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien dat eiseres - gelet op de vrees die eiseres stelt te hebben voor MS13 - nog drie maanden bij haar vriendin heeft verbleven. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat het bevreemdend is dat eiseres haar vriendin niet heeft gevraagd of MS-13 aanwezig is in de wijk van haar vriendin en zij daar toch is ondergedoken. Het verblijf in de wijk van haar vriendin rijmt niet met de angst die zij stelt te hebben voor de bendeleden. Dat de bendeleden niet op de hoogte waren van haar verblijf bij haar vriendin en zij zich schuilhield, doet daar niet aan af.

De rechtbank is verder van oordeel dat uit de door de minister aangehaalde bronnen blijkt dat de machtspositie die de bendes ooit hadden in El Salvador drastisch is afgenomen sinds de noodtoestand is uitgeroepen door de president van El Salvador op 27 maart 2022, en die sindsdien ook meerdere keren is verlengd. De minister heeft hierbij gewezen op openbare bronnen waaruit blijkt dat de president het bendegeweld hard aanpakt en dat de maatregelen die hij heeft getroffen effect hebben op het bendegeweld in El Salvador. Voorts mocht de minister uit de genoemde bronnen afleiden dat de maatregelen die de overheid heeft genomen wel degelijk effect hebben en dat de situatie in El Salvador wat betreft bendegeweld aanzienlijk is verbeterd. Zo volgt uit meerdere bronnen dat het bendegeweld in El Salvador is gestopt, veel bendeleden zijn opgepakt en dat het aantal bende-gerelateerde moordincidenten in 2023 aanzienlijk is afgenomen. Van infiltratie van bendeleden in de overheid - zoals eiseres stelt - is niet gebleken. De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat, als eiseres bij terugkeer slachtoffer wordt van bedreiging of geweld het niet aannemelijk is dat de politie een aangifte van eiseres niet zou willen opnemen en eiseres niet kan of wil beschermen. Uit de door de minister aangehaalde bronnen blijkt namelijk van een bereidheid van die autoriteiten om het bendegeweld aan te pakken. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden gesteld en/of onderbouwd waaruit kan worden afgeleid dat dat in haar specifieke geval anders zou zijn.

De minister heeft tevens het standpunt kunnen innemen dat eiseres wisselend heeft verklaard over haar pogingen tot aangifte. Enerzijds verklaart eiseres dat de politie niets deed en dat eiseres werd gezien als misdadiger in plaats van slachtoffer; later verklaart eiseres dat de politie tegen haar heeft gezegd dat de politie al had gepatrouilleerd. Weer later verklaart eiseres dat de politie haar heeft gevraagd om haar vriendin erbij te halen, omdat zij getuige is. Afgezien dat de minister op grond hiervan heeft kunnen stellen dat sprake is van wisselende verklaringen over de aangifte, is de rechtbank met de minister van oordeel dat uit deze vraag niet blijkt dat de politie onwelwillend is om eiseres te helpen. Eiseres heeft met haar stelling dat eiseres het gevoel had dat de politie haar niet wilde helpen niet inzichtelijk gemaakt dat dit voldoende is om de aangifte te staken. In dit verband heeft de minister, vooral in het licht van de eerder geschetste context waarin de

Salvadoraanse overheid streng optreedt tegen bendeleden, kunnen stellen dat eiseres onvoldoende inspanning heeft geleverd om bescherming te zoeken bij de autoriteiten. De rechtbank overweegt voorts dat de minister het bevreemdend heeft kunnen vinden dat de partner van eiseres haar drie tot vier keer per week heeft bezocht op het onderduikadres. Daarbij heeft de minister het van belang kunnen vinden dat eiseres heeft verklaard dat de bendeleden wisten waar eiseres woonde en dat haar partner daar nog enige tijd heeft gewoond nadat eiseres is ondergedoken. In het licht hiervan heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien dat de partner eiseres dan toch heeft bezocht met als mogelijk gevolg dat de bendeleden ook achter de verblijfplaats van eiseres zouden komen.

De rechtbank stelt met de minister vast dat eiseres diverse documenten heeft overgelegd. Anders dan eiseres stelt, heeft de minister de documenten wel degelijk bij het bestreden besluit betrokken en de inhoud daarvan beoordeeld. De minister stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat de documenten die eiseres heeft ingebracht niet objectief verifieerbaar zijn. Dat de verklaringen van de advocaat en de feministische organisatie afkomstig zouden zijn van professionele bronnen laat onverlet dat niet geconcludeerd kan worden dat de verklaringen afkomstig zijn van onafhankelijke bronnen en welke belangen zij hebben gehad met het afgeven van deze verklaringen. De minister heeft voorts kunnen stellen dat niet duidelijk is of deze verklaringen zijn afgegeven op verzoek van eiseres. Ten aanzien van de verklaringen van eiseres zelf, van haar vriendin en de schermafbeeldingen van de bedreigingen die eiseres via social media heeft ontvangen, heeft de minister kunnen stellen dat ook deze niet objectief verifieerbaar zijn. De overgelegde documenten vormen dan ook geen onderbouwing van het asielrelaas van eiseres. De minister stelt zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat het in de eerste plaats aan eiseres is om haar asielrelaas aannemelijk te maken en dat van haar mag worden verwacht dat zij alle relevante feiten en omstandigheden naar voren brengt, en, waar mogelijk, met documenten onderbouwt.

Uit het bestreden besluit blijkt voorts dat bij de beoordeling van de aanvraag niet uitsluitend is uitgegaan van de verklaringen van eiseres, maar dat tevens landeninformatie is betrokken in de beoordeling van de asielaanvraag. Daarmee heeft de minister invulling gegeven aan de op hem rustende samenwerkings- en onderzoekplicht.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister in de bestreden beschikking de verklaringen van eiseres kenbaar in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en gewogen. De minister heeft daarbij alle relevante aspecten betrokken en voldoende gemotiveerd waarom het tweede asielmotief niet geloofwaardig is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister in dit geval niet een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt, zodat het beroep (in zoverre) ongegrond is.

Loopt eiseres bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres dan wel haar dochters bij terugkeer naar El Salvador geen gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade vanwege haar broer. Eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom zij - nu zij al twintig jaar geen contact meer heeft met haar broer - nog steeds te vrezen heeft voor hem, temeer nu zij in die twintig jaar ook geen problemen heeft ondervonden vanwege hem en zij haar familieleden ook niet heeft verteld over hetgeen is voorgevallen tussen haar en haar broer. Dat de broer van eiseres zou hebben geprobeerd contact te leggen met de dochters van eiseres brengt daar geen verandering in. Uit de verklaringen van eiseres blijkt immers niet dat haar broer eiseres dan wel haar dochters iets aan wil doen.

Wat betreft de vrees van eiseres voor de Salvadoraanse autoriteiten heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt dat in haar specifieke geval de Salvadoraanse autoriteiten op de hoogte zijn van het feit dat eiseres hier asiel heeft aangevraagd. Haar vrees is immers voornamelijk gebaseerd op vermoedens. Verder heeft eiseres ook niet inzichtelijk gemaakt waarom de Salvadoraanse autoriteiten om deze reden eiseres zouden willen ontvoeren of haar zouden laten verdwijnen. Tot slot blijkt ook niet uit openbare en gezaghebbende bronnen dat dit in het algemeen de werkwijze van de Salvadoraanse autoriteiten is.

Traumatabeleid

9. Eiseres heeft - eerst ter zitting - een beroep gedaan op het traumatabeleid, zoals is neergelegd in paragraaf C2/3.3.2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000. Zij betoogt dat zij slachtoffer is geweest van ernstige mishandeling door haar broer. Zij doet tevens een beroep op het traumatabeleid vanwege hetgeen zij heeft meegemaakt vanwege de groeperingen. De minister had eiseres meer moeten uitvragen over de vraag of sprake is van actoren waartegen geen effectieve bescherming kan worden ingeroepen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich ter zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor toepassing van het traumatabeleid vereist is dat sprake is van daden gepleegd door de autoriteiten van het land van herkomst, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen, dan wel door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet bereid is bescherming te bieden. De rechtbank volgt de minister in diens standpunt dat hiervan in het geval van eiseres geen sprake is, nu zij slachtoffer is geworden van seksueel geweld door haar broer. Voorts volgt de rechtbank de minister dat eiseres tijdens de gehoren voldoende is bevraagd over hetgeen zij heeft meegemaakt vanwege de groeperingen, meer specifiek vanwege de bende MS-13. De beroepsgrond slaagt niet.

Belangen van het kind

10. Met de beroepsgrond dat de minister de belangen van de minderjarige dochter van eiseres niet voldoende dan wel niet voldoende kenbaar heeft meegewogen, heeft eiseres in feite een beroep gedaan op artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). In dit artikellid is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen die worden genomen door (onder andere) de bestuurlijke autoriteiten, de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat artikel 3 van het IVRK niet tot meer strekt dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet door de bestuursrechter in dit verband worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.

Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd aangegeven dat in het voornemen en in het besluit geen overweging is opgenomen over de belangen van het kind, maar dat de belangen zijn verdisconteerd in de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Daarnaast heeft de gemachtigde van de minister ter zitting aangegeven dat het kind niet zal worden gescheiden van haar ouders en er in die zin rekening is gehouden met de belangen van het kind. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze motivering niet om tot de conclusie te kunnen komen dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden en dat voldoende rekenschap is gehouden met de belangen van het kind. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor de indiening van het beroepschrift en 1 punt voor de deelname aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 18 september 2025;

- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 1.868,- .

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is in het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.G.D. Overmars

Griffier

  • mr. S. Derks

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?