ECLI:NL:RBDHA:2026:9942

ECLI:NL:RBDHA:2026:9942

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer NL26.13903
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Vereenvoudigde behandeling
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Dublin, Kroatië, 8:54 Awb, vaststelling verantwoordelijke lidstaat, vingerafdrukken afgegeven, interstatelijk vertrouwensbeginsel, AIDA-rapport (update 2024), rapportage Center for Peace Studies (CPS), artikel 17 Dublinverordening, beroep kennelijk ongegrond.

Uitspraak

[naam 1] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Jordaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

alias:

[naam 2]

geboren op [naam 3] ,

van Palestijnse nationaliteit,

(gemachtigde: mr. R. Roelofsen),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het betreden besluit van 12 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.

Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.13904. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.

3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 4 januari 2026 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 10 januari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.

Zienswijze

5. De rechtbank oordeelt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarom volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.

Asielaanvraag in Kroatië

6. Eiser voert aan dat hij nooit de intentie heeft gehad om asiel in Kroatië aan te vragen. Hij moest alleen vingerafdrukken laten afnemen en documenten ondertekenen, zonder dat hem is uitgelegd dat dit wellicht een asielaanvraag betrof. Eiser is na twee nachten doorgereisd en was zich er niet van bewust dat hij een asielaanvraag had ingediend.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in Kroatië zijn vingerafdrukken heeft afgegeven. Evenmin is in geschil dat Kroatië het verzoek om terugname heeft aanvaard. Volgens de toelichting in het claimakkoord heeft eiser in Kroatië op 27 november 2025 kenbaar gemaakt dat hij internationale bescherming wenst, maar is hij vertrokken zonder een formele asielaanvraag te hebben ingediend. De rechtbank ziet in de enkele stelling dat eiser nooit de intentie heeft gehad om een asielaanvraag in te dienen, geen aanleiding om te concluderen dat de informatie in het claimakkoord onjuist is. Indien eiser van mening is dat hij niet goed geïnformeerd is over de gevolgen voor het afgeven van vingerafdrukken, had het op de weg van eiser gelegen om hierover te klagen bij de Kroatische autoriteiten. De enkele stelling dat eiser slechts korte tijd in Kroatië heeft verbleven en niet wist dat hij een asielaanvraag had ingediend, kan hieraan niet af doen. Dit betekent dat de minister terecht heeft vastgesteld dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de door eiser (in Nederland) ingediende asielaanvraag.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

7. Eiser betoogt dat hij in Kroatië slecht is behandeld. Zo heeft hij bijna geen eten of water gekregen en is hij mishandeld. Dit betekent volgens eiser dan ook dat hij bij terugkeer naar Kroatië heeft te vrezen voor een onmenselijke behandeling. Eiser verwijst in dat kader naar het AIDA-rapport (update 2024) van 18 augustus 2025 en naar een rapportage van Center for Peace Studies (CPS). Hieruit blijkt, onder andere, dat de hygiëne van opvangcentra ontoereikend is, de toegang tot gezondheidszorg beperkingen heeft en dat sprake is van pushbacks.

De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, die recentelijk is bevestigd door de Afdelingsuitspraak van 21 november 2025, volgt dat de minister ten aanzien van Kroatië (nog steeds) mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de uitspraak van 9 oktober 2024 is de Afdeling ingegaan op de onderwerpen (toegang tot de) asielprocedure, pushbacks en opvangvoorzieningen. Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (update 2024) laat geen wezenlijk ander beeld zien dan het eerdere AIDA-rapport (update 2023), waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. De Kroatische autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen en dat zij zich zullen houden aan de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat zijn asielaanvraag niet zorgvuldig of volgens de Europese regels zal worden behandeld. Mocht eiser toch problemen ervaren met de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen, dan ligt het op zijn weg om daarvoor de autoriteiten van Kroatië te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Kroatische autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn. Ook oordeelt de rechtbank dat eiser met zijn verklaringen over wat hij zelf in Kroatië heeft meegemaakt ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Zijn verklaringen over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan namelijk over de wijze waarop hij bij aankomst in Kroatië (als asielzoeker) is behandeld en niet over de situatie dat hij als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen.

Artikel 17 van de Dublinverordening

8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.

Paragraaf C2/5. van de Vc bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Voor zover eiser betoogt dat de door hem naar voren gebrachte problemen met betrekking tot de asielprocedure en/of de opvangvoorzieningen in Kroatië ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de Afdelingsuitspraak van 25 februari 2025. Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waarop de vreemdeling zich heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?