RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49844
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. N.R. Imminga),
en
(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Salvadoraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . De minister heeft met het bestreden besluit van 18 september 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
In verband met de afhankelijke asielrelazen heeft de rechtbank de beroepen van eiser - alsmede het beroep van zijn partner (NL25. 49843) en zijn stiefdochter (NL25.49845) - gezamenlijk op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de partner van eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. De stiefdochter heeft zich afgemeld voor de zitting. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. De partner van eiser heeft op 21 oktober 2022 een afpersing gezien door een bendelid toen zij boodschappen deed. De dag erna is zij door een bendelid verwond en bedreigd. Hierna heeft zij drie maanden ondergedoken gezeten bij een vriendin. Na het vertrek van zijn partner is eiser meerdere malen bedreigd door dezelfde bendeleden. Bij terugkeer vreest eiser voor deze bendeleden. Hij stelt ook te vrezen voor de overheid vanwege het feit dat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
- eisers problemen met de bendeleden.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief acht de minister niet geloofwaardig. Zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser voldoet hiermee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000. De minister verwijst allereerst naar hetgeen daartoe door hem is overwogen in het besluit van zijn partner, nu er sprake is van hetzelfde asielmotief. Daarnaast heeft de minister ten aanzien van eiser nog gesteld dat eiser na de start van de problemen nog negen maanden in El Salvador heeft verbleven. Tevens zijn eisers verklaringen tegenstrijdig met zijn activiteiten op Google Reviews. Tot slot hebben de door eiser ingebrachte documenten niet de bewijswaarde die eiser eraan gehecht wenst te zien.
Afhankelijk asielrelaas
5. Het relaas van eiser is grotendeels afhankelijk van het asielrelaas van zijn partner (NL25.49843). De rechtbank verwijst daarom allereerst naar haar overwegingen in de uitspraak van vandaag van zijn partner, met name rechtsoverweging 5, 7 en 8. Dat betekent dat de rechtbank de overwegingen van deze uitspraak overneemt en deze ook beschouwt als onderdeel van onderhavige uitspraak. De rechtbank heeft - kort samengevat - geoordeeld dat de minister in de bestreden beschikking eiseres’ verklaringen kenbaar in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en gewogen. De minister heeft daarbij alle relevante aspecten betrokken en voldoende gemotiveerd waarom het asielmotief van zijn partner over de problemen met de bendeleden niet geloofwaardig is. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het geval van zijn partner niet een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt.
De door eiser specifiek op zijn zaak betrekking hebbende beroepsgronden zal de rechtbank hieronder per onderdeel van het asielrelaas bespreken.
Eiser heeft na de start van de problemen nog negen maanden in El Salvador verbleven
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd overwogen dat niet valt in te zien dat eiser - gelet op de angst die hij had voor MS-13 - pas na negen maanden na de start van de problemen zijn land van herkomst heeft verlaten. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat zijn partner het land een half jaar eerder al had verlaten om dezelfde problemen en hij stelt zelf al ruim vier maanden persoonlijke bedreigingen te ondervinden. Dat eiser in eerste instantie niet verwachtte dat de bendeleden het op hem hadden voorzien en dat hij zich onder de radar hield, doet niet af aan de omstandigheid dat hij ondanks de bedreigingen toch nog in El Salvador is gebleven.
Documenten
7. De rechtbank stelt vast dat eiser diverse documenten heeft overgelegd. Anders dan eiser stelt, heeft de minister de documenten wel degelijk bij het bestreden besluit betrokken en de inhoud daarvan beoordeeld. De minister stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat de documenten die eiser heeft ingebracht niet objectief verifieerbaar zijn. Dat de verklaringen afkomstig zouden zijn van professionele bronnen - zoals het Rode Kruis en de mensenrechtenorganisatie - laat onverlet dat niet geconcludeerd kan worden dat de verklaringen afkomstig zijn van onafhankelijke bronnen en welke belangen zij hebben gehad met het afgeven van deze verklaringen. Ten aanzien van de verklaring die eiser zelf bij de notaris heeft afgelegd, kan gezegd worden dat ook hier geen sprake is van een objectieve bron. De minister heeft voorts kunnen stellen dat niet duidelijk is of de verklaring van de werkgever is afgegeven op verzoek van eiser zelf. Ten aanzien van de schermafbeeldingen van de bedreigingen die eiser via social media heeft ontvangen, heeft de minister ook kunnen stellen dat deze niet objectief verifieerbaar zijn. De overgelegde documenten vormen dan ook geen onderbouwing van het asielrelaas van eiser. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het in de eerste plaats aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en dat van hem mag worden verwacht dat hij alle relevante feiten en omstandigheden naar voren brengt, en, waar mogelijk, met documenten onderbouwt. Uit het bestreden besluit blijkt voorts dat bij de beoordeling van de aanvraag niet uitsluitend is uitgegaan van de verklaringen van eiser, maar dat tevens de landeninformatie is betrokken in de beoordeling van zijn asielaanvraag. Daarmee heeft de minister invulling gegeven aan de op hem rustende samenwerkings- en onderzoekplicht.
Overheidscritici
8. Het beroep van eiser op landeninformatie over overheidscritici kan eiser niet baten, omdat de informatie voornamelijk betrekking heeft op bepaalde (groepen van) personen, zoals journalisten, mensenrechtenverdedigers en vakbondsleiders en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een van deze categorieën valt.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser gestelde problemen niet ten onrechte niet geloofwaardig acht. De beroepsgronden slagen daarom niet. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht ongegrond verklaard. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.