[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 30 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.17757. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk op 10 december 2025 een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek op 26 januari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser betoogt dat ten aanzien van Oostenrijk niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser vreest dat bij overdracht naar Oostenrijk niet zorgvuldig en inhoudelijk naar zijn asielaanvraag wordt gekeken. Als reden hiervoor voert hij aan dat zijn overdracht meer dan twee jaar na zijn vertrek uit Oostenrijk plaatsvindt en dat zijn asielaanvraag daarom mogelijk als opvolgende asielaanvraag zal worden behandeld, waarbij strenge formele drempels gelden voordat er inhoudelijk naar de asielaanvraag zal worden gekeken. Eiser verwijst in dat kader naar het AIDA-rapport (update 2024) van juli 2025. Dit maakt dat de minister op zijn minst toezeggingen en garanties moet bedingen van de Oostenrijkse autoriteiten dat eisers asielaanvraag inhoudelijk zal worden beoordeeld.
6. De rechtbank overweegt als volgt. De minister mag ten aanzien van Oostenrijk in het algemeen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn situatie anders is. Dat is het geval als eiser aannemelijk maakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om onder het bereik van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest te vallen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. De Afdeling heeft in verschillende uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Uit het AIDA-rapport volgt dat asielzoekers die op grond van de Dublinverordening terugkeren naar Oostenrijk en van wie de aanvraag in afwachting is van een definitieve beslissing, geen belemmeringen ondervinden als hun overdracht binnen twee jaar na hun vertrek uit Oostenrijk plaatsvindt. Uit het AIDA-rapport volgt ook dat asielzoekers die na twee jaar terugkeren, een opvolgende aanvraag moeten indienen. Verder volgt uit het rapport dat een aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het een opvolgende aanvraag betreft en “no change significant to the decision has occured in the material facts”. Dit veronderstelt dat er al een inhoudelijke beslissing is genomen op de aanvraag, wat bij eiser niet het geval is. In het rapport staat eveneens opgenomen dat verschillende waarborgen gelden afhankelijk van de voorgaande procedure en het tijdstip waarop de aanvraag wordt ingediend. Over het algemeen wordt een opvolgende aanvraag niet toegelaten tot de reguliere procedure en wordt deze niet-ontvankelijk verklaard. Uit artikel 2 van de wet waarop deze passage is gebaseerd blijkt echter dat het hier ook gaat om de situatie waarin een definitieve beslissing is genomen op de aanvraag en er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd. Gelet op het voorgaande, en gelet op het feit dat Oostenrijk met het claimakkoord gegarandeerd heeft dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat eiser in Oostenrijk problemen zal ondervinden omdat hij al meer dan twee jaar weg is uit Oostenrijk en dat zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het vragen van een toezegging van de Oostenrijkse autoriteiten dat zij eisers asielaanvraag inhoudelijk zullen beoordelen. Mocht eiser na overdracht van mening zijn dat Oostenrijk zijn verplichtingen niet nakomt dan ligt het op zijn weg om daarover in Oostenrijk te klagen. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Eiser voert aan dat hij al sinds 2023 in Nederland verblijft en hier niet alleen een netwerk heeft, maar ook familieleden en een duurzame en exclusieve relatie. Het uit elkaar halen van gezins- en familieleden staat niet in verhouding tot het belang van de minister om hem over te dragen. Eiser meent dat de minister deze omstandigheden onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling of de overdracht niet tot onevenredige hardheid leidt in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening.
9. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.
10. Paragraaf C2/5. van de Vc bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. De omstandigheid dat eiser bij zijn in Nederland verblijvende familieleden wil zijn is begrijpelijk, maar betreft geen bijzondere, individuele omstandigheid die een overdracht aan Oostenrijk onevenredig hard zou maken. Daarbij is niet gebleken van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, oordeelt de rechtbank dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen. Een toetsing aan artikel 8 van het EVRM is dan ook niet aan de orde. Eiser heeft zijn gestelde duurzame en exclusieve relatie met zijn partner verder ook niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt.
12. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en kan worden overgedragen aan Oostenrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.