Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/31
zaak- /rekestnummer: C/09/703815 / KG RK 26-679
Beslissing van 28 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en S.M. Westerhuis-Evers,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters van de wrakingskamer.
1. Het wrakingsverzoek
Op 8 april 2026 heeft verzoeker een verzoek tot wraking van de volledige bestuursrechtbank ingediend in de zaak met nummer SGR 25/4723. Dit verzoek is bij beslissing van 15 april 2026 door de wrakingskamer, in een samenstelling met mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en S.M. Westerhuis-Evers als rechters, afgewezen (zaak met kenmerk C/09/702969 / KG RK 26-626).
Op 17 april 2026 heeft verzoeker een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend dat strekt tot wraking van de rechters die de onder 2.1. genoemde beslissing hebben genomen, alsmede van de griffier.
2. De beoordeling
Ten aanzien van de wraking van de rechters van de wrakingskamer
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Het verzoek tot wraking is gedaan nadat de rechters in de wrakingsprocedure op 15 april 2026 einduitspraak hebben gedaan. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan in de zaak waarop het wrakingsverzoek betrekking heeft. Om die reden kan verzoeker niet in het verzoek tot wraking van de rechters van de wrakingskamer worden ontvangen.
Ten aanzien van de wraking van de griffier
Uit artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Hieruit volgt dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend tegen een rechter die een zaak behandelt. Voor zover het wrakingsverzoek is gericht tegen de griffier is dus geen sprake van een wrakingsverzoek in de zin van de wet en verzoeker zal daarom ook niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.
Geen mondelinge behandeling
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling van een wrakingsverzoek is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
Wrakingsverbod
Verzoeker heeft in deze procedure nu twee wrakingsverzoeken gedaan die niet zijn gehonoreerd, die feitelijke onderbouwing missen en die hebben geleid tot onredelijke vertraging van de rechtspleging. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruikt verzoeker het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
3. De beslissing
De wrakingskamer
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak met nummer SGR 25/4723 wordt voortgezet in de stand waarin dit zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak met nummer SGR 25/4723 niet in behandeling zal worden genomen;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en S.M. Westerhuis-Evers.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.W. Schippers, E.E. Schotte en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.M.C. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.