Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09-351413-25, 10-323647-22 (tul) en 10-289846-22 (tul)
Datum uitspraak: 23 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting 9 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H.L. Heemskerk naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 27 december 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, Een Lego kasteel en/of een RC Truck, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Intertoys (Leidschendam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij, op of omstreeks 27 december 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, winkelgoederen (parfums en een plastic tas), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Etos ( [adres 1] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij, op of omstreeks 27 december 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, in het besloten lokaal Westfield Mall of The Netherlands ( [adres 2] Leidschendam) bij de Etos en/of de Intertoys, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 9 augustus 2025 schriftelijk de toegang tot die Mall of The Netherlands ontzegd voor de duur van 12 maanden.
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025437944, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 60).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 9 april 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] namens Intertoys Leidschendam, opgemaakt op 29 december 2025 (p.18-20);
3. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] namens de Etos Store Leidschendam, opgemaakt op 28 december 2025 (p. 12-13);
4. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , beveiliger bij Westfield Mall of the Netherlands, opgemaakt op 27 december 2025 (p. 9-11).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 27 december 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, een Lego kasteel en een RC Truck, die aan Intertoys (Leidschendam) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op 27 december 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, winkelgoederen (parfums en een plastic tas) die aan Etos ( [adres 1] ) toebehoorden heeft
weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij op 27 december 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, in het besloten lokaal Westfield Mall of The Netherlands ( [adres 2] Leidschendam), bij de Etos en de Intertoys in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 9 augustus 2025 schriftelijk de toegang tot die Mall of The Netherlands ontzegd voor de duur van 12 maanden.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel die aan de verdachte is opgelegd onder het parketnummer 09-379995-24.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de verdachte een (grotendeels voorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke ISD-maatregel
In artikel 6:6:3 van het Wetboek van Strafvordering staan de procedurele voorschriften rondom het aanhangig maken van een vordering tot tenuitvoerlegging. Die voorschriften zijn in de onderhavige zaak niet gevolgd; de officier van justitie heeft voor het eerst ter terechtzitting bij haar requisitoir de vordering tot tenuitvoerlegging gedaan. Daarmee is niet voldaan aan het tweede lid van voormelde bepaling, op grond waarvan de vordering tot tenuitvoerlegging aan de veroordeelde had moeten worden betekend (met inachtneming van de daarvoor geldende termijnen), terwijl ook de overige voorschriften – voor zover relevant in deze zaak – niet in acht zijn genomen.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel.
Strafmaatoverwegingen
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft kort achter elkaar twee diefstallen gepleegd in een winkelcentrum waar hij niet meer mocht komen. Hij heeft daarbij voor maar liefst € 1.133,82 euro aan spullen gestolen, waarbij hij op geraffineerde wijze de folie verwijderde van dure parfums zodat het alarm niet zou afgaan. Aan de verdachte was een aantal maanden eerder een ontzegging uitgereikt wegens een poging tot diefstal, maar daar heeft hij zich weinig van aangetrokken. De verdachte is gewoon teruggegaan naar het winkelcentrum om nieuwe diefstallen te plegen. Hij heeft zich daarbij niet ingehouden en een flinke hoeveelheid goederen gestolen. Door zo te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een volkomen gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van anderen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 maart 2026. Hoewel de verdachte zich in de afgelopen twaalf maanden niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, heeft hij daarvoor zeer veel veroordelingen op zijn naam staan ter zake van winkeldiefstallen. Aan de verdachte is in maart 2025 een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd, maar dat heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 5 maart 2026. Hierin is te lezen dat de verdachte problemen heeft op het gebied van financiën, dagbesteding, middelengebruik en psychosociaal functioneren. Er is sprake van een delictpatroon waarbij nagenoeg alle leefgebieden direct of indirect in verband staan met het delictgedrag. De reclassering schrijft dat een tekort aan copingvaardigheden een rol speelt, waardoor alle factoren in zijn leven instabiel blijven. De verdachte heeft zich wisselend meewerkend opgesteld tijdens verschillende klinische behandeltrajecten maar heeft die klinieken uiteindelijk allemaal voortijdig verlaten. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt hoog ingeschat.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
7. De vorderingen tot tenuitvoerlegging
De vorderingen van de officier van justitie
De officier van justitie heeft twee vorderingen ingediend tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafdeel wegens het niet-naleven van de algemene voorwaarden.
De vordering van 2 april 2026 betreft een zaak met parketnummer 10-323647-22 waarin door de politierechter van de rechtbank Rotterdam op 7 maart 2023 een voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van twee weken.
De vordering van 3 maart 2026 ziet op een zaak met parketnummer 10-289846-22 waarin door de politierechter van de rechtbank Dordrecht op 22 oktober 2024 een voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van één week.
De officier verzoekt de rechtbank, gelet op de gevraagde tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel, de beide vordering af te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging kunnen worden toegewezen als de ISD-maatregel achterwege blijft.
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft in de proeftijd opnieuw strafbare feiten gepleegd en zich dus niet gehouden aan de algemene voorwaarden. De rechtbank zal beide vorderingen tot tenuitvoerlegging daarom toewijzen. Dit betekent dat de verdachte de gevangenisstraf van twee weken en de gevangenisstraf van één week moet uitzitten.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 57, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal;
ten aanzien van feit 2:
diefstal;
ten aanzien van feit 3:
in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 10-323647-22 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 7 maart 2023 voorwaardelijk opgelegde straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 2 (TWEE) WEKEN;
gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 10-289846-22 door de politierechter in de rechtbank Dordrecht op 22 oktober 2024 voorwaardelijk opgelegde straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 1 (ÉÉN) week.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Jadib, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. A.W. Duijnstee, rechter,
in tegenwoordigheid van B.J. van der Sterre, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2026.