RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. T. Thissen),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Willems).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.26206
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van de eiser geen samenhangend en aannemelijk vormen, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep2, op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister was op de zitting aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.
1. Vreemdelingenwet 2000.
2 Zaak NL25.26207.
De rechtbank heeft de behandeling op zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen om te reageren op wat op de zitting is besproken.
De gemachtigde van eiser heeft op 16 september 2025 gereageerd op wat op de zitting is besproken.
De minister heeft op 31 oktober 2025 een reactie gegeven.
De rechtbank heeft op 7 januari 2026 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Problemen vanwege de fatwa
De foto’s van de fatwa
Tijdlijn
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in 2022 problemen heeft gekregen met zijn collega [persoon1] . De aanleiding hiervoor was eisers christelijke achtergrond. [persoon1] probeerde eiser te bekeren tot de Islam. Eiser zou de profeet hebben beledigd volgens [persoon1] , waarna hij door hem is bedreigd. De werkgever van eiser zou tussen hen bemiddelen, maar toen eiser hiervoor op zijn werk aankwam is hij door [persoon1] en zijn werkgever opgesloten in het magazijn en wilden ze eiser vermoorden. Eiser is ontsnapt en is daarna gevlucht. Vervolgens is een fatwa uitgesproken.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eerste asielmotief geloofwaardig is, maar het tweede en derde niet. Dit omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
Problemen op de werkplek van eiser vanwege religie
5. Eiser voert aan dat de minister zijn verklaringen over zijn problemen op zijn werkplek ten onrechte ongeloofwaardig acht. Eiser had een goede band met zijn werkgever op het gebied van werk. Nergens blijkt echter uit dat een goede professionele relatie bescherming biedt tegen een blasfemiebeschuldiging. Eiser behoort als christen tot religieuze minderheid, zijn werkgever niet. Eiser verwijst naar het algemeen ambtsbericht over Pakistan van 2024, pagina 62, waaruit volgt dat christenen worden gezien als tweederangsburgers en dat mensen in blasfemiezaken partij kiezen tegen de beschuldigde persoon. Volgens islamitisch recht komt aan een verklaring van een moslim meer gewicht toe dan aan die van een christen. Zijn relaas komt dus overeen met de landeninformatie. Verder vindt de minister het onvoorstelbaar dat de werkgever niet de kant van de werknemer koos vanwege de goede band die ze hebben, maar stelt tegelijk ook dat het onvoorstelbaar is dat eiser dacht dat de werkgever wil en kan bemiddelen. Dit is inconsistent van de minister. Het is juist begrijpelijk dat eiser het aanbod van zijn werkgever aannam om te bemiddelen, gezien de moeilijke positie van eiser als christen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiser op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft terecht opgemerkt dat er een inconsistentie zit in de argumentatie van de minister. Aan de ene kant vindt de minister eisers problemen met een collega ongerijmd omdat hij een lange en goede band had met de werkgever, waardoor de minister eiser niet volgt dat de werkgever het woord van die collega geloofd en dat van eiser niet. Aan de andere kant vindt de minister het ook ongerijmd vindt dat eiser inging op een bemiddelingspoging van de werkgever omdat hij geloofde dat zijn werkgever hem in bescherming zou nemen tegen de blasfemiebeschuldiging van de collega. Dat eiser een goede band had met zijn werkgever, is hiervoor onvoldoende volgens de minister. Ook heeft de minister niet goed gemotiveerd waarom het ongerijmd is dat zijn werkgever het woord van eisers collega geloofde en zijn woord niet. Eiser heeft gewezen op algemene informatie over de betekenis van het ‘woord van een christen’ tegenover het ‘woord van een moslim’ in Pakistan. De minister heeft deze algemene informatie niet betrokken bij de beoordeling van de eisers verklaring op dit punt.
7. Ten aanzien van de opsluiting in het magazijn, is de rechtbank van oordeel dat de minister niet inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom eisers verklaringen op dit punt niet aannemelijk zouden zijn. De minister vindt de verklaringen eiser ongerijmd, omdat zijn werkgever anders had kunnen reageren door al eerder een massa te mobiliseren of eiser te doden. De minister vindt daarbij van belang dat het opsluiten van eiser niet past bij de opvatting van zijn werkgever en collega dat eiser op dat moment dood moest. Door hem onbewaakt in het afgesloten magazijn op te sluiten en niet gelijk te handelen, zou eiser een kans tot ontsnapping krijgen. Eiser heeft er echter op gewezen dat in Pakistan menigten worden opgeroepen om blasfemiekwesties ‘op te lossen’.3 De omstandigheid dat de minister een alternatief scenario meer waarschijnlijk vindt en eisers verklaringen daarom ongerijmd, is niet kenbaar gebaseerd op algemene informatie over Pakistan. De motivering van de minister kan de argumentatie daarom niet dragen.
8. Ten aanzien van de problemen vanwege de fatwa is de rechtbank van oordeel dat de minister ontoereikend heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiser op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Het standpunt van de minister over de problemen op eisers werkplek vanwege religie, werkt volgens het bestreden besluit door naar de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde problemen vanwege de fatwa, omdat eiser geen andere problemen naar voren heeft gebracht die de fatwa kunnen onderbouwen.4 Het oordeel van de rechtbank over de problemen van eiser op zijn werkplek vanwege zijn religie werkt daarom door in de beoordeling van de minister op het punt van de fatwa. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan de minister er zonder nadere motivering niet vanuit gaan dat de problemen van eiser op zijn werkplek vanwege zijn religie ongeloofwaardig zijn.
9. Eiser heeft kopieën overgelegd van foto’s waarop volgens eiser de fatwa te zien is op een muur in zijn wijk en op zijn huis. Volgens de minister zijn deze foto’s overduidelijk
3 Eiser heeft verwezen naar: ‘Blasphemy Trials in Pakistan: Legal Process as Punishment’, Clooney Foundation for Justice, september 2024.
4 Pagina’s 5 en 6 van het bestreden besluit.
bewerkt en in het voornemen heeft de minister toegelicht waarom die conclusie is getrokken. De minister is van mening dat het aanleveren van deze niet authentieke documenten de ongeloofwaardigheid van de fatwa versterkt. Eiser betwist de conclusie van de minister over de foto’s en stelt daar een andere ‘lezing’ van de foto’s tegenover.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat de foto’s overduidelijk bewerkt zijn. De rechtbank kan aan de foto’s niet duidelijk zien dat deze overduidelijk bewerkt zijn. Aan die conclusie ligt geen deskundigenrapport ten grondslag maar de opvatting van de betreffende medewerker die, zoals de minister op zitting heeft verklaard, niet specifiek deskundig is op het gebied van (bewerkte) foto’s. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat de overgelegde foto’s de ongeloofwaardigheid van de fatwa versterken.
11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte uitgaat van een onjuiste tijdlijn. De minister heeft de verklaringen van eiser op een aantal punten verkeerd gelezen. Eiser heeft niet in [plaats 1] gewerkt, zoals de minister stelt. Ook zou eiser volgens de minister hebben verklaard dat de fatwa’s pas een maand na zijn vertrek zijn verspreid.
12. De rechtbank is het met eiser eens dat de minister in het besluit uitgaat van een onjuiste tijdlijn in eisers verklaringen. Eiser heeft verklaard:
“Hebt u naast de fatwa en wat er op uw voordeur is geplakt, en wat uw werkgever en [persoon1] tegen u heeft gezegd, nog andere bedreigingen in Pakistan ontvangen?
Ik werd bedreigd door [persoon1] op mijn werk, in [plaats 1] . En ik had mijn mobiele telefoonnummer geblokkeerd.
U bent door [persoon1] bedreigt op uw werk en in [plaats 1] , klopt dat?
Ja, telefonisch in [plaats 1] .
En daarna hebt u uw mobiele telefoonnummer geblokkeerd, klopt dat?
Ja.”5
De minister maakt hieruit op dat eiser heeft verklaard dat hij in [plaats 1] heeft gewerkt, waardoor de tijdlijn van het relaas van eiser niet meer zou kloppen. De rechtbank volgt de minister hierin niet. De rechtbank is het met eiser eens dat uit zijn verklaringen eerder volgt dat hij is bedreigd op zijn werk én in [plaats 1] . In de verduidelijkende vraag blijkt dat hij in [plaats 1] telefonisch is bedreigd. Uit de overige verklaringen van eiser blijkt dat hij is gevlucht naar [plaats 1] en daarna naar [plaats 2] , en dat hij kort in [plaats 1] heeft verbleven.
13. Dat eiser heeft verklaard dat pas na een maand na zijn vertrek de fatwa’s zouden zijn verspreid, volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft hier het volgende over verklaard:
“Een persoon zei, ik weet waar [eiser] ben, dat ben ik. [eiser] is bij mijn tante in [plaats 1] . En die tante zei, dit heb ik van [persoon2] gehoord en jij moet jouw leven zien veilig te stellen. Zij hebben foto’s gemaakt van de fatwa en in de hele wijk deze fatwa’s geplakt dat ik gedood moet worden.
5 Nader gehoor, pagina 18.
(…)
[persoon2] heeft de foto’s gemaakt in de wijk. Na een maand hebben ze dit bij ons huis geplakt dat ik gedood moest worden en dat ons huis is overgedragen aan [school] , dat is een Islamitische school.”6
14. De rechtbank leest hierin niet dat pas na een maand fatwa’s zijn geplakt in de wijk. De rechtbank volgt eiser dat het plakken van de fatwa bij zijn huis ziet op een ander, later moment.
15. Het standpunt van de minister dat uit de verklaringen van eiser volgt dat de tijdlijn niet klopt, volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
16. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 6 weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
6 Nader gehoor, pagina 8.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 april 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.