ECLI:NL:RBDHA:2026:9965

ECLI:NL:RBDHA:2026:9965

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer 09/019953-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voorwaardelijke ISD voor winkeldiefstal en lokaalvredebreuk. Geen DUT.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/019953-26

Datum uitspraak: 23 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )

BRP-adres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting 9 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. T.V. Seedorf naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 19 januari 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

twee, althans één, sixpack(s) bier in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele

aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich

wederrechtelijk toe te eigenen;

2

hij op of omstreeks 19 januari 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland,

in het besloten lokaal aan de [adres 2] bij de Albert Heijn,

althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik

wederrechtelijk is binnengedrongen

immers was hem, verdachte, met ingang van 8 oktober 2025 schriftelijk de

toegang tot die Albert Heijn ontzegd voor de duur van 12 maanden

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, met (partiële) vrijspraak van het in vereniging plegen van het feit onder 1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage ten aanzien van feit 1 opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Ten aanzien van feit 2 zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als genoemd in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de verdachte dit feit heeft bekend en de raadsvrouw ten aanzien van dit feit geen vrijspraak heeft bepleit.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op basis van de uitgewerkte camerabeelden en de verklaring van verdachte vast dat de verdachte met twee sixpacks bier in zijn winkelmandje door de Albert Heijn liep. De verdachte heeft bij de flessenautomaat de twee sixpacks bier uit het winkelmandje gehaald en in zijn de rugzak gestopt. Daarna heeft hij zijn rugzak opgepakt en heeft hij deze iets verderop in de winkel aan [naam] gegeven. [naam] is daarna langs de kassa gelopen zonder de twee sixpacks bier in de rugzak te betalen.

Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, ziet de rechtbank dat de verdachte met de hiervoor genoemde handelingen wel het oogmerk had om het bier te stelen.. De verdachte heeft de six-packs eerst verzameld in een winkelmandje, waarin ze zichtbaar waren. Voordat hij naar de kassa liep, heeft de verdachte de six-packs in zijn rugzak gestopt. Daarmee heeft hij de boodschappen onttrokken aan de feitelijke heerschappij van de Albert Heijn. Dat de rugzak openstond, zoals door de raadsvrouw naar voren gebracht, maakt dit niet anders. Zijn handelingen hadden onmiskenbaar de bedoeling om de six-packs bier aan het zicht van het winkelpersoneel te onttrekken.

De verklaring van de verdachte op zitting dat hij de sixpacks in zijn rugzak deed na instructie van de [naam] schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat zijn handeling een ongeluk was omdat hij een beetje dronken was. Daarna heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de blikjes niet bewust in de rugzak had gedaan. Ter terechtzitting verklaarde de verdachte dat hij niet dronken was die dag maar de blikjes in de rugzak moest doen van [naam] en dat hij door hem werd opgejaagd. Deze laatste verklaring wordt weersproken door de uitgewerkte camerabeelden, waaruit blijkt dat de verdachte en [naam] geen zicht hadden op elkaar terwijl de verdachte de blikjes in de rugzak deed. De verklaringen van de verdachte zijn inconsistent en worden niet ondersteund door de bewijsmiddelen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening aanwezig en komt zij tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal.

De rechtbank ziet onvoldoende bewijs om vast te stellen dat de diefstal in vereniging is gepleegd. De rechtbank zal de verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 19 januari 2026 te 's-Gravenhage

twee sixpacks bier die

aan Albert Heijn, toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich

wederrechtelijk toe te eigenen;

2

hij op 19 januari 2026 te 's-Gravenhage

in het besloten lokaal aan de [adres 2] bij de Albert Heijn

in gebruik

wederrechtelijk is binnengedrongen

immers was hem, verdachte, met ingang van 8 oktober 2025 schriftelijk de

toegang tot die Albert Heijn ontzegd voor de duur van 12 maanden.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het*de feit*en uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte voorwaardelijk de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar zal worden opgelegd, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd zou moeten krijgen, omdat ook zou kunnen worden volstaan met een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van goederen in een supermarkt waarvoor voor hem een winkelverbod gold. Winkeldiefstal is een vervelend feit, dat overlast geeft en voor winkeliers schade veroorzaakt. Te meer nu deze diefstal is gepleegd in een winkel waarvoor de verdachte een winkelverbod had.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 maart 2026. Dit strafblad weerspiegelt dat verdachte een veelpleger is van misdrijven, waaronder diefstallen. Verdachte voldoet aan de kwantitatieve eisen voor het opleggen van een ISD-maatregel zoals deze volgen uit artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Verder voldoet de verdachte aan de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 maart 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op vrijwel alle leefgebieden van de verdachte. De verdachte is meerdere keren onder toezicht geweest bij de reclassering, geen van deze trajecten is positief geëindigd. Er is volgens de reclassering sprake van een delictpatroon, die in relatie staat tot de verslavingsproblematiek van de verdachte. De verdachte dient voor die verslavingsproblematiek langdurig klinisch te worden behandeld en daarna te worden ondersteund in de beheersing van zijn middelengebruik en het vinden van dagbesteding. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog.

Reclassering adviseert voorwaardelijke ISD-maatregel

De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, met de volgende voorwaarden:

• Meldplicht bij reclassering

• Opneming in een zorginstelling

• Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

• Dagbesteding

• Beheersing middelengebruik

• Praktische ondersteuning en begeleiding bij het wonen.

Aan voorwaarden voor oplegging ISD-maatregel is voldaan

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan alle voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dat is een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het ten laste gelegde feit meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan nadat die eerdere veroordelingen ten uitvoer zijn gelegd en er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De verdachte valt voorts onder de definitie van stelselmatige dader, zoals bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie. Uit zijn strafblad blijkt immers dat tegen de verdachte in de afgelopen vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten zijn opgemaakt, waarvan

ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf.

Reactie van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gemotiveerd is om zich te laten opnemen en zich zal houden aan de voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering.

Maatregel

De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw misdrijven, zoals winkeldiefstallen, zal plegen. De verdachte veroorzaakt steeds weer overlast en schade, waardoor de veiligheid van goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist. De ISD-maatregel strekt niet alleen tot beveiliging van de maatschappij, maar kan ook een bijdrage leveren aan het oplossen van de problemen van de verdachte en om herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel te voorkomen. Gelet op de meerdere trajecten met de reclassering die met de verdachte (negatief) zijn doorlopen, ziet de rechtbank geen reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive.

Conform het advies van de reclassering en de eis van het openbaar ministerie zal de rechtbank bepalen dat de ISD-maatregel voorwaardelijk wordt opgelegd en dus niet ten uitvoer wordt gelegd als de verdachte zich houdt aan de algemene en bijzondere voorwaarden die hieronder zullen worden opgelegd.

Vooral ter optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, is het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren. Daarnaast zal de rechtbank om dezelfde redenen bepalen dat de voorwaarden die aan de voorwaardelijke ISD-maatregel worden verbonden, gelden gedurende een proeftijd van twee jaren.

Hoewel de reclassering de rechtbank heeft geadviseerd de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, zal de rechtbank daartoe niet overgaan. Een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid kan alleen worden gegeven indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Omdat niet aan deze wettelijke vereiste is voldaan, zal de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid niet bevelen.

7. De toepasselijke wetsartikelen

8. De beslissing

De op te maatregel is gegrond op de artikelen:

- 38 m, 38n, 38p, 57, 63, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal;

ten aanzien van feit 2:

in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

legt de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

bepaalt dat die maatregel niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich gedurende de proeftijd meldt bij de GGZ Reclassering Fivoor [adres 3] op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

2. zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars dat in overleg met de reclassering nodig achten, laat opnemen in en behandelen door een nader door de reclassering te bepalen instelling. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling, die op de psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiesbeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematie, woonoverlast en/of andere problematiek van de veroordeelde is gericht. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling van begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. zich - indien dat tijdens de proeftijd noodzakelijk is - laat behandelen voor zijn psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiesbeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;

4. zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

5. zich verplicht mee te werken aan controle van het gebruik van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) van de Opiumwet. om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel de veroordeelde wordt gecontroleerd;

6. meewerkt aan de begeleiding door een nader te bepalen organisatie die gericht is op de begeleiding van de veroordeelde bij het wonen;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

7. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

8. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.W. Duijnstee, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. I. Jadib, rechter,

in tegenwoordigheid van B.J. van der Sterre, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.W. Duijnstee
  • mr. C.W. de Wit
  • mr. I. Jadib

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?