ECLI:NL:RBDHA:2026:9966

ECLI:NL:RBDHA:2026:9966

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer NL24.21479
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel Congo, beroep ongegrond, iMMO-rapport, geloofwaardigheid problemen en gevangenschap met inlichtingendienst, proceskostenvergoeding iMMO-rapport

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.21479

(gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop),

en

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 mei 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Op 13 juli 2024 heeft eiser verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, omdat het iMMO heeft besloten medisch onderzoek te verrichten bij eiser. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.

Op 30 januari 2025 heeft eiser het rapport van het iMMO over hem overgelegd.

De minister heeft op 8 april 2025 met een verweerschrift op het iMMO-rapport gereageerd.

Eiser heeft op 24 juni 2025 een reactie gegeven op het verweerschrift.

De minister heeft op 3 juli 2025 een nader verweerschrift ingebracht.

De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E.J. Nyembo Katumbwe als tolk en de gemachtigde van de minister. Voor eiser waren verder aanwezig: [persoon1] en [persoon2] (beiden verbonden aan het iMMO) en mr. [persoon3] (voorzitter van de Commissie Strategisch Procederen van stichting VluchtelingenWerk).

Beoordeling door de rechtbank

Asielmotief 2: Door de inlichtingendienst in verband worden gebracht met het smokkelen van Rwandezen

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser wordt door de inlichtingendienst beschuldigd van betrokkenheid bij het smokkelen van Rwandezen, omdat zijn [persoon4] daar ook van wordt beschuldigd. Tijdens een manifestatie in 2020 is de broer van eiser omgekomen wegens ernstige mishandeling door beschuldigingen over het helpen bij het smokkelen van Rwandezen. In 2021 is eiser opgepakt en mishandeld door de inlichtingendienst omdat zij zijn neef [persoon4] zochten. Eiser vreest dat de inlichtingendienst in de Democratische Republiek Congo hem zal vermoorden bij terugkeer.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Door de inlichtingendienst in verband worden gebracht met het smokkelen van Rwandezen;

3. Gevangenschap door de inlichtingendienst.

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig is, maar dat de overige asielmotieven niet geloofwaardig zijn. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen.

Had de minister een FMO moeten instellen voor eiser, voorafgaand aan het horen?

5. Eiser voert aan dat de minister een Forensisch Medisch Onderzoek (FMO) had moeten instellen vóór het nader gehoor. Eiser wijst erop dat 13 dagen voor het nader gehoor de diagnose post-traumatische stress stoornis (PTSS) is gesteld en dat het MediFirst advies van 28 maart 2024 signaleert dat eiser hoofdpijn heeft en slaapproblemen, waardoor hij last heeft van vermoeidheid. Ook bestaat er een verhoogd risico op zelf aangebracht en levensbedreigend letsel.

6. De rechtbank overweegt dat de minister een medisch onderzoek dient te regelen, indien de beslissingsautoriteit dit voor de beoordeling van het asielverzoek relevant acht. De minister heeft bij het bepalen of een medisch onderzoek relevant is beoordelingsruimte. De rechtbank verwijst hiervoor naar het juridisch kader in de bijlage, toegevoegd aan het einde van de uitspraak.

7. In de correcties en aanvullingen van het aanmeldgehoor, ingestuurd op 2 mei 2024, heeft eiser aangegeven dat hij veel psychische problemen heeft, dat hij last heeft van slapeloosheid en herbelevingen. Ook heeft hij een gebrek aan concentratie. Tijdens het nader gehoor heeft eiser onder andere verklaard dat hij last heeft van nachtmerries en herbelevingen. In het nader gehoor verklaart eiser dat zijn herbelevingen betrekking hebben op zijn mishandeling.

8. De rechtbank overweegt als volgt. Voorafgaand aan het nader gehoor heeft eiser een medisch onderzoek gehad van MediFirst. Hierin komen psychische klachten naar voren, dat eiser hoofdpijn heeft en slaapproblemen, waardoor hij last heeft van vermoeidheid. Medifirst adviseert om eiser een pauze aan te bieden als hij aangeeft dat hij vermoeid is of als dit wordt gesignaleerd. Ook heeft eiser aangegeven niet meer verder te willen leven bij een negatief besluit en bestaat er een verhoogd risico op zelf aangebracht en levensbedreigend letsel. Medifirst concludeert dat eiser ondanks deze klachten kan worden gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op basis van deze informatie kunnen oordelen dat een nader medisch onderzoek voorafgaand aan het nader gehoor niet relevant was.

9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig vindt dat hij door de inlichtingendienst in verband worden gebracht met het smokkelen van Rwandezen. Hij heeft – kort gezegd – verklaard dat zijn neef [persoon4] wordt beschuldigd van het smokkelen van Rwandezen en daarom wordt gezocht door de inlichtingendienst. Eiser wordt met [persoon4] in verband gebracht door de inlichtingendienst, omdat [persoon4] regelmatig bij de familie van eiser op bezoek kwam en omdat eiser bij het gebouw van Interpol, waar [persoon4] woonde, reparaties uitvoerde aan airco’s en koelkasten of vrieskisten. Eiser is in december 2021 opgepakt door de inlichtingendienst omdat ze [persoon4] zochten. Omdat eiser niet de verblijfplaats van [persoon4] heeft gedeeld met de inlichtingendienst, wordt eiser zelf ook beschuldigd door de inlichtingendienst van het smokkelen van Rwandezen. Van [persoon4] wordt gedacht dat hij Rwandees is. Eiser ziet, anders dan de minister, niet in dat er door de inlichtingendienst onderzoek gedaan zou moeten zijn naar of [persoon4] Congolees zou zijn of Rwandees, aangezien dat er voor 2011 niet toe deed en hij niet vanwege zijn nationaliteit maar vanwege zijn betrokkenheid bij de RCD-Goma werd geïntegreerd in het leger.

10. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig vindt dat eiser door de inlichtingendienst in verband wordt gebracht met het smokkelen van Rwandezen. De minister stelt zich op het standpunt dat het tijdsverloop opmerkelijk is. Het past weliswaar in het tijdsbeeld dat [persoon4] in 2011 is beschuldigd, maar er daarna politieke rust was tot 2018. Het is de minister echter onduidelijk waarom eiser van 2018 tot 2021 geen problemen heeft ondervonden. Hier heeft eiser geen concrete verklaring over gegeven. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat [persoon4] werd gezocht door de inlichtingendienst. De minister stelt verder dat niet geloofwaardig is dat de inlichtingendienst niet wist dat [persoon4] Congolees was in plaats van Rwandees, terwijl [persoon4] van 2004 tot 2018 voor de inlichtingendienst heeft gewerkt. Het zou aannemelijk zijn dat de achtergrond van [persoon4] wordt gecontroleerd. De rechtbank kan de minister in het voorgaande volgen. Eiser heeft met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat hij zelf door de inlichtingendienst verdacht wordt van smokkelen van Rwandezen. Het verband tussen eiser en de inlichtingendienst heeft de minister daarom onvoldoende mogen vinden.

Asielmotief 3: Gevangenschap door de inlichtingendienst

11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig vindt dat hij door de inlichtingendienst in gevangenschap is genomen en is mishandeld. Gelet op de locatie waar de mishandelingen hebben plaatsgevonden ( [locatie] ) en de concrete verklaring van eiser over dat hij is ondervraagd door een officier met een tekening van een leeuw op de schouders van de officier, is voldoende aannemelijk dat eiser is vastgehouden en mishandeld door de inlichtingendienst. De vragen van de minister over de (grootte van de) cel zijn voor eiser tijdens het gehoor niet eenvoudig te beantwoorden geweest, omdat dit hem doet terug denken aan een traumatische periode. Eiser kon in de correcties en aanvullingen meer informatie geven, omdat hij in het gesprek met zijn gemachtigde minder stress ervaart.

12. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in dit kader onder andere het volgende over verklaard:

“Waren deze personen te herkennen als lid van de inlichtingendienst?

Ik ben gebracht naar een militair [locatie] . De manier dat ik werd ondervraagd, daaruit kan ik concluderen dat zij lid zijn van de inlichtingendienst. [persoon4] , mijn neef, ze stelde specifieke vragen over hem.”

(…)

“Aan de hand van de ondervraging wist u dat het om de inlichtingendienst ging.

Hoe bedoelt u dit precies?

Op het moment dat ik naar het militaire [locatie] werd gebracht. Als het geen mensen van de inlichtingendienst zouden zijn zou ik daar niet naartoe gebracht worden.”

(…)

“U had gezegd dat u ondervraagd was door de officier. Hoe wist u dat dit de officier was?

Door de rang op de schouder, dan kan je zien welke positie deze persoon heeft.

Kunt u vertellen wat er precies op de schouder stond?

Een tekening van een leeuw.”

13. Niet in geschil is dat veiligheidsdiensten aanwezig zijn op [locatie] . Verder acht de minister geloofwaardig dat eiser is mishandeld. De rechtbank kan de minister echter volgen in zijn standpunt dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is mishandeld door leden van een inlichtingendienst. De minister heeft de verklaringen van eiser over de inlichtingendienst als actor vaag en onvoldoende concreet mogen vinden. Daarbij is ook van belang dat de verklaringen van eiser over waarom de inlichtingendienst hem verdenken van betrokkenheid bij het smokkelen van Rwandezen niet goed navolgbaar zijn, zoals hiervoor is overwogen. Ook ten aanzien van de verklaringen van eiser over de cel, overweegt de rechtbank dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hieruit niet volgt dat hij door de inlichtingendienst gevangen werd gehouden. Eiser heeft hiervoor geen concrete aanwijzingen kunnen aandragen. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig vindt dat eiser door de inlichtingendienst in gevangenschap is genomen. De minister heeft hierbij verder in aanmerking mogen nemen dat de verklaringen van eiser over dat hij is bevrijd door een commandant die zijn neef [persoon4] kende, vaag zijn en zijn gebaseerd op aannames, en dat eiser vervolgens na zijn vrijlating zonder problemen een paspoort kon aanvragen en kon uitreizen. Dat eiser hierbij niet op problemen is gestuit terwijl hij door de inlichtingendienst werd gezocht, heeft de minister opmerkelijk kunnen vinden. De beroepsgrond slaagt niet.

Dood van de broer van eiser als asielmotief

14. Eiser voert aan dat de dood van zijn broer moet worden betrokken bij de beoordeling van zijn asielrelaas. De dood van zijn broer was het gevolg van het feit dat zijn familie ervan werd verdacht Rwandezen te steunen. De minister heeft ook niet aangegeven of dit geloofwaardig wordt geacht.

15. De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat geloofwaardig is dat de broer van eiser is overleden bij een geweldsincident tijdens rellen in [plaats] . Dit is niet betrokken bij de beoordeling van het asielrelaas, omdat dit geen directe aanleiding was voor eiser om te vluchten en omdat dit niet door de inlichtingendienst is gebeurd. De rechtbank kan de minister hierin volgen. De dood van zijn broer mocht daarom los worden gezien van het asielrelaas van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister een plicht om na het nader gehoor een FMO uit te (laten) voeren?

16. Eiser voert aan dat de minister ook na het nader gehoor nog een FMO had moeten (laten) uitvoeren, omdat de uitkomst hiervan een relevante bijdrage kan leveren aan de beoordeling van het asielrelaas van eiser. Met een FMO kan het verband worden onderzocht tussen de fysieke (met name de littekens) en psychische klachten van eiser en zijn asielrelaas. Al in zijn zienswijze heeft eiser aangegeven dat, omdat de mishandeling van eiser geloofwaardig wordt geacht, een FMO had moeten worden ingesteld. De minister had voor het nemen van het bestreden besluit moeten onderzoeken in hoeverre zijn klachten invloed hebben op het vermogen van eiser om een compleet, coherent en consistent relaas te doen in het kader van de asielaanvraag. Daarnaast kan de uitkomst van het onderzoek als medisch steunbewijs dienen voor de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Eiser verwijst in dit kader naar de notitie van Commissie Strategisch Procederen van VluchtelingenWerk Nederland (VWN), ‘Forensisch medisch onderzoek in Europees recht’ van 26 januari 2025.

17. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat een FMO niet relevant is voor de beoordeling van de asielaanvraag van eiser, omdat de uitslag hiervan niet van doorslaggevend belang kan zijn. Zoals hiervoor is geoordeeld onder 10 en 13, heeft de minister de verklaringen van eiser ten aanzien van de inlichtingendienst als actor vaag en onvoldoende concreet mogen vinden. Niet in geschil is dat eiser mishandeld is, maar eiser heeft met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat hij is mishandeld door leden van een inlichtingendienst. Een FMO naar de littekens van eiser levert geen uitsluitsel op over de precieze context, toedracht en actor van de mishandelingen. Een FMO zou zodoende niet kunnen afdoen aan het oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inlichtingendienst achter de mishandeling zit. Om deze reden ziet de rechtbank, anders dan eiser heeft betoogd, geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Het iMMO-rapport

18. Eiser stelt zich op het standpunt dat het iMMO-rapport gezien kan worden als medisch steunbewijs van zijn asielrelaas. De minister heeft de inzichtelijkheid en zorgvuldigheid van het iMMO-rapport volgens eisers ten onrechte betwist. Volgens eiser is het iMMO-rapport een op eiser toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Ook volgt hieruit duidelijk dat eiser mishandeld en/of gemarteld is, wat een sterk steunbewijs is. Subsidiair voert eiser aan dat de inhoud van het iMMO-rapport, dat is opgemaakt op verzoek van eiser na het bestreden besluit, voor de minister aanleiding had moeten zijn om alsnog een FMO in te stellen. Uit het iMMO-rapport volgt namelijk dat zowel lichamelijke als psychische problematiek wordt beoordeeld als ‘typerend’ voor het ondergane geweld. De minister had daarom op zijn minst een FMO moeten instellen om deze conclusies te weerleggen.

Inhoud van het iMMO-rapport

19. Het iMMO-rapport van 23 december 2024 is opgedeeld in twee onderdelen. In het A-onderdeel wordt geconcludeerd dat de medische problematiek van eiser wordt beoordeeld als typerend voor het door eiser gestelde ondergane geweld. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de lichamelijke problematiek (A1) en de psychische problematiek (A2). Ten aanzien van de lichamelijke problematiek worden 11 littekens/huidveranderingen/groepen toegeschreven aan het geweldsrelaas van eiser. Door het iMMO zijn de littekens beoordeeld volgens het Istanbul Protocol, zeven als typerend, twee als zeer consistent en twee als consistent met het geweldsrelaas. Ten aanzien van de psychische problematiek wordt deze door het iMMO volgens het Istanbul Protocol beoordeeld als typerend met het gestelde geweldsrelaas. Eiser heeft specifieke triggers voor herbelevingen door knallen rondom de feestdagen, het zien of horen van nieuws over de Democratische Republiek Congo, een groep donkere mensen, het zien van het litteken op zijn been, het zien van bloed en de geur van ontlasting en urine. In het B-onderdeel van het iMMO-rapport wordt geconcludeerd dat de geconstateerde medische problematiek ten tijde van de gehoren zeker heeft geïnterfereerd met eisers vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren.

B-onderdeel van het iMMO-rapport

20. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voorbij mogen gaan aan de conclusies uit het B-onderdeel in het iMMO-rapport en daarom bij de beoordeling van het asielrelaas mogen uitgaan van wat eiser tijdens de gehoren heeft verklaard. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 waarin, mede op basis van de bevindingen van een onafhankelijke deskundige, is geoordeeld dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in het rapport onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie is gebaseerd op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren.

21. De rechtbank is van oordeel dat in de zaak van eiser een vergelijkbare situatie aan de orde is als in voornoemde uitspraak van de Afdeling. Hoewel het rapport de medische klachten van eiser vermeldt, wordt hierin niet inzichtelijk gemaakt waarom en in hoeverre deze klachten zouden hebben geleid tot een interferentie met eisers vermogen om compleet, coherent en consistent over zijn asielrelaas te verklaren. Hierdoor is met het iMMO-rapport niet onderbouwd dat de bij eiser geconstateerde medische problematiek heeft geïnterfereerd met zijn vermogen om te verklaren. Uit de ter zitting gegeven toelichting blijkt dat het iMMO het niet goed mogelijk en daarom onwenselijk acht om onderzoek te doen naar geheugenstoornissen, (onder andere) omdat zij vreemdelingen pas na afloop van de gehoren onderzoeken. Het is achteraf niet goed te beoordelen op welke manier de klachten invloed hebben gehad op het vermogen van eiser om goed te verklaren. Het B-onderdeel is volgens het iMMO vooral bedoeld als signalering aan de minister om bij de besluitvorming rekening te houden met de klachten van eiser. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister op basis van het B-onderdeel van het iMMO-rapport niet tot een andere conclusie had hoeven komen.

A-onderdeel van het iMMO-rapport

22. Ten aanzien van het A-onderdeel overweegt de rechtbank als volgt. In de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 is overwogen dat het aan de minister is om, als een medisch rapport, zoals een iMMO-rapport, een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst het letsel heeft veroorzaakt, de twijfel over de oorzaak van het letsel weg te nemen, wanneer de minister die gestelde onmenselijke behandeling desondanks niet aannemelijk acht. Dit kan verplichten tot nader medisch onderzoek. Bij de vraag of deze verplichting ontstaat, zijn verschillende factoren van belang. Zo moet worden beoordeeld of de vreemdeling bevreemdingwekkend, vaag of tegenstrijdig heeft verklaard over het deel van het asielrelaas dat hij met het iMMO-rapport heeft willen staven. Daarnaast moet de minister nagaan in hoeverre dat deel van het asielrelaas past in betrouwbare algemene informatie over het land van herkomst en hoe sterk de kwalificatie in het iMMO-rapport is.

23. Niet in geschil is dat het asielrelaas van eiser op zich past binnen de algemene landeninformatie. De rechtbank heeft hiervoor echter overwogen dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fysieke letsel en de psychische problematiek is toe te schrijven aan de inlichtingendienst. Hoewel met het iMMO-rapport is onderbouwd dat eiser is mishandeld en/of gemarteld en dat zijn fysieke letsel en de psychische problematiek typerend zijn voor zijn geweldsrelaas, is hiermee niet onderbouwd dat dit het gevolg is van het handelen door de inlichtingendienst. Het iMMO-rapport zegt niets over de actor van het geweld en sluit het bestaan van andere mogelijke oorzaken niet uit. Gelet hierop heeft de minister zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het iMMO-rapport geen afbreuk doet aan zijn standpunt dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Ook een FMO zou hierover geen uitsluitsel kunnen bieden. Het betoog dat de minister een FMO had moeten instellen naar het verband tussen de medische klachten van eiser en de door hem gestelde oorzaak daarvan, slaagt zodoende niet.

Risico bij terugkeer

24. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar de Democratische Republiek Congo een reëel risico op ernstige schade loopt. Daarbij meent eiser dat door de minister ook is miskend dat er op 19 mei 2024 een nieuwe poging tot staatsgreep heeft plaatsgevonden in [plaats] . Ook ten aanzien van deze staatsgreep wordt Rwanda door sommigen gezien als brein achter de aanval. Eiser meent dat hij als vermeend Rwandees ook bij terugkeer in de negatieve aandacht zal komen te staan. Eiser vreest bij terugkeer gearresteerd te worden vanwege vermeende betrokkenheid bij couppogingen. Ook wijst eiser op de recente ontwikkelingen in Oost-Congo. Rebellengroep M23 heeft sinds eind januari een groot deel van Noord-Kivu en delen van Zuid-Kivu in het oosten van de Democratische Republiek Congo onder controle gekregen. Omdat de minister de recente ontwikkelingen niet heeft betrokken, is de besluitvorming onzorgvuldig.

25. De rechtbank is van oordeel dat, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hij door de inlichtingendienst wordt gezocht, ook niet aannemelijk is dat hij om deze reden bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft verder kunnen concluderen dat het feit dat eiser uit de Democratische Republiek Congo komt, op zichzelf niet genoeg is om een risico op ernstige schade aan te nemen. Op dit moment geldt voor de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Daarbij kan de hoofdstad [plaats] als binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen. Eiser is afkomstig uit [plaats] en dient terug te keren naar [plaats] . De algemene omstandigheden in [plaats] geven geen aanleiding om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De beroepsgrond slaagt niet.

Traumatabeleid

26. Eiser voert aan dat hij niet kan terugkeren naar de Democratische Republiek Congo, vanwege zijn traumatische ervaringen. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat dit moet worden gezien als een beroep is op het traumatabeleid.

27. Het traumatabeleid is neergelegd in paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Op grond van dit beleid wordt een vreemdeling die in het verleden is geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen in zijn directe omgeving en zich op grond van de psychologische problematiek als gevolg van de wandaden in een positie bevindt dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst, in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw De handelingen moeten zijn verricht van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden.

28. De rechtbank overweegt dat eiser voor het eerst ter zitting een (expliciet) beroep op het traumatabeleid heeft gedaan. Eiser heeft zijn beroep op het traumatabeleid enkel gemotiveerd met verwijzing naar zijn traumatische ervaringen. Uit wat eerder is overwogen, volgt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fysieke letsel en de psychische problematiek is toe te schrijven aan handelingen die zijn verricht van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen. De beroepsgrond slaagt daarom al niet.

Vergoeding van de kosten van het iMMO-rapport

29. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen tot vergoeding van de kosten van het iMMO-onderzoek van 7 november 2024. Het betreft een bedrag van € 7.865,-. Ter onderbouwing van deze kosten heeft eiser een factuur van het iMMO van 10 december 2024 overgelegd.

30. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Het inroepen van het iMMO als deskundige was naar de mening van de rechtbank op zichzelf redelijk, nu eiser psychische klachten had die hij koppelde aan zijn relaas en aan zijn vermogen om coherent en consistent te verklaren. Daarom heeft de rechtbank de behandeling ter zitting aangehouden in afwachting van het iMMO-rapport. De kosten voor het inschakelen van iMMO komen dan ook in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Het iMMO berekent de kostenvergoeding conform het besluit tarieven deskundigenberichten in het strafrecht (BTIS), welke niet kostendekkend is. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de in rekening gebrachte kostenvergoeding niet redelijk is. De rechtbank wijst het verzoek daarom toe.

Conclusie en gevolgen

31. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen asiel krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Wel moet de minister de kosten van eiser voor het laten opstellen van het iMMO-rapport vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de minister tot vergoeding van de kosten van betrokkene voor het iMMO-rapport tot een bedrag van € 7.865,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. de Vries, voorzitter, en mr. M.E.A. Braeken en

mr. G. Schnitzler, leden, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage:

Procedurerichtlijn, richtlijn 2013/32

Artikel 18, eerste lid:

Wanneer de beslissingsautoriteit dit voor de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2011/95/EU relevant acht, en mits de verzoeker daarmee instemt, regelen de lidstaten een medisch onderzoek van de verzoeker betreffende aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten erin voorzien dat de verzoeker dat medisch onderzoek regelt.

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.109e, eerste lid:

Indien Onze Minister het voor de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevant acht, biedt hij ook een medisch onderzoek aan naar aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade. Dit onderzoek wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars. De vreemdeling wordt ervan in kennis gesteld dat hij op eigen initiatief en kosten een dergelijk onderzoek kan regelen.

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire:

Als de IND het voor de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel relevant vindt, wordt aan de vreemdeling een forensisch medisch onderzoek aangeboden naar aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade. Indien de IND het onderzoek niet relevant vindt, kan de vreemdeling op eigen initiatief en kosten een forensisch medisch onderzoek regelen.

Bij het bepalen of een forensisch medisch onderzoek relevant is, betrekt de IND de volgende omstandigheden:

Werkinstructie 2016/4 ‘Forensisch medisch onderzoek naar steunbewijs’ is verder van toepassing.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?