[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker heeft op 31 juli 2023 een aanvraag gedaan voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
De minister heeft met het besluit van 27 november 2023 de aanvraag van verzoeker afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 december 2025 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en hij heeft verzocht om een voorlopige voorziening.
Op 18 februari 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn opvolgende asielaanvraag ongegrond verklaard.
Op 5 maart 2026 heeft eiser een brief ontvangen van het COA waarin staat dat hij per 11 maart 2026 de opvang dient te verlaten. Op 8 maart 2026 heeft verzoeker het hiervoor in 1.1. genoemde verzoek om een voorlopige voorziening aangevuld en verzocht om dit verzoek om een voorlopige voorziening met voorrang te behandelen.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Vrijstelling van het griffierecht
3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd hem vrijstelling te verlenen van het griffierecht. De voorzieningenrechter beslist dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over voldoende inkomen of vermogen beschikt om het griffierecht te betalen. Daarom hoeft verzoeker geen griffierecht te betalen.
Ten aanzien van het verzoek
4. Op grond van artikel 8:81 van de Awb (Algemene wet bestuursrecht) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij het beroep tegen de afwijzing van de in 1. genoemde aanvraag in Nederland mag afwachten en gedurende de behandeling van zijn beroep het recht op de verstrekkingen op grond van de Rva behoudt. Hiermee bedoelt verzoeker onder andere dat zijn verblijf in de opvang wordt voortgezet. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoek daarom zo, dat verzoeker tijdens de behandeling van het beroep wenst te worden behandeld als ware artikel 64 van de Vw op hem van toepassing is. In dat geval bestaat recht op opvang en verstrekkingen op grond van de Rva.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening. Verzoeker heeft immers op 5 maart 2026 een brief ontvangen van het COA waarin staat dat zijn Rva-verstrekkingen per 11 maart 2026 beëindigd zullen worden en hij de opvanglocatie van het COA dient te verlaten.
Belangenafweging
7. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of er in dit geval aanleiding is een voorlopige voorziening te treffen. Hierbij kan zowel het voorlopige oordeel over de rechtmatigheid van het besluit, in dit geval de afwijzing van zijn aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw, van belang zijn, als de betrokken belangen van partijen. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om alleen een belangenafweging maken. Partijen brengen, samengevat, de volgende belangen naar voren.
8. Verzoeker verwijst naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 5 december 2025, waarin is bepaald dat verzoeker zijn voorzieningen behoudt totdat is beslist op het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn vijfde asielaanvraag. Verzoeker voert aan dat de medische situatie zoals is beschreven in voornoemde uitspraak nog steeds actueel is en dat daarom ook onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De minister stelt zich op het standpunt dat verzoeker geen recente (medische) informatie heeft overgelegd waaruit zou blijken dat hij zich niet zou kunnen handhaven. Ook wijst de minister erop dat verzoeker heeft aangegeven dat hij bij een vriend onderdak zou kunnen krijgen. Daarnaast heeft de minister er belang bij dat de opvang wordt beëindigd. Verzoeker voldoet al jaren niet aan het terugkeerbesluit van 23 september 2016 waardoor er volgens de minister geen legitieme reden is om alsnog aan verzoeker opvang te verstrekken. Daarbij komt dat er schaarste is aan opvangplekken.
9. De voorzieningenrechter ziet in de medische situatie van verzoeker reden om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter de brieven van zijn behandelend psycholoog van PsyValens van 3 november 2025 en 26 november alsook het BMA-rapport van 19 november 2025. Uit de brief van PsyValens van 26 november 2025 volgt dat de beëindiging van de opvang op 8 december 2025 een direct gevaar voor verzoekers gezondheid vormt, dat dakloosheid medisch onverantwoord is en onvermijdelijk zal leiden tot ernstige ontregeling en gevaar voor zijn eigen veiligheid. Hierbij wijst de behandelaar erop dat het verlies van stabiele huisvesting een acuut risico op verergering van traumaklachten oplevert evenals een forse belemmering in medicatie-inname, een hoog risico op crisisgedrag en suïcidaliteit en een reële bedreiging voor het volledig wegvallen van zorg en monitoring. Deze klachten komen voort uit ernstige PTSS (posttraumatische stressstoornis), depressie en ASS (autismespectrumstoornis). De risico’s die gepaard gaan met het beëindigen van de opvang zijn destijds ingeschat als ernstig. Hoewel er enige tijd is verstreken sinds deze brief, heeft de voorzieningenrechter gezien de aard van de psychische klachten geen aanleiding om aan te nemen dat deze risico’s zijn verminderd. Terzake het standpunt van de minister dat verzoeker heeft medegedeeld dat hij bij een vriend onderdak zou kunnen krijgen wijst de voorzieningenrechter eveneens op voornoemde brief van PsyValens van 26 november 2025 inhoudende dat verlies van een stabiele huisvesting risicovol kan zijn. Het belang van verzoeker bij het behoud van zijn voorzieningen is daarom groot.
10. Het belang van de minister voor afwijzing van het verzoek om de voorlopige voorziening acht de voorzieningenrechter niet zeer ingrijpend. De gevraagde voorlopige voorziening houdt in dat de minister wordt bevolen er op toe te zien dat verzoeker zijn recht op voorzieningen gedurende de beroepsfase behoudt en dat hij niet uit de opvanglocatie wordt gezet. Dit komt in feite slechts neer op het in stand laten van de huidige situatie bij wijze van ordemaatregel, zonder dat wordt vooruitgelopen op de uitkomst van de beroepsfase. Verder zal de behandeling van het beroep niet lang op zich laten wachten (naar verwachting mei 2026) en is er geen reden om niet aan te nemen dat er daarna snel uitspraak zal worden gedaan.
11. Onder deze omstandigheden kent de voorzieningenrechter aan het belang van verzoeker bij voorzieningen doorslaggevend gewicht toe.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker moet worden behandeld alsof hij zich feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw totdat op het beroep is beslist. Dit betekent dat hij recht heeft op opvang en verstrekkingen tot op het beroep is beslist. Indien het beroep wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
13. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
14. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
bepaalt dat verzoeker moet worden behandeld alsof hij zich feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw totdat op het beroep is beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026 door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.