ECLI:NL:RBDHA:2026:9968

ECLI:NL:RBDHA:2026:9968

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer NL24.46215
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Opvolgende asielaanvraag, 1F, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.46215

(gemachtigde: mr. D. Aygur),

en

(gemachtigde: mr. W.J. Poot).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 en 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Ook heeft de minister het afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) aan eiser kunnen ontzeggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 24 april 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Shehabi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is er gebeurd?

3. Eiser heeft in 2013 asiel gevraagd. Zijn asielaanvraag is bij besluit van 17 juli 2014 afgewezen vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (Vv), omdat volgens de minister zeer aannemelijk is dat eiser en zijn collega’s door de Syrische autoriteiten zijn ingezet om demonstraties neer te slaan en arrestaties van demonstranten en daaropvolgende mensenrechtenschendingen te faciliteren. Eisers beroep hiertegen is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 januari 2015 deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard. In de uitspraak van 8 januari 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vv. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het hoger beroep van eiser bij uitspraak van 20 mei 2015 kennelijk ongegrond verklaard. Het besluit van 17 juli 2014 staat dus in rechte vast. Naar eigen zeggen is eiser vervolgens omstreeks september-oktober 2015 naar Duitsland vertrokken en is hij eind 2016 weer naar Nederland gekomen. Sindsdien heeft eiser in Nederland verbleven. Op 24 april 2024 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag gedaan. Deze aanvraag is niet-ontvankelijk verklaard en daartegen richt zich het beroep van eiser.

Het bestreden besluit

4. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van een opvolgende aanvraag. Verder heeft de minister getoetst of eiser verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU, als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez, als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. De minister heeft vastgesteld dat eiser voldoet aan de gestelde voorwaarden voor verblijf op grond van artikel 20 van het VWEU, maar de minister heeft eiser het verblijfsrecht ontzegd omdat hij een gevaar voor de openbare orde is in de zin van het Unierecht. De minister heeft hierbij een belangenafweging gemaakt of de ontzegging van het verblijfsrecht evenredig is, gelet op het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven zoals bedoeld in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De gronden van beroep van 28 november 2024 en de aanvullende gronden van beroep van 12 januari 2026

6. De gemachtigde van eiser heeft op 28 november 2024 schriftelijk beroepsgronden ingediend. Op 12 januari 2026 om 20:22 uur heeft de gemachtigde van eiser aanvullende gronden van beroep ingediend.

De rechtbank heeft op de zitting van 13 januari 2026 – na de standpunten van partijen hierover te hebben gehoord – geoordeeld dat de aanvullende beroepsgronden zoals door de gemachtigde van eiser naar voren zijn gebracht in het document van 12 januari 2026 wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten. De behandeling van de onderhavige zaak op zitting zou in eerste instantie plaatsvinden op 14 oktober 2025, maar is op verzoek van de gemachtigde van eiser op 13 oktober 2025 aangehouden. Partijen zijn op 21 oktober 2025 (nogmaals) geïnformeerd dat nieuwe stukken 10 dagen voor de zitting bij de rechter moeten zijn en dat als de rechtbank op een later tijdstip nog stukken ontvangt, de rechtbank kan beslissen om bij de beoordeling van de zaak geen rekening te houden met die stukken. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom de gemachtigde van eiser de aanvullende gronden van beroep niet al eerder op papier had kunnen zetten en aan de rechtbank had kunnen sturen. Dat de gemachtigde van eiser op de zitting heeft verklaard dat zij twaalf uur met de zaak bezig is geweest en bij het voorbereiden van de zitting aanleiding zag voor aanvullende beroepsgronden, is onvoldoende reden waarom de aanvullende stukken niet eerder konden worden gestuurd. Daarbij komt dat het stuk met de aanvullende gronden van 12 januari 2026 ook een geheel nieuwe beroepsgrond bevat. De gemachtigde van de minister heeft aangegeven dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de aanvullende gronden van beroep. De rechtbank heeft daarom besloten om de aanvullende gronden van beroep van 12 januari 2026 buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Hierna zal de rechtbank daarom enkel de beroepsgronden van 28 november 2024 beoordelen.

Nieuwe feiten en omstandigheden?

7. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag een Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 januari 2024 ten grondslag gelegd, dat is afgegeven door het Syrische Ministerie van Binnenlandse Zaken; Binnenlandse Veiligheidsdienst; Afdeling Strafrecht (hierna: antecedentenverklaring). Eiser voert aan dat hij met de overgelegde antecedentenverklaring zonder aantekeningen heeft aangetoond dat hij in Syrië nooit een strafbaar feit heeft gepleegd en dat tegen hem geen aangifte is gedaan. Hiermee stelt hij te hebben aangetoond dat hij nooit een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv heeft gepleegd. Dit is daarom volgens eiser een relevant nieuw feit of veranderde omstandigheid, waardoor zijn opvolgende asielaanvraag inhoudelijk behandeld dient te worden. Verder voert eiser aan dat er sinds het eerdere besluit uit 2014 veel wijzigingen hebben plaatsgevonden in de toepassing van artikel 1(F) van het Vv. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 7 mei 2024. Ter zitting verwijst eiser verder naar de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2019. In het besluit van 17 juli 2014 is volgens eiser niet onderbouwd dat sprake is van ‘personal participation’. Het enkele lidmaatschap van een organisatie die betrokken is bij mensenrechtenschendingen is hiertoe onvoldoende. De minister mocht daarom niet zomaar uitgaan van de eerdere tegenwerping van 1(F) van het Vv aan eiser. Verder had de minister tijdens het nader gehoor moeten vragen naar de persoonlijke betrokkenheid van eiser bij 1(F)-misdrijven.

8. De rechtbank overweegt als volgt. De tegenwerping van artikel 1(F) van het Vv aan eiser staat met de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015 in rechte vast. De minister heeft kunnen overwegen dat de antecedentenverklaring, waaruit volgt dat eiser in Syrië niet is veroordeeld, niet relevant is voor de beoordeling van het opvolgende asielverzoek van eiser. De minister heeft niet aannemelijk kunnen vinden dat de Syrische autoriteiten eiser strafrechtelijk zouden vervolgen, of zouden hebben vervolgd, vanwege misdrijven waartoe zij hem zelf opdracht hebben gegeven. Daarbij komt dat de antecedentenverklaring slechts laat zien dat eiser niet strafrechtelijk is veroordeeld in Syrië. De inhoud van dit document is daarom niet relevant voor de beoordeling of eiser misdrijven heeft gepleegd in de zin van artikel 1(F) van het Vv.

9. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 7 mei 2024, slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt immers dat een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. De minister heeft bovendien terecht gesteld dat de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, de lijn volgt die het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft uitgezet in het arrest B. en D. van 9 november 2010. Hierin is, kort gezegd, geoordeeld dat enkel het lid zijn van een terroristische organisatie niet automatisch een reden mag zijn om aan te nemen dat iemand individueel verantwoordelijk kan worden gesteld voor een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv. Eiser heeft gelet daarop onvoldoende geconcretiseerd dat de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, gewijzigde inzichten bevat voor wat betreft de toepassing van artikel 1(F) van het Vv. Daarbij komt dat het besluit van 17 juli 2014 niet enkel gebaseerd is op het feit dat eiser deel uitmaakte van een groep arbeiders die werd ingezet bij het neerslaan van demonstraties, maar ook op de rol die eiser zelf bij het neerslaan van demonstraties heeft gehad. De ter zitting door eiser genoemde uitspraak van de Afdeling van 1 november 2019 betreft ook geen nieuwe lijn in de jurisprudentie. Eiser heeft in dit verband gewezen op de overweging van de Afdeling dat aan de bewijsvoering en de motivering van de minister over de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vv strenge eisen worden gesteld. Deze uitspraak verwijst op dit punt echter naar een uitspraak van de Afdeling uit 2017. De uitspraak uit 2017 verwijst weer naar een uitspraak van de Afdeling uit 2015 en de Afdeling verwijst in de uitspraak uit 2015 ten aanzien van haar eigen rechtspraak over de toepassing van artikel 1(F) van het Vv naar uitspraken uit 2003 en 1995. Dit is steeds een vaste jurisprudentielijn. Eiser heeft zijn stelling dat sprake is van een in de rechtspraak gewijzigde lijn ook in dit verband onvoldoende geconcretiseerd. De stelling van eiser dat de minister vanwege de gewijzigde lijn in de jurisprudentie door had moeten vragen naar de personal and knowing participation volgt de rechtbank gelet op het voorgaande evenmin. De rechtbank stelt bovendien vast dat de minister eiser daarover wel heeft bevraagd.

10. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van zijn opvolgende aanvraag. De minister heeft daarom de asielaanvraag kunnen afwijzen als niet-ontvankelijk.

Onderzoek MediFirst en gehoor

11. Eiser voert aan dat de minister hem had moeten laten onderzoeken door MediFirst voorafgaand aan het gehoor. Hij heeft gezondheidsproblemen, diabetes en psychische problemen. Een dergelijk onderzoek had geleid tot een aangepaste gehoorprocedure. Dat dit niet is gebeurd, is onzorgvuldig. Daarnaast heeft de minister te weinig pauzes aan eiser gegeven. Zoals hij in de correcties en aanvullingen heeft aangegeven, duurde het gehoor voor hem te lang en waren er te weinig pauzes. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met eisers situatie.

12. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat een medisch onderzoek geen onderdeel uitmaakt van de procedure van de opvolgende aanvraag, met verwijzing naar artikel 3.118b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) gelezen in samenhang met artikel 3.109 van het Vb. Verder heeft eiser in het gehoor voldoende gelegenheid gehad tot pauzes. Aan het begin van het gehoor heeft eiser vermeld dat het op dat moment goed, stabiel, is met zijn gezondheid. Eiser heeft aangegeven dat met zijn medische klachten rekening kan worden gehouden door vaker pauzes te houden. Aan eiser is vervolgens gevraagd om aan te geven wanneer hij een pauze wil en eiser heeft hier ook gebruik van gemaakt. Uit het gehoor volgt niet dat eiser om pauzes heeft gevraagd die vervolgens zijn geweigerd. Na de pauzes heeft eiser steeds verklaard dat het goed met hem gaat. Aan het einde van het gehoor heeft eiser vermeld dat hij geen opmerkingen heeft over de werkwijze van de gehoorambtenaar of de tolk en heeft hij hen beiden bedankt omdat hij met respect werd behandeld en de sfeer goed was. De rechtbank ziet in de handelwijze van de minister geen reden voor het oordeel dat sprake zou zijn van onzorgvuldigheid dan wel dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van eiser.

Gevaar voor de openbare orde in de zin van het Unierecht

13. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser daadwerkelijk een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, in de zin van het Unierecht. Ook heeft de minister niet gemotiveerd welke houding eiser heeft aangenomen die onverenigbaar is met de fundamentele waarden van de Nederlandse en Europese rechtsorde. De persoonlijke betrokkenheid van eiser bij de vermeende 1(F)- misdrijven heeft de minister niet gemotiveerd.

14. Uit het arrest Rendón Marín van het HvJEU volgt dat als een vreemdeling een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 van het VWEU, dit verblijfsrecht niet onvoorwaardelijk is. Een verblijfsrecht kan worden ontzegd of beëindigd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, als het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. In het arrest K. en H.F. heeft het HvJEU een nadere uitleg gegeven over het bestaan van een bedreiging van de openbare orde in relatie tot de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vv. Het bestaan van een dergelijke bedreiging moet volgens het HvJEU worden vastgesteld op basis van het persoonlijke gedrag van de betrokken persoon. Daarbij moeten de bevoegde instanties, in dit geval de minister, rekening houden met de vaststellingen in het besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus en met de daaraan ten grondslag liggende aspecten, in het bijzonder de aard en de ernst van de aan de betrokkene verweten misdrijven of gedragingen, de mate waarin hij persoonlijk betrokken was bij die misdrijven of gedragingen, het eventuele bestaan van gronden voor uitsluiting van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid en het al dan niet bestaan van een strafrechtelijke veroordeling. Bij die globale beoordeling moet volgens het HvJEU ook in aanmerking worden genomen hoeveel tijd is verstreken sinds het vermoede plegen van de misdrijven of handelingen en hoe de betrokkene zich nadien heeft gedragen. Deze omstandigheden zijn vooral bedoeld om uit te maken of uit dat gedrag blijkt dat de betrokkene nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord.

15. De rechtbank overweegt als volgt. De tegenwerping van artikel 1(F) van het Vv staat in rechte vast, zoals eerder is overwogen onder 8. Ter onderbouwing van het gevaar voor de openbare orde mag de minister hier in zijn motivering naar verwijzen. De minister heeft aan de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vv een zwaar gewicht gehecht. Zoals hiervoor onder 8, 9 en 10 is overwogen, heeft eiser geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat zijn opvolgende asielverzoek inhoudelijk moet worden beoordeeld.

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser (nog) een gevaar voor de openbare orde is in de zin van het Unierecht. In het bestreden besluit stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de tegenwerping van 1(F) van het Vv is gebaseerd op misdrijven van een uitzonderlijke ernst. Gelet op de aard van de misdrijven, gepleegd in de periode van medio 2011 tot medio 2012, komt een marginale betekenis toe aan tijdsverloop. De minister heeft bij zijn beoordeling terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020, waaruit volgt dat in het bijzonder betekenis toe komt aan het gedrag en de houding van de vreemdeling ná het plegen van de 1(F)-misdrijven bij de beoordeling of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet langer een actuele bedreiging is. Een vreemdeling die alleen volhoudt dat hij de 1(F)-misdrijven niet heeft begaan of de ernst van dat wat hem wordt verweten bagatelliseert, zal niet snel aannemelijk kunnen maken dat hij niet langer een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt.

Verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU

17. Eiser voert aan dat het verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU hem ten onrechte is ontzegd. Niet in geschil is dat eiser voldoet aan alle voorwaarden. Zijn gezinsleven wordt voortdurend beperkt doordat hij geen verblijfsrecht heeft. De belangen van zijn kinderen worden volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zwaarwegend geacht in een dergelijke afweging. De minister heeft dit ten onrechte niet zwaarder laten wegen. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraak van het EHRM van 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk v. Zwitserland, waaruit volgt dat de belangen van het kind voorop moeten staan. Daarnaast hanteert de minister volgens eiser een dubbele standaard, doordat aan de ene kant wordt gesteld dat eiser een gevaar is voor de openbare orde, maar eiser aan de andere kant wordt beschermd door artikel 3 van het EVRM en daarom niet wordt uitgezet.

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in zijn belangenafweging mogen betrekken dat eiser verantwoordelijkheid draagt voor misdrijven in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vv. De minister mag daar veel gewicht aan toekennen en het van belang achten dat eiser nog altijd een houding aanneemt die onverenigbaar is met de fundamentele waarden van de Nederlandse en Europese rechtsorde. De binding die eiser heeft met Nederland is ontstaan terwijl hij hier geen rechtmatig verblijf had, dit heeft de minister mogen meewegen in het nadeel van eiser. Bij zijn beoordeling heeft de minister verder kunnen meewegen dat het ontbreken van een verblijfsrecht geen direct gevolg is van het bestreden besluit. Sinds 2015 staat in rechte vast dat eiser geen verblijfsrecht heeft in Nederland. Niet is gebleken van dermate bijzondere, met zijn gezinsleven verband houdende omstandigheden dat eiser verblijfsrecht moet krijgen. Verder heeft de minister ervan uit mogen gaan dat het gezin van eiser op de hoogte was dat zijn verblijf niet gegarandeerd was, omdat hij een besluit heeft gekregen tot afwijzing van zijn asielaanvraag voordat de machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn gezin is afgegeven. Daarbij heeft de minister nog opgemerkt dat eiser (vooralsnog) bij zijn gezin in Nederland kan verblijven, doordat hij niet kan worden uitgezet naar Syrië. De enkele niet onderbouwde stelling dat de huidige onzekerheid omtrent de verblijfsstatus van eiser zijn kinderen schaadt acht de rechtbank onvoldoende voor een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit, onder andere met verwijzing naar het voornemen, deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het belang van de Staat in het geval van eiser zwaarder weegt dan zijn belang van een verblijfsrecht in Nederland op grond van artikel 20 van het VWEU.

19. Dat sprake is van een dubbele standaard zoals eiser stelt, volgt de rechtbank niet. Zoals de minister ook in het bestreden besluit heeft uitgelegd, verhindert artikel 3 van het EVRM het om eiser uit te zetten. De werking van artikel 3 van het EVRM is absoluut, waar ook in geval van eiser geen uitzondering op kan worden gemaakt. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de asielaanvraag van eiser kunnen afwijzen als niet-ontvankelijk. Daarnaast heeft de minister het verblijfsrecht van artikel 20 van het VWEU aan eiser kunnen ontzeggen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzitter, mr. N.M. Spelt en mr. I. Helmich, leden, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?