ECLI:NL:RBDHA:2026:9972

ECLI:NL:RBDHA:2026:9972

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer 09-353435-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Diefstal uit supermarkt, voorwaardelijke ISD-maatregel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09-353435-25

Datum uitspraak: 9 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.F.R. de Vrught en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.B. Baumgarten naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 december 2025 te 's-Gravenhage diverse winkelgoederen (in totaal t.w.v. €275,38), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn (filiaal: [adres 1] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3. De bewijsbeslissing

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025439957, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 30).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 9 april 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] (namens Albert Heijn, locatie [adres 1] in Den Haag), opgemaakt op 29 december 2025 (p. 5).

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 29 december 2025 te 's-Gravenhagediverse winkelgoederen (in totaal t.w.v. €275,38) die aan Albert Heijn (filiaal: [adres 1] ) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om diezich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan de verdachte een voorwaardelijke maatregel wordt opgelegd tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (hierna: ISD-maatregel) met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen ISD-maatregel kan worden opgelegd omdat de verdachte geen zeer actieve veelpleger is. Volgens de verdediging is in de afgelopen vijf jaar niet meer dan tien keer proces-verbaal opgemaakt tegen de verdachte. De verdediging verzoekt daarom alleen een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke feiten waarvan de burgers en de maatschappij financiële schade en overlast ondervinden. Ook werken bij supermarkten vaak jonge medewerkers, die door winkeldiefstallen worden geconfronteerd met ongewenste gebeurtenissen. Daarmee heeft de verdachte geen rekening gehouden toen hij deze winkeldiefstal pleegde. De verdachte heeft bovendien voor een flink bedrag aan goederen gestolen. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte kennelijk uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en heeft hij geen blijk gegeven van respect voor de eigendomsrechten van anderen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden herhaaldelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Klaarblijkelijk hebben de eerdere veroordelingen de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 26 maart 2026 dat is opgesteld en ondertekend door reclasseringswerkers. Daaruit volgt dat sprake is van problematiek en van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering ziet mogelijkheden voor een voorwaardelijke ISD-maatregel vanwege ontwikkelingen op het gebied van huisvesting, middelengebruik, financiën, contact met familie en de motivatie van verdachte. De reclassering ziet dat de verdachte minder in aanraking is geweest met politie en justitie sinds hij stappen in de goede richting heeft gezet, maar de ingezette veranderingen zijn nog relatief nieuw en de verdachte is nog kwetsbaar voor terugslag en terugval. De reclassering adviseert daarom om de verdachte in het geval van een veroordeling een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid van kortdurende opname, een verbod op het gebruik van verdovende middelen, een alcoholverbod en een inspanningsverplichting om een dagbesteding te vinden.

Voldaan aan criteria voor opleggen ISD-maatregel

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte voldoet aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dit is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 5 maart 2026 blijkt dat hij in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf vanwege een misdrijf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.

De verdachte is in het verleden vaak veroordeeld voor vermogensdelicten en de reclassering schat de kans op herhaling in als gemiddeld. Eerdere gevangenisstraffen hebben de verdachte tot dusver niet bewogen om een bestaan op te bouwen zonder het plegen van delicten. Op basis van het strafblad van de verdachte en het advies van de reclassering moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van goederen in het geding is.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist.

De rechtbank overweegt verder dat de verdachte valt onder de definitie van ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, aangezien over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.

Voorwaardelijke ISD-maatregel

Zoals door de reclassering geadviseerd en ook door de officier van justitie gevorderd acht de rechtbank het, alles afwegende, passend om aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Dit betekent dat de maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd als de verdachte zich houdt aan de voorwaarden die onder punt 8 van dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte bij de reclassering en ter terechtzitting blijk heeft gegeven van inzicht in zijn handelen en dat gedrag blijvend wenst te veranderen. Daartoe heeft de verdachte zelf al stappen genomen en ook de reclassering heeft zich bereid verklaard om hem in dit traject verder te begeleiden.

Ter optimale bescherming van de maatschappij zal de rechtbank de voorwaardelijke

ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaar en de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten niet aftrekken van de op te leggen maatregel. Daarnaast zal de rechtbank om dezelfde redenen bepalen dat de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke ISD-maatregel wordt verbonden, namelijk dat de verdachte geen strafbare feiten mag plegen, zal gelden gedurende een proeftijd van twee jaar tezamen met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Als de verdachte deze algemene voorwaarde of een bijzondere voorwaarde niet naleeft, dan ligt de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in de rede om de maatschappij tegen de verdachte te beschermen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om naast de ISD-maatregel een gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank heeft in een afzonderlijke beschikking het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:

- 38m, 38n, 38p en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

diefstal

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

legt de verdachte op:

de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;

bepaalt dat die maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Fivoor aan het [adres 2] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt laat behandelen door forensische polikliniek Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, zal de veroordeelde zich, nadat dit door de rechter is bevolen, laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik, en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan adem-, bloed- en/of urineonderzoek en/of een speekseltest;

- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik, en zich verplicht om gedurende de proeftijd mee te werken aan controles bestaande uit urineonderzoek, en/of ademonderzoek, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- zich inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald of onbetaald werk, met een vaste structuur;

geeft opdracht aan Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.M. de Groes, voorzitter,

mr. M. Rootring, rechter,

mr. I. Jadib, rechter,

in tegenwoordigheid van B.J. van der Sterre, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2026.

De voorzitter mr. K.M. de Groes is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. K.M. de Groes
  • mr. M. Rootring
  • mr. I. Jadib

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?