Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-007258-26
Datum uitspraak: 23 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
verblijfadres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. de L’Isle en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.P.G. van der Weide naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 8 januari 2026 te 's-Gravenhage, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 3.218,6 gram amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 8 januari 2026 te 's-Gravenhage, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten 3.218,6 gram, althans een of meer hoeveelheden, amfetamine, een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn/haar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
- een of meer contante geldbedragen (van in totaal 2.580 euro) en/of
- een of meer (grote) hoeveelheden bariumsulfaat en/of natriumsulfaat en/of cafeïne en/of
- twee telefoons en/of
- een personenauto en/of
- een emmer met roerlepel en/of
- een maatbeker met witte substantie en/of
- een pan met lepel en/of
- een handdoek en/of
- een bakplaat met wit poeder en/of
- schaaltjes met witte en/of gele substanties en/of
- ( grote) hoeveelheden amfetamine en/of
- hoeveelheden ephedrine en/of
- gasflessen en/of een gasbrander en/of
- plastic olievaten en/of
- jerrycans zonder etiket en/of
- meerdere flessen ammoniak en/of wasbenzine en/of thinner;
3
hij op of omstreeks 8 januari 2026 te 's-Gravenhage een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten MDMA, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 71 microgram per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
3. De bewijsbeslissing
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De raadsman heeft vraagtekens geplaatst bij de reden om de auto waarvan de verdachte de bestuurder was, te controleren. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met de productie van drugs of het voorbereiden daarvan, zodat de verdachte van die onderdelen dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft zich ten aanzien van het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, daar waar dit aangewezen is, onder punt 3.2. bespreken.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026007721, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (pagina 1 t/m 111, pagina 1 t/m 31 (fotobijlage) en pagina 1 t/m 38 (bevindingen drugsonderzoek, NFI-rapporten en bloedonderzoek).
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.
Ten aanzien van feit 1, 2 en 3:
1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting, voor zover inhoudende:
Ik heb die spullen gekregen van mijn dealer. We hebben een afspraak gemaakt dat ik de spullen voor hem zou bewaren. Daar kreeg ik 500 euro voor. Ik moest de stoffen uit elkaar halen en sorteren, sommige waren vies. In mijn kamer lag een handdoek, dat was het schone wat ik had gescheiden. Het lag achter mijn bed. Mijn dealer zei dat het stoffen waren waar je drugs mee maakt. Ik had geld nodig. In de portier van de auto had ik 2.000 euro liggen en 580 euro had ik in mijn zak. De dag voor mijn aanhouding had ik amfetamine gebruikt.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 11):
Op 8 januari 2026 om 12.20 uur was ik, verbalisant [verbalisant 1] samen met verbalisant [verbalisant 2] , op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Mauritskade te ' s-Gravenhage. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag daar een personenauto voorzien van het kenteken [kenteken] rijden. Ik gaf hierop de bestuurder van het voertuig een stopteken middels het verlichte stoptransparant. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , vroeg de bestuurder zijn rijbewijs. De bestuurder gaf met een Nederlands paspoort op te zijn: [verdachte] , Geboren [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ). Ik, verbalisant [verbalisant 2] , vorderde op bovengenoemde datum om 12.21 uur, de bestuurder mee te werken aan een speekseltest. Ik heb bij hem de speekseltest afgenomen. Ik zag dat het resultaat van de speekseltest een indicatie aangaf voor de volgende stof: cannabis (CA) en amfetamine (AMF).
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 15):
Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , hebben het voertuig met kenteken [kenteken] doorzocht. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , opende het portier van de bestuurder. Ik zag in het vak van deze deur een stapel geld liggen. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , opende de achterklep van het voertuig. Ik zag in de achterbak een oranje met zwarte bigshopper staan met daarin twee zwarte vuilniszakken. Ik zag dat er in de ene vuilniszak een doorzichtige plastic verpakking zat met daarin lichtblauw kleurige blokken/kristallen. Ik zag dat er in de andere vuilniszak oranje gekleurde brokken/kristallen zaten. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , zag dat er in de achterbak van het voertuig een kartonnen doos stond. Ik zag dat er in deze doos vijf witte ronde potten stonden zonder opschrift. Ik pakte een van deze potten en opende deze. Ik zag dat de pot vol zat met een witte substantie in poedervorm.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 23):
Ik, verbalisant [verbalisant 5] , verklaar het volgende. Uit handen van brigadier van politie [verbalisant 3] ontving ik diverse poeders welke waren aangetroffen bij de verdachte. Deze poeders heb ik getest middels de TruNarc, alle genoemde gewichten betroffen een bruto gewicht:
- Sealbag met wit/oranje brokken 1040 gram. bleek na onderzoek "Bariumsulfaat";
- Sealbag met blauw/witte brokken >3000 gram. bleek na onderzoek "Natriumsulfaat";
- Vijf (5) afgesloten witte potten, elke pot woog 590gram, wit poeder, ik heb een monster genomen van één (1) pot. Dit bleek na onderzoek "Cafeïne".
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 58 en 59):
Ik, verbalisant [verbalisant 6] , verklaar het volgende. Op donderdag 8 januari 2026 om 15:30 uur, trad ik binnen in de woning [adres] , bewoond door [naam 1] . De situatie is bevroren in verband met het aantreffen van de combinatie van 3 grote vaten, twee jerrycans zonder label, thinner, ammoniak en een witte substantie.
In de woning werd inbeslaggenomen:
- 5 potten cafeïne;
- emmer met roerlepel;
- maatbeker;
- pan met lepel;
- handdoek met brokken;
- zwarte pan;
- bakplaat met drugsresidu;
- wit bakje met witte substantie mogelijk verdovende middelen;
- schaaltje met gele substantie mogelijk verdovende middelen;
- drugs getest als natrium- en bariumsulfaat.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 28):
Ik, verbalisant [verbalisant 7] , verklaar het volgende. Tijdens de zoeking in de woning zag ik meerdere gasflessen en een gasbrander in de achtertuin.
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 55):
Ik, verbalisant [verbalisant 7] , verklaar het volgende. Ik zag bij binnenkomst van de keuken aan de rechterzijde een centrale verwarming ketel. Ik zag dat er op de centrale verwarming ketel een maatbeker stond. In de maatbeker zag ik een witte substantie. Ik testte de witte substantie vervolgens door middel van een zogenoemde
indicatieve drugstest. Toen ik de witte substantie testte zag ik dat de genoemde drugstest bruinrood kleurde. Ik zag dat deze kleur overeen kwam met de stof Efedrine.
8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 52):
Ik, verbalisant [verbalisant 8] , verklaar het volgende. Vanaf de keuken bevindt zich een gang waaraan een badkamer gevestigd is en toegang geeft tot de achtergelegen slaapkamer. Bij het betreden van de slaapkamer bevond zich aan de linkerzijde een nachtkastje met twee lades. Daarachter stond een stapelbed. In de lades lag herenkleding en kinderkleding. Ik zag in de hoek van de kamer een beige handdoek liggen. De handdoek lag gedeeltelijk dichtgevouwen. In het opengevouwen gedeelte van de handdoek zag ik witte brokjes en een deel van een zwarte bakplaat. Er zat een witte korrelige substantie op de zwarte bakplaat. Ik rook een chemische penetrante lucht van de handdoek afkomen. Toen mijn collega de handdoek openvouwde zag ik meerdere brokjes van verschillende grootte.
9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 39):
Ik, verbalisant [verbalisant 9] , verklaar het volgende. In de woning troffen wij bewoners [naam 2] en [naam 1] . Dit betreffen de moeder en broer van de verdachte. Ik hoorde [naam 1] zeggen: "Die kamer achter slapen de kinderen". In de tuin troffen de politieambtenaren drie plastic "olievaten", twee jerrycans zonder etiketten, meerdere flessen ammoniak, wasbenzine en thinner aan.
10. Kennisgeving van inbeslagneming, opgemaakt op 8 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 111):
Omstandigheden: Lag in de kinderkamer. Substantie lag gewikkeld in een handdoek
Goednummer: 3443710
11. Kennisgeving van inbeslagneming, opgemaakt op 8 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 104):
Omstandigheden: Inbeslaggenomen in de kinderkamer achter het bed. Bakplaat zat in een handdoek gewikkeld met grote hoeveelheden witte substantie.
Goednummer: 3443692
Object: Bakplaat
12. Kennisgeving van inbeslagneming, opgemaakt op 8 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 102):
Omstandigheden: Inbeslaggenomen in de kinderslaapkamer.
Goednummer: 3443688
Object: Textiel (Handdoek)
13. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 7 t/m 12):
Wij, verbalisanten [verbalisant 10] , [verbalisant 11] , [verbalisant 12] en [verbalisant 13] , verklaren het volgende.
Goednummer: 3443710
SIN Goed: AANT8380NL
Wij zagen een plastic zak met opschrift 'Handdoek achter bed' met hierin witte brokken met een totaal nettogewicht van 3173 gram. Hier hebben wij een, nader te onderzoeken, monster van gemaakt.
Goednummer: 3443692
SIN Goed: AANT8372NL
Wij zagen een plastic zak, met opschrift 'Handdoek achter bed bakplaat', met hierin
een zwarte plastic schaal met een wit residu met een totaal nettogewicht van 0,6 gram. Hier hebben wij een, nader te onderzoeken, monster van gemaakt.
Goednummer: 3443688
Wij zagen een beigekleurige handdoek met hierin witte brokken met een totaal nettogewicht van 45 gram. Hier hebben wij een, nader te onderzoeken, monster van gemaakt en voorzien van SIN: AARV5894NL.
14. Een geschrift, te weten het NFI-rapport d.d. 19 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 30):
Kenmerk: AANT8380NL
Omschrijving FO: brokjes, wit, uit 3173 gram
Conclusie: bevat amfetamine
15. Een geschrift, te weten het NFI-rapport d.d. 20 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 29):
Kenmerk: AANT8372NL
Omschrijving FO: kristalachtige pasta, geel, uit 0,6 gram
Conclusie: bevat amfetamine
16. Een geschrift, te weten het NFI-rapport d.d. 20 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 27):
Kenmerk: AARV5894NL
Omschrijving FO: brokjes, wit, uit 45 gram
Conclusie: bevat amfetamine
17. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 63):
Wij verbalisanten, [verbalisant 14] en [verbalisant 15] , zagen dat er een hoeveelheid van 2.580 euro in beslag was genomen door verbalisanten. Onder het vier ogen principe hadden wij verbalisanten, [verbalisant 14] en [verbalisant 15] , het bedrag van 2.580 euro afgestort.
Ten aanzien van feit 3:
18. Het formulier toxicologisch bloedonderzoek d.d. 8 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 34 en 35):
Vordering tot medewerking: 08/01/2026 om 12:21 uur
Gegevens bloedgever: [verdachte] , [geboortedatum] 1987
TADP2563NL
Ondergetekende verpleegkundige verklaart op 8-1-’26 op de voorgeschreven wijze van bloedgever om 13:45 uur bloed te hebben afgenomen.
Wijze van afname: venapunctie
19. Een geschrift, te weten rapport van Eurofins Forensics d.d. 10 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 32 en 33):
Te onderzoeken materiaal: TADP2563NL bloed van [verdachte]
De eindresultaten van de analyse van de meetbare aangewezen stoffen (Wegenverkeerswet 1994, art 8, lid 5), na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie, staan in onderstaande tabel.
Aangewezen stof: MDMA
Meetbare stof: MDMA
Grenswaarde indien enkelvoudig gebruikt: 50 microgram per liter
Eindresultaat in bloed met TADP2563NL: 71 microgram per liter.
Bewijsoverwegingen
Feit 1
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat er ruim drie kilo amfetamine bij de verdachte is aangetroffen. Ten aanzien van de vraag of de verdachte de aangetroffen amfetamine zelf heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd of vervaardigd overweegt de rechtbank als volgt.
De verdachte heeft verklaard dat hij bezig is geweest met de drugs, door vies geworden brokken te scheiden van schone brokken. Daarmee staat reeds vast dat de verdachte de aangetroffen amfetamine heeft bewerkt. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte deze drugs bovendien zelf heeft bereid en verwerkt. De brokken amfetamine lagen op een bakplaat die gewikkeld was in een handdoek, terwijl op die bakplaat drugsresidu zat in de vorm van (mogelijk aangekoekte) pasta. De rechtbank is van oordeel dit een sterke aanwijzing is dat die drugs verhit zijn geweest. In de tuin zijn verschillende soorten keukengerei aangetroffen, waarbij in sommige potjes en schalen restanten van witte en gele substanties zijn gevonden. Een van deze restanten bestond uit een hoeveelheid efedrine, een grondstof (precursor) voor amfetamine. Bij dat keukengerei stonden gasbranders, flessen ammoniak, wasbenzine en thinner, terwijl er voorts aanzienlijke hoeveelheden cafeïne, een bekend versnijdingsmiddel en hoeveelheden natrium- en bariumsulfaat aangetroffen. Al deze spullen en grondstoffen zijn geschikt voor het maken van synthetische harddrugs.
Gelet op de manier waarop de combinatie van amfetamine, het keukengerei, de (grond)stoffen en de gasflessen zijn aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het bereiden, bewerken en verwerken van harddrugs.
Feit 2
Het voorgaande levert ook wettig en overtuigend bewijs op voor het voorbereiden van drugsproductie. De verdachte had immers aanzienlijke hoeveelheden grondstoffen en versnijdingsmiddelen voorhanden, en daarnaast ook de keukenspullen en gasflessen waardoor hij harddrugs kon maken. De verklaring van de verdachte dat de cafeïne voor eigen gebruik was bestemd, acht de rechtbank, mede gelet op de grote hoeveelheid die is aangetroffen, niet geloofwaardig.
De verdachte heeft een deel van de grondstoffen vervoerd in de auto van zijn moeder, waardoor hij die auto heeft aangewend ten behoeve van de drugsproductie. Verder is bij hem een geldbedrag aangetroffen. Feit van algemene bekendheid is, dat met de productie van harddrugs (grote) hoeveelheden (vaak: contant) geld gemoeid zijn, voor de aanschaf van onder andere precursoren. Precies dit soort goederen is in de woning waar de verdachte verbleef aangetroffen en de rechtbank acht om die reden tevens bewezen dat deze gelden bestemd waren tot het plegen van de productie van harddrugs.
Medeplegen
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van medeplegen omdat de productie van synthetische harddrugs doorgaans niet door één persoon zelfstandig wordt gedaan, maar altijd plaatsvindt in een keten. Aan de officier van justitie kan worden toegegeven dat er aanwijzingen zijn dat de verdachte onderdeel maakte van zo’n keten, onder meer omdat hij – naar eigen zeggen – de drugs voor iemand anders zou hebben bewerkt. Het dossier bevat echter geen bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank kan vaststellen hoe die samenwerking eruit heeft gezien en wat daarin dan ieders rol zou zijn geweest . De rechtbank kan daarom niet vaststellen of het contact met anderen en de onderlinge rolverdeling dusdanig zijn geweest dat gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken ten aanzien van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op medeplegen.
Feit 3
De verbalisanten hebben voorafgaand aan de aanhouding gezien dat de verdachte in een personenauto reed. De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij een dag voor zijn aanhouding drugs had gebruikt. Tot slot bevat het dossier een rapport waaruit blijkt dat er in het bloed van de verdachte 71 microgram MDMA per liter bloed aanwezig was, ruim boven de grenswaarde van 50 microgram per liter bloed. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het rijden onder invloed van drugs.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 8 januari 2026 te ’s-Gravenhage opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt 3.218,6 gram amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op 8 januari 2026 te 's-Gravenhage om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken en verwerken van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten 3.218,6 gram amfetamine, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat zij bestemd waren voorhet plegen van dat feit, te weten
- contante geldbedragen (van in totaal 2.580 euro) en
- ( grote) hoeveelheden bariumsulfaat en natriumsulfaat en cafeïne en
- een personenauto en
- een emmer met roerlepel en
- een maatbeker met witte substantie en
- een pan met lepel en
- een handdoek en
- een bakplaat met wit poeder en
- schaaltjes met witte en gele substanties en
- ( grote) hoeveelheden amfetamine en
- een hoeveelheid efedrine en
- gasflessen en een gasbrander en
- plastic olievaten en
- jerrycans zonder etiket en
- meerdere flessen ammoniak en wasbenzine en thinner;
3
hij op 8 januari 2026 te 's-Gravenhage een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten MDMA, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 71 microgram per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast vorderde de officier van justitie een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank gevraagd om rekening te houden met de omstandigheden waarin de verdachte verkeerde. Hij zat in een cocktail van ellende en is nu bereid mee te werken met de reclassering, dat dient in strafverlagende zin te worden meegewogen. Ten aanzien van de gevorderde rijontzegging heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om te kunnen gaan werken en om zijn moeder te vervoeren.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bewerken, verwerken en bereiden van ruim drie kilo harddrugs. Deze hoeveelheid is aangetroffen in zijn woning. Naast deze harddrugs had de verdachte ook aanzienlijke hoeveelheden grondstoffen in bezit waarmee nog meer drugs kon worden gemaakt. Zo is er ruim een kilo bariumsulfaat aangetroffen, meer dan drie kilo natriumsulfaat en in de auto 2.950 gram cafeïne – terwijl de verdachte thuis nog eens vijf potten cafeïne had en meerdere flessen ammoniak, wasbenzine en thinner. Hoewel de feiten 1 en 2 slechts een pleegperiode van één dag bestrijken, vormen deze hoeveelheden wel een zorgelijke aanwijzing dat mogelijk langduriger drugsproductie met (een) serieuze opbrengst(en) heeft plaatsgevonden.
Harddrugs zijn zeer schadelijk voor de volksgezondheid en kunnen bij veel gebruikers ernstige en ontwrichtende verslavingsproblemen veroorzaken. Daarnaast leidt de handel in en het gebruik van deze verdovende middelen tot allerlei vormen van criminaliteit, waaronder delicten die harddrugsgebruikers plegen om aan hun drugs te kunnen komen, maar ook delicten tussen handelaren en producenten onderling. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen.
In dit geval zijn de harddrugs aangetroffen in de slaapkamer waar ook de jonge kinderen van de verdachte sliepen wanneer zij bij hem verbleven. De drugs lagen op de grond, deels gewikkeld in een handdoek – en daarmee letterlijk voor het grijpen. De rechtbank rekent het de verdachte ernstig aan dat hij zijn eigen jonge kinderen in (levens)gevaar heeft gebracht.
Daarnaast heeft de verdachte onder invloed van harddrugs gereden in een personenauto, een misdrijf waarvoor hij al een keer eerder was aangehouden. De verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid als automobilist voor de veiligheid van verkeersdeelnemers (en zichzelf) voor de tweede keer geschonden. Door zich aldus te gedragen heeft de verdachte zich onverschillig getoond ten aanzien van de verkeersveiligheid.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte op 10 maart 2026 een strafbeschikking heeft gekregen voor het rijden onder invloed van drugs. Verder is een uitgebreid justitieel verleden te zien, maar dat heeft zich langer dan vijf jaar geleden afgespeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 26 maart 2026. Daaruit blijkt dat het de verdachte ontbreekt aan stabiliteit op het gebied van wonen, dagbesteding en inkomen. De kans op nieuwe justitiecontacten wordt door de reclassering niet uitgesloten. Er is sprake van schuldenproblematiek en van middelengebruik. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte om hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een gedragsinterventie middelengebruik, aan ambulante behandeling en controles op middelengebruik.
De rechtbank is van oordeel dat vanwege de ernst van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten een vrijheidsbenemende straf moet worden opgelegd. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar oriëntatiepunten die de rechtbanken onderling hebben opgesteld. Voor voorbereidingshandelingen van Opiumwetfeiten zijn geen afspraken gemaakt. Voor het (enkel) aanwezig hebben van 3000 tot 4000 gram harddrugs is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Daarnaast legt de rechtbank een onvoorwaardelijke rijontzegging op voor de duur van zes maanden.
7. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het geld dat onder de verdachte is beslaggenomen verbeurd moet worden verklaard. Ten aanzien van de twee telefoons van de verdachte heeft de officier van justitie gezegd dat deze terug mogen naar de verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave gelasten van twee mobiele telefoons die onder de verdachte in beslag zijn genomen, omdat het belang van strafvordering zich daartegen niet (meer) verzet. Het gaat hierbij om een Apple telefoon en een Xiaomi Redmi telefoon.
De rechtbank zal het geldbedrag € 2.580,- verbeurdverklaren. De rechtbank is van oordeel dat dit geldbedrag vatbaar is voor verbeurdverklaring, nu het feit met behulp daarvan is voorbereid.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 33, 33 a, 57, en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
ten aanzien van feit 3:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 (zes) maanden;
ten aanzien van het beslag;
gelast de teruggave aan de veroordeelde, [verdachte] , van:
verklaart verbeurd:
een geldbedrag van € 2.580,- (goednummers PL1500-2026007669-3443399, PL1500-2026007669-3443400, PL1500-2026007669-3443401, PL1500-2026007669-3443402 en PL1500-2026007669-3443403).
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Jadib, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. K.M. de Groes, rechter,
in tegenwoordigheid van B.J. van der Sterre griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2026.
De jongste rechter, mr. K.M. de Groes, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.