[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. B. Zagers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Letland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het beroep ontvankelijk?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het beroep ontvankelijk is en de termijnoverschrijding niet verwijtbaar is. Uit overgelegde emailwisselingen blijkt dat COa op 9 februari 2026 heeft doorgegeven dat eiser met onbekende bestemming zou zijn vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft navraag gedaan, onder meer bij het COa en VluchtelingenWerk Nederland, en was in de veronderstelling dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken, waardoor er geen beroep is ingediend. Op 3 maart 2026 heeft het COa bevestigd dat eiser sinds 4 februari in de opvang in Den Haag verblijft. Aan de gemachtigde is dan ook ten onrechte meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming zou zijn vertrokken. Daarbij betreft het een nieuwe opvanglocatie en is eiser kennelijk één van de eerste bewoners die daarheen werd overgeplaatst. Deze gang van zaken kan eiser echter niet worden verweten, te meer nu eiser geen contact heeft gehad met zijn advocaat tijdens de asielprocedure en de gevolgen voor eiser groot zijn.
5. De gemachtigde van de minister heeft zich op zitting op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard en heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 november 2025. Op 26 januari 2026 is eisers zaak door de Raad voor Rechtsbijstand gekoppeld aan eisers gemachtigde. Het besluit is tijdig naar de gemachtigde van eiser gestuurd. Eiser heeft verder met het ondertekenen van zijn asielaanvraag ook getekend voor het doorgeven van wijzigingen in woon- of verblijfplaats. Bovendien had de gemachtigde van eiser ook bij geen contact pro forma beroep kunnen indienen.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Uit artikel 69, tweede lid en onder d, van de Vw volgt dat beroep moet worden ingediend binnen één week nadat de beschikking bekend is gemaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt en het beroep te laat is ingediend. Het beroep moet daarom in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege, als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
8. De rechtbank stelt het volgende vast. Het aanmeldgehoor heeft op 18 januari 2026 plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser is vervolgens op 26 januari 2026 door de Raad voor Rechtsbijstand aan de zaak van eiser is gekoppeld. Het voornemen dateert van 4 februari 2026, dezelfde dag waarop eiser met onbekende bestemming is geregistreerd. Uit het dossier volgt namelijk dat het COa de gemachtigde van eiser op 9 februari 2026 een e-mail heeft gestuurd waarin staat dat eiser op 4 februari 2026 met onbekende bestemming zou zijn vertrokken uit de opvang. Op 10 februari 2026 heeft VluchtelingenWerk Nederland de gemachtigde van eiser een e-mail gestuurd waarin staat dat eiser inderdaad per 4 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Dit betekent dat eiser met onbekende bestemming is geregistreerd voordat het bestreden besluit is genomen.
9. Op 3 maart 2026 heeft eiser zijn gemachtigde een e-mail gestuurd met de vraag of er al nieuws is in zijn zaak nu hij al enige tijd niets heeft vernomen. Op 3 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser het COa gemaild en gevraagd of het klopt dat eiser niet met onbekende bestemming is vertrokken. Op 3 maart 2026 heeft het COa de gemachtigde van eiser gemaild en aangegeven dat eiser per 4 februari 2026 staat ingeschreven bij het COa in Den Haag.
10. Het ontbreken van contact tussen eiser en zijn gemachtigde komt in beginsel voor risico van eiser. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding niet aan eiser kan worden toegerekend.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit specifieke geval sprake van bijzondere omstandigheden die niet aan eiser kunnen worden toegerekend. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Het voornemen dateert van 4 februari 2026, dezelfde dag waarop eiser met onbekende bestemming is geregistreerd. Op dezelfde dag heeft de gemachtigde van eiser het voornemen doorgestuurd naar het COa, met het verzoek om eiser hiervan kennis te laten nemen en contact met haar op te laten nemen. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens op 5 en 10 februari 2026 navraag gedaan bij zowel het COa als bij VluchtelingenWerk Nederland en heeft twee maal bevestigd gekregen dat eiser inderdaad per 4 februari 2026 met onbekende bestemming is geregistreerd. De rechtbank is van oordeel dat onder deze specifieke omstandigheden het ontbreken van contact tussen eiser en zijn gemachtigde niet aan eiser kan worden toegerekend. Hierbij acht de rechtbank in het bijzonder van belang dat het COa eiser ten onrechte heeft geregistreerd als vertrokken met onbekende bestemming en dat uit het dossier is gebleken dat eiser vanaf 4 februari 2026 verblijft op een andere COa opvanglocatie. Niet is gebleken dat eiser op enig moment de opvang met onbekende bestemming heeft verlaten. De rechtbank merkt in dit kader eveneens op dat de gemachtigde van eiser via de juiste kanalen heeft geprobeerd contact met eiser te leggen. De rechtbank acht verder van belang dat uit het dossier niet volgt dat eiser en zijn gemachtigde op enig moment in de procedure contact met elkaar hebben gehad en evenmin is gebleken op welke andere wijze de gemachtigde van eiser hem had kunnen bereiken om hem te informeren over het bestreden besluit. De rechtbank overweegt verder dat de omstandigheden die aan de uitspraak van 28 november 2025 ten grondslag liggen verschillen van de omstandigheden in de onderhavige zaak. In die zaak waren eisers namelijk daadwerkelijk met onbekende bestemming vertrokken en was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van inconsistente verklaringen over de reden van vertrek. Dat de gemachtigde van eiser ook pro forma beroep had kunnen indienen, leidt niet tot een ander oordeel. Niet valt in te zien dat de gemachtigde pro forma beroep zou indienen, nadat twee maal is bevestigd dat eiser met onbekende bestemming zou zijn vertrokken en er geen contact met eiser kon worden gelegd.
11. Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding en is het beroep ontvankelijk.
Is ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan?
13. Eiser voert aan dat uit recente rapporten van onder meer de European Union Agency for Asylum en internationale mensenrechtenorganisaties blijkt dat het Letse asiel- en opvangsysteem aanzienlijk onder druk staat. Er wordt melding gemaakt van beperkte opvangcapaciteit, procedurele achterstanden en problemen met toegang tot adequate rechtsbijstand. Eiser is eerder in Letland 50 dagen gedetineerd geweest zonder tussenkomst van een rechter of toegang tot een advocaat. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht of eiser na overdracht daadwerkelijk toegang zal krijgen tot adequate opvang en een effectieve procedure met toegang tot een advocaat. Het ontbreken van geschikte opvang, beschikbare tolken en toegang tot een advocaat betekent dat eiser niet effectief gebruik kan maken van zijn recht op een asielprocedure.
13. De rechtbank overweegt als volgt.
13. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Letland een verzoek om terugname gedaan. Letland heeft dit verzoek aanvaard.
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Letland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 20 december 2023. Dit ligt anders als er sprake is van een fundamentele systeemfout in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. In dit geval heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Ten aanzien van de verklaringen over de detentie kan worden vastgesteld dat deze niet nader zijn onderbouwd. De verklaringen hierover zijn op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat overdracht aan Letland zal leiden tot behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. Verder is van belang dat eiser, gezien het geaccepteerde claimakkoord, gereguleerd wordt overgedragen. Ook hebben de autoriteiten van Letland middels het claimakkoord gegarandeerd dat zij het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser na overdracht aan Letland gebreken constateert in de opvang of in de asielprocedure, dan kan eiser hierover klagen bij de autoriteiten van Letland. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan of dat dit op voorhand onmogelijk is.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Letland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.