RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39542
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: H.J. Metselaar).
Procesverloop
Verweerder heeft tegen eiser op 24 juli 2025 een terugkeerbesluit (het bestreden besluit) uitgevaardigd en daarin bepaald dat eiser moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft. Eiser moet Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken verlaten.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
5. Eisers beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt niet. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt niet dat verweerder bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsrecht of rekening moet houden met privéleven. Van beschermenswaardig familie- en gezinsleven is niet gebleken.
6. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt dat bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit het non-refoulementbeginsel in acht wordt genomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerders conclusie dat geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende omstandigheden, zoals bedoeld in het arrest Ararat, om een refoulementrisico aan te nemen in dit geval onvoldoende is gemotiveerd. Uit het dossier blijkt dat eiser de Turkmeense nationaliteit heeft en dat hij lange tijd in het buitenland heeft verbleven. De rechtbank stelt vast dat een ambtsbericht over Turkmenistan ontbreekt. Uit de informatie die ambtshalve bekend is bij de rechtbank, volgt dat in Turkmenistan een gesloten en repressief regime aan de macht is, dat haar onderdanen niet graag naar het buitenland ziet vertrekken. Het is in dat verband onvoldoende duidelijk hoe de Turkmeense autoriteiten reageren op de terugkeer van onderdanen die langere tijd zonder hun toestemming in het buitenland hebben verbleven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:649, en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21318. Hieruit volgt dat in het geval van eiseres terugkeer naar Turkmenistan doet vermoeden dat afbreuk aan het beginsel van non-refoulement kan worden gedaan. Gelet hierop lag het op de weg van verweerder om nader onderzoek te doen.
7. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.