RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39343
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 6 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder heeft verweerder vastgesteld dat eiser niet langer tijdelijke bescherming geniet en bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
4. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Het bestreden besluit is hiermee in overeenstemming. Uit het bestreden besluit volgt dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. De bevriezing van de rechtsgevolgen tot 4 september 2025 geldt als een feitelijke opschorting van de uitvoering van het terugkeerbesluit en heeft niet tot gevolg dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
5. Voor zover eiser zich met de verwijzing naar zijn werk heeft willen beroepen op zijn privéleven in Nederland, geldt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet voorschrijft dat daarmee rekening moet worden gehouden bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn moet wel rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Eiser heeft in dit verband ter zitting gesteld dat hij in Nederland een vriendin heeft. Dit heeft eiser niet weten te onderbouwen. De door eiser in beroep overgelegde zwangerschapsverklaring is hiervoor onvoldoende, aangezien daaruit niet daadwerkelijk blijkt van een relatie van eiser. Aldus is niet gebleken dat ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit sprake was van beschermenswaardig familie- of gezinsleven.
6. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op het verbod van refoulement. Verweerder heeft in zijn motivering op dit punt verwezen naar de afwijzing van eisers asielaanvraag bij besluit van 28 januari 2025. Bij uitspraak van 25 mei 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiser tegen die afwijzing ongegrond verklaard. Dit oordeel is hoger beroep bevestigd bij uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2025. In deze procedures is reeds betrokken dat eiser actief zegt te zijn voor de IPOB. In de door eiser nu overgelegde stukken ziet de rechtbank geen zwaarwegende en op feiten berustendste redenen om alsnog een reële vrees voor refoulement aan te nemen. Daarbij is van belang dat eiser niet behoort tot een groep die blootstaat aan systematische vervolging of ernstige schade en dat de overgelegde stukken geen informatie bevatten over een eventueel persoonlijk risico van eiser.
7. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
8. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.