ECLI:NL:RBGEL:2014:563

ECLI:NL:RBGEL:2014:563, Rechtbank Gelderland, 30-01-2014, AWB-13_4819

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 30-01-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB-13_4819
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2016:403
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Het groenbeheerplan van de gemeente is een samengesteld besluit. De gebiedsaanwijzing in het groenbeheerplan is op rechtsgevolg gericht. Voor dat gebied wordt namelijk ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de Bomenverordening het kapverbod van het eerste lid van artikel 2 van de Bomenverordening opgeheven. De gebiedsaanwijzing is een besluit van algemene strekking. Zij is geen algemeen verbindend voorschrift omdat zij geen zelfstandige norm bevat, maar het voorschrift van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de Bomenverordening, waarin is bepaald wanneer het kapverbod niet geldt, concretiseert. Het onderdeel van het groenbeheerplan waarin 184 bomen worden aangewezen die zullen worden gekapt, is niet op rechtsgevolg gericht. Ten gevolge van de gebiedsaanwijzing geldt voor het gebied waar de te kappen bomen staan immers niet meer een kapverbod, zodat het in dat gebied vrij staat om bomen te kappen. De aanwijzing van de te kappen bomen wordt in de Bomenverordening een beheermaatregel genoemd en is geen besluit. De aanwijzing kan niet worden opgevat als een bundel van 184 besluiten die er op zijn gericht om per boom de gelding van het kapverbod op te heffen. In dat geval zou er sprake zijn van een verkapt vergunningenstelsel, hetgeen uitdrukkelijk niet de bedoeling van verweerder is geweest. Het beroep van eisers is gericht tegen het onderdeel aanwijzing te kappen bomen. Die aanwijzing is geen besluit, zodat verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: SBR 13/4819

in de zaak tussen

[naam] en 19 anderen, te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. J.F.A. van der Maes),

en

de raad van de gemeente Wageningen, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Rétel en W. Kuijt).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het Groenbeheerplan Wageningen Hoog, derde cyclus, eerste fase 2013 (verder: het Groenbeheerplan) vastgesteld.

Bij besluit van 1 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. J.F.A. van der Maes. Namens verweerder zijn verschenen mr. M. Rétel en W. Kuijt, vergezeld door F.H. Leendertz-Polak.

Overwegingen

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar voor zover dat is gemaakt namens eisers [namen eisers] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat zij geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn.

Verweerder heeft de wijk Wageningen-Hoog in het kader van het bomenbeheer in drie gedeelten verdeeld en voor elk van deze gedeelten een bomenbeheerplan vastgesteld, als laatste het onderhavige Groenbeheerplan. Genoemde eisers wonen allen in het aangrenzende gedeelte van de wijk, waarvoor al eerder een bomenbeheerplan is vastgesteld. Hoewel zij dus niet woonachtig zijn in het gedeelte van de wijk waarop het onderhavige Groenbeheerplan betrekking heeft, en ook geen zicht hebben op de bomen waarop dit plan betrekking heeft, is de rechtbank van oordeel dat zij niettemin als belanghebbenden moeten worden aangemerkt. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de wijk Wageningen-Hoog zich kenmerkt als een bosrijke omgeving, dat het bomenbeheer in de drie gedeelten van de wijk op basis van de vastgestelde bomenbeheerplannen in een driejaarlijkse cyclus plaatsvindt en dat maatregelen in het ene gedeelte van de wijk gevolgen hebben voor de andere gedeelten en inbreuk kunnen maken op het bosrijke karakter van de wijk als geheel.

Vervolgens ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of ingevolge artikel 8:1 van de Awb eisers tegen het primaire besluit beroep kunnen instellen bij de bestuursrechter. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De vraag is of de vaststelling van het Groenbeheerplan op rechtsgevolg is gericht en wat de strekking van dat rechtsgevolg is. Artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift.

Artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening 2010 van verweerders gemeente bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van burgemeester en wethouders een houtopstand te vellen. Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de Bomenverordening 2010 bepaalt dat dit verbod niet geldt voor houtopstand in de openbare ruimte waarvoor op basis van een bomenbeheerplan beheermaatregelen door de raad zijn vastgesteld.

Ter zitting is vastgesteld dat met het Groenbeheerplan dat verweerder heeft vastgesteld wordt bedoeld het bomenbeheerplan van artikel 2, tweede lid, onder d, van de Bomenverordening 2010.

Het Groenbeheerplan is een samengesteld besluit dat bestaat uit een aantal onderdelen. Voor zover hier van belang wordt in het Groenbeheerplan het gebied aangewezen waarvoor het Groenbeheerplan geldt (aanwijzing gebied). In een ander onderdeel worden de bomen aangewezen (184) die voor kap in aanmerking komen (aanwijzing kap).

Wat betreft de aanwijzing van het gebied is de rechtbank van oordeel dat deze aanwijzing op rechtsgevolg is gericht. Door deze aanwijzing wordt immers het kapverbod dat voor het grondgebied van verweerders gemeente in artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening 2010 is vastgesteld, voor een in het Groenbeheerplan omschreven gebied opgeheven. De rechtbank kwalificeert deze gebiedsaanwijzing als een besluit van algemene strekking waartegen beroep op de bestuursrechter open staat en niet als een algemeen verbindend voorschrift waartegen ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, geen beroep kan worden ingesteld. De reden is dat de gebiedsaanwijzing geen zelfstandige norm is, maar een nadere concretisering betreft van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de Bomenverordening 2010. De bezwaar- en beroepsgronden van eisers zijn echter niet op dit onderdeel van het Groenbeheerplan gericht, zodat de ontvankelijkheid van het beroep van eisers niet wordt bepaald door de gebiedsaanwijzing.

De beroepsgronden van eisers zijn gericht tegen het onderdeel waarin de bomen worden aangewezen die zullen worden gekapt. Naar het oordeel van de rechtbank is de kapaanwijzing van deze bomen echter niet op rechtsgevolg gericht. Voor het gebied waarin de aangewezen bomen worden gekapt, geldt immers ingevolge de gebiedsaanwijzing geen verbod meer en staat het vrij in dat gebied bomen in de openbare ruimte te kappen. De aanwijzing van de bomen is dus niet op rechtsgevolg gericht en is daarom niet een besluit waartegen in beroep kan worden gekomen. Dat de keuze van de te kappen bomen wordt bepaald door toetsingscriteria die verweerder op 14 december 2006 heeft vastgesteld, maakt het niet anders.

De rechtbank verwerpt het standpunt dat de kapaanwijzing in het Groenbeheerplan moet worden opgevat als een bundel van 184 besluiten die er op zijn gericht om per boom de gelding van het kapverbod op te heffen. Dat standpunt leidt er immers toe dat sprake is van een verkapt vergunningenstelsel hetgeen uitdrukkelijk niet de bedoeling van verweerder is geweest. Dat een dergelijk stelsel niet de bedoeling is geweest volgt uit artikel 2 van de Bomenverordening 2010, waar enerzijds, in het eerste lid, wordt gesproken over een vergunning die burgemeester en wethouders verlenen en anderzijds, in het tweede lid, over door de gemeenteraad vast te stellen beheermaatregelen waarvoor het kapverbod niet geldt. Deze bedoeling blijkt ook uit het Groenbeheerplan zelf, onder meer door aan te geven dat geen kapvergunning is vereist en dat bezwaar, beroep en zienswijzen niet van toepassing zijn. Ook ter zitting heeft verweerder uiteengezet wat de bedoeling is geweest van het opheffen van het kapverbod voor het gebied waar een bomenbeheerplan is vastgesteld: anders dan bij een vergunningenstelsel niet meer per boom vaststellen of kap al dan niet is toegestaan.

De slotsom is dat verweerder weliswaar alle eisers had moet aanmerken als belanghebbenden, maar dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat het bezwaar zich richtte op de beheermaatregel kappen van bomen die niet op rechtsgevolg is gericht en die daarom geen besluit is waartegen bij de bestuursrechter in beroep kan worden gekomen.

Het beroep van eisers is gegrond, het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien als na te melden.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;-vernietigt het bestreden besluit;

-verklaart het bezwaar van eisers tegen het besluit van 11 februari 2013 niet-ontvankelijk;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160 aan eisers te vergoeden;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in aanwezigheid van R. van Diest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?