RECHTBANK GELDERLAND
Uitspraak van de meervoudige kamer van
[eiser], eiser
de minister van Veiligheid en Justitie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 13/5038
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr.drs. J.M.C. Niederer),
en
Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) te Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Op 1 mei 2013 heeft verweerder beslist op het verzoek van eiser om informatie te verstrekken, gedateerd 16 januari 2012 (lees: 2013). Het verzoek om informatie zal in het vervolg worden aangeduid als het verzoek van 16 januari 2013.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van 1 mei 2013.
Op 12 augustus 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift.
Bij besluit van 2 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.O. Nieuwpoort.
Overwegingen
1. De rechtbank verwijst naar twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135, waarvan eerstgenoemde uitspraak is gedaan in een zaak waarbij de gemachtigde van eiser als gemachtigde betrokken was. De omstandigheden op basis waarvan de Afdeling in die zaken heeft geoordeeld dat sprake was van misbruik van recht zijn ook in de onderhavige zaak aan de orde. De rechtbank wijst in dat verband met name op het volgende.
In de machtiging van 10 november 2012 is onder meer vermeld dat de proceskostenvergoedingen die in procedures worden toegekend, aan de gemachtigde toekomen op basis van “no cure-no pay”.
Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat eiser in verband met één verkeersboete 12 verzoeken om informatie heeft ingediend, waaronder het verzoek van 16 januari 2013 en daarbij meermaals om dezelfde informatie heeft gevraagd. Het onderhavige verzoek om informatie, de ingebrekestelling en het bezwaarschrift zijn blijkens de adressering daarvan aan een ander postbusnummer en/of faxnummer verzonden dan door verweerder in de correspondentie is vermeld.
De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde de bevoegdheid om informatieverzoeken in te dienen, bezwaar te maken en beroep in te stellen kennelijk met geen ander doel heeft gebruikt dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Derhalve is sprake van misbruik van recht.
2. Aan het voorgaande doet niet af dat het verzoek om informatie van 16 januari 2013 niet is aan te merken als een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Uit het verhandelde ter zitting volgt dat de gemachtigde het verzoek van 16 januari 2013 heeft bedoeld als Wob-verzoek, en dat hij ook ten tijde van het maken van bezwaar en het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, er van uitging dat het verzoek van 16 januari 2013 een Wob-verzoek was, zodat de conclusie is dat de gemachtigde bij al deze handelingen kennelijk geen ander doel heeft gehad dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Het ter zitting door eiser ingenomen standpunt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat hij inmiddels tot het inzicht is gekomen dat van een Wob-verzoek geen sprake is, laat onverlet dat eiser zonder redelijk doel de onderhavige procedure aanhangig heeft gemaakt. De onderhavige zaak is derhalve niet op één lijn te stellen met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014, ECLI::RVS:2014:4185, waar eiser ter zitting op heeft gewezen.
De door gemachtigde op verzoek van de rechtbank overgelegde machtiging van 25 juni 2014, waarin niet staat vermeld dat de proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet evenmin af aan het voorgaande, nu die machtiging dateert van na de bedoelde handelingen.
3. Het beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.