RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eisers], eisers
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 15/455
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. drs. C.R. Jansen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers, onder oplegging van een last onder dwangsom van € 25.000, gelast om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de recreatiewoning op het perceel [perceel] voor permanente bewoning te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 30 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2015. De gemachtigde van eisers is verschenen. Namens verweerder is mr. B. de Clonie MacLennan verschenen.
Overwegingen
1. Eisers zijn eigenaar van de op het recreatieterrein “[naam]” gelegen recreatiewoning.
2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat uit het door verweerder verrichte onderzoek is gebleken dat eisers in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “De zeven heuvelen e.o” (hierna: het bestemmingsplan) de recreatiewoning permanent bewonen.
3. Eisers betogen dat zij in de recreatiewoning niet hun hoofdverblijf hebben, en dat er daarom geen sprake is van permanente bewoning. Hiertoe voeren eisers aan dat zij in de GBA staan ingeschreven op het adres [adres], dat zij het grootste deel van het jaar in het buitenland verblijven en een zwervend bestaan leiden, in die zin dat zij niet beschikken over een hoofdverblijf. Dat blijkt volgens eisers onder meer uit een minder dan gemiddeld gebruik van gas- en elektra en uit stukken die het verblijf in het buitenland onderbouwen.
4. Het perceel van eisers is in het bestemmingsplan bestemd als “Recreatieve verblijfsdoeleinden”.
Ingevolge artikel 8.6.1. van de planregels is het verboden de in dit artikel bedoelde gronden en opstallen te gebruiken, te doen gebruiken of te laten gebruiken in strijd met de bestemming.
Ingevolge artikel 8.6.2. van de planregels wordt als strijdig gebruik in ieder geval beschouwd het gebruik van gronden en opstallen binnen deze bestemming ten behoeve van permanente bewoning.
Ingevolge artikel 1y van de planregels wordt onder permanente bewoning verstaan: het gebruiken van een gebouw als hoofdverblijf, zijnde de vaste woon- en verblijfplaats, waarbij de woning voor de bewoners het reële hoofdverblijf vormt en derhalve niet een adres is waar men tijdelijk recreatief verblijft.
5. Volgens het gemeentelijke “Handhavingsbeleid niet recreatief gebruiken van vakantiewoningen” is sprake van een overtreding en dus permanente bewoning indien:
6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 17 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY0358), ligt het op de weg van het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan om de voor het vermoeden dat sprake is van een overtreding van de planvoorschriften, vereiste feiten vast te stellen. Het is vervolgens aan de aangeschrevene om dit vermoeden, indien daartoe aanleiding bestaat, te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan dient de bestuursrechter in beginsel uit te gaan van de juistheid van de feiten zoals verweerder die heeft vastgesteld.
7. Verweerder heeft tussen 22 mei 2013 en 27 november 2013 controles uitgevoerd, waarbij de recreatiewoning een bewoonde indruk maakte en de auto van eisers meerdere malen op de oprit is aangetroffen. Eisers zijn tijdens deze controles echter niet persoonlijk aangetroffen. Enkel op grond hiervan kunnen geen conclusies worden getrokken over de permanente bewoning van de recreatiewoning.
8. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie onder meer de hiervoor aangehaalde uitspraak van 17 oktober 2012, is het feit dat personen op een ander adres dan dat van de recreatiewoning staan ingeschreven en op het adres, waar zij staan ingeschreven, niet over zelfstandige woonruimte beschikken, een aanwijzing dat zij hun recreatiewoning als hoofdverblijf gebruiken.
Vaststaat dat eisers in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) staan ingeschreven op het adres [adres]. Op dat adres zijn volgens de GBA tevens ingeschreven de zwager en schoonzus van[eiser]. In deze (tussen)woning staan derhalve twee gezinnen ingeschreven. Vast staat verder dat eisers de recreatiewoning voor het jaar 2012 bij de Belastingdienst hebben opgegeven ten behoeve van hypotheekrenteaftrek. Voorts vloeit uit de stukken en het behandelde ter zitting voort dat eisers verblijven in de recreatiewoning indien zij in Nederland zijn.
In dit kader verwijst de rechtbank voorts naar de uitspraak van 7 oktober 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ9471) waaruit kan worden afgeleid dat het feit dat eisers de recreatiewoning in aanmerking hebben gebracht voor hypotheekrenteaftrek bijdraagt aan het vermoeden dat de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt.
Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, een vermoeden op dat eisers op het adres [adres] niet over zelfstandige woonruimte beschikken en dat de recreatiewoning als hoofdverblijf in gebruik is.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder voldoende feiten heeft vastgesteld voor de conclusie dat de recreatiewoning aan te merken is als hoofdverblijf en dat er daardoor sprake is van permanente bewoning zoals opgenomen in artikel 1y van de planregels. Verweerder was daarom bevoegd om daartegen handhavend op te treden.
De rechtbank begrijpt het betoog van eisers dat zij een groot deel van het jaar in het buitenland verblijven en daardoor geen hoofdverblijf hebben zo, dat het handhavingsbeleid op eisers niet van toepassing is gelet op hun bijzondere situatie.
De rechtbank volgt dit betoog niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eisers bij hun verblijf in het buitenland op steeds wisselende locaties verblijven en dat eisers, indien zij in Nederland zijn, in de recreatiewoning verblijven.
De beroepsgrond faalt.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.