ECLI:NL:RBGEL:2015:6229

ECLI:NL:RBGEL:2015:6229, Rechtbank Gelderland, 13-10-2015, AWB - 15 _ 114

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 13-10-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 15 _ 114
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2016:7631
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

IB/PVV, afwaardering vordering

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 oktober 2015

[X] , te [Z] , eiser

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/114

in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.06) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.301. Tevens is bij beschikking € 2.307 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 november 2014 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 2 januari 2015, ontvangen door de rechtbank op 6 januari 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn zoon [A] . Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is 100% aandeelhouder van [B] B.V. welke B.V. 50% van de aandelen houdt in [C] B.V. [C] B.V. houdt 100% van de aandelen in [D] B.V.

2. [C] B.V. heeft per 30 juni 2009 een schuld aan [E] , de moeder van eiser (hierna: moeder).

3. Op 1 juli 2009 neemt eiser de helft van de schuld van [C] B.V. aan moeder over voor een bedrag van € 100.000. Dit bedrag wordt door eiser schuldig gebleven.

4. De resultaten en het vermogen van [C] B.V. in de jaren 2006 tot en met 2009 waren als volgt:

5. In het jaar 2009 zijn [D] B.V. als schuldenaar en [F] B.V. als schuldeiser een overeenkomst van krediet in rekening-courant ter hoogte van € 500.000 aangegaan.

6. In september van het jaar 2011 is [F] gestopt met voorfinanciering. In 2011 zijn [D] B.V. en [C] B.V. failliet verklaard.

Geschil

7. In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag tot een juist bedrag aan eiser is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of eiser de afwaardering van de vordering op [C] B.V. in aftrek kan brengen.

Beoordeling van het geschil

8. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer HR 17 mei 1950, B 8821, HR 16 januari 1974, BNB 1975/26, ECLI:NL:HR:1974:AX4567, HR 4 november 1981, BNB 1981/336, ECLI:NL:HR:1981:AW9752, en HR 22 juni 1994, BNB 1994/241, ECLI:NL:HR:1994:ZC5693) dient bij de waardering van een vordering per een bepaald tijdstip niet alleen rekening te worden gehouden met de waardebepalende omstandigheden die op dat moment aan de deelnemers aan het economische verkeer bekend zijn of kunnen zijn, maar ook met hetgeen na dat tijdstip bekend is geworden omtrent de destijds bestaande werkelijke toestand van de vordering. Vergelijkbare jurisprudentie is gewezen voor de waardering van andere vermogensbestanddelen in verband met de heffing van verschillende belastingen (onder meer HR 20 maart 1957, BNB 1957/152, ECLI:NL:HR:1957:AY1594 en HR 7 mei 1997, BNB 1997/268, ECLI:NL:HR:1997:AA2069).

9. Eiser heeft gesteld dat de reden voor de afwaardering van de vordering is gelegen in het stopzetten van de voorfinanciering door [F] en het faillissement van [D] B.V. en [C] B.V. Deze omstandigheden hebben zich eerst in 2011 voorgedaan, zodat er geen sprake is van een situatie zoals onder 8. genoemd. Dit heeft temeer te gelden nu ter zitting namens eiser is verklaard dat het faillissement van [D] B.V. en [C] B.V. in 2010 nog niet voorzienbaar was. Genoemde faillissementen kunnen derhalve geen reden zijn om de vordering af te waarderen.

10. Eiser heeft geen andere stellingen ingenomen die een afwaardering van de vordering rechtvaardigen.

11. Gelet op het vorenoverwogene is er geen reden tot afwaardering van de vordering in 2010. Het gelijk is aan verweerder. De overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling.

12. Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

13. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2016/0422 met annotatie van
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?