3. Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2015 tot en met 31 maart 2015, althans in de maand maart 2015, te Beuningen Gld, gemeente Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] stelselmatig/meerdere malen met kracht te stompen, te schoppen en/of (met enig voorwerp) tegen het hoofd en lichaam te slaan en/of stelselmatig/meerdere malen heftig mechanisch botsend geweld toe te passen op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] en/of de mond/neus van die [slachtoffer] af te dekken en/of samen/dicht te drukken en/of (aldus) de ademhaling van die [slachtoffer] te beletten en/of die [slachtoffer] te doen stikken en/of die [slachtoffer] te wurgen en/of heftig mechanisch omsnoerend geweld toe te passen op de hals van die [slachtoffer] en/of een of meerdere malen met een mes, althans met enig scherp voorwerp, in het lichaam en/of hoofd van die
[slachtoffer] te steken en/of te snijden.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair:
Doodslag
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is gelet op de inhoud van de rapportages over verdachte van mening dat hij door zijn waanstoornis volledig los stond van de realiteit en daarom geheel ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft hier op de zitting geen standpunt over ingenomen. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij geen waanstoornis of persoonlijkheidsstoornis heeft. Hij heeft ook geen psychose gehad, hij kan zich alles herinneren.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat verdachte het feit heeft begaan. De vraag is in hoeverre het feit aan verdachte kan worden toegerekend. In dat kader is verdachte door een psychiater en een klinisch psycholoog onderzocht. Zij hebben beiden rapportages opgesteld.
Uit de rapportages volgt dat verdachte lijdt aan een waanstoornis van het achtervolgingstype. De wanen waaraan verdachte lijdt hebben betrekking op situaties die zich in het leven werkelijk zouden kunnen voordoen (niet-bizar karakter). Verder lijdt verdachte aan afhankelijkheid van alcohol en een persoonlijkheidsstoornis (nao) met narcistische trekken. Verdachte heeft vanaf jonge leeftijd sterk de neiging tot externaliseren, hij heeft een gebrekkig inlevingsvermogen en hij is krenkbaar. Er is bij hem sprake van een duurzaam patroon van disfunctioneren op sociaal en maatschappelijk gebied, in wijze van interpreteren van zichzelf en anderen, en in de beheersing van zijn impulsen.
Uit de rapportages volgt dat de stoornissen aanwezig waren ten tijde van het plegen van het feit.
Dan doen zich, volgens de psychiater, drie mogelijke scenario’s voor. Het eerste scenario, dat verdachte onschuldig is, valt gelet op de bewezenverklaring af. Dan blijft over dat verdachte er doelbewust voor kiest te ontkennen dat hij [slachtoffer] heeft gedood, dan wel dat hij ten tijde van het plegen van het feit zodanig psychotisch is geweest dat hij zich niet meer kan herinneren dat hij [slachtoffer] heeft gedood. Dit laatste scenario wordt door de rapporteurs het meest waarschijnlijk geacht.
Gelet op alles wat hiervoor al over de psychische toestand van verdachte is overwogen, neemt de rechtbank deze conclusie over en neemt zij tot uitgangspunt dat het feit onder invloed van een psychose is gepleegd. Dat betekent dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit volledig losstond van de hem omringende realiteit en verkeerde in een waanwereld. Hij kon zijn gedragingen en gedragskeuzes niet meer in overeenstemming brengen met de realiteit en handelde vanuit zijn eigen, verdraaide wereld. Dat betekent volgens de deskundigen moet worden vastgesteld dat zijn gedragingen en gedragskeuzes volledig werden bepaald door deze psychose en verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was.
De rechtbank onderschrijft de conclusies van de rapporteurs en komt op basis hiervan tot het oordeel dat de doodslag verdachte wegens een ziekelijke stoornis niet kan worden toegerekend.
Verdachte is dan ook niet strafbaar, zodat de rechtbank verdachte voor de doodslag zal ontslaan van alle rechtsvervolging.
7. Overwegingen ten aanzien de maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte voor doodslag de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (verder: de maatregel van TBS) wordt opgelegd. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat gelet op de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte geen straf aan verdachte kan worden opgelegd. Nu er een gevaar voor herhaling bestaat, een langdurige behandeling noodzakelijk is en verdachte in verband met een gebrek aan ziekte-inzicht niet zal meewerken aan de maatregel van TBS met voorwaarden, is naar de mening van de officier van justitie alleen een maatregel van TBS met verpleging van overheidswege op zijn plaats.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft hierover geen standpunt ingenomen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:
- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 11 november 2015;
- een voorlichtingsrapportage van reclassering Novadic Kentron, gedateerd 22 mei 2015;
- een multidisciplinair gedragskundige triple rapport van H.L.C. Morre, psychiater, gedateerd 24 december 2015, B. van Giessen, klinisch psycholoog, gedateerd 18 december 2015 en S. te Lindert, forensisch milieuonderzoeker, gedateerd 14 december 2015;
- de aanvulling bij het psychologisch onderzoek in het kader van de triple rapportage van B. van Giessen, klinisch psycholoog, gedateerd 22 januari 2016.
Verdachte heeft vanuit een (langdurige) psychose zijn echtgenote [slachtoffer] gedood. Gedurende een tijdsperiode van weken heeft verdachte [slachtoffer] veelvuldig en ernstig mishandeld. [slachtoffer] had onder meer breuken van de ribben, aan het sleutelbeen en neusbeen. Haar gezicht was volledig beurs geslagen en bevatte scherprandige letsels. Op haar rug en linkerbeen is zij meermalen met een hard, staafvormig voorwerp geslagen, haar knie is met een scherp voorwerp geperforeerd en haar strottenhoofd is gespleten als gevolg van fors geweld op de hals. [slachtoffer] is overleden door bloedverlies en/of verstikking. Hoe dan ook, vaststaat dat [slachtoffer] op een gruwelijke wijze om het leven is gebracht en dat zij onmenselijk veel pijn moet hebben gehad voordat zij overleed. Niet alleen heeft verdachte zijn echtgenote het leven ontnomen, maar hij heeft ook haar familie onherstelbaar leed toegebracht. Uit wat namens de familie ter terechtzitting naar voren is gebracht blijkt van het grote verdriet dat zij hebben en de grote impact die het gemis op hun leven heeft.
Voor doodslag geldt als uitgangspunt een langdurige gevangenisstraf. In dit geval kan verdachte echter geen straf worden opgelegd. Vastgesteld is immers dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit onder invloed verkeerde van een psychose en daarom volledig ontoerekeningsvatbaar wordt geacht. De rechtbank kan wel bepalen dat er een maatregel zal worden opgelegd.
Gelet op de bij verdachte geconstateerde stoornissen ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of een maatregel van TBS met verpleging van overheidswege noodzakelijk is.
Gezien het strafmaximum van het bewezenverklaarde feit is dit mogelijk terwijl bij verdachte eveneens een stoornis is vastgesteld ten tijde van het delict (artikel 37a eerste lid Wetboek van Strafrecht). Uit de rapportages volgt dat van waanstoornissen bekend is dat deze moeilijk met medicijnen zijn te beïnvloeden. Bovendien heeft verdachte zijn stoornis niet onderkend en heeft hij bij herhaling te kennen gegeven dat hij geen medicijnen wenst te gebruiken. Bij verdachte is sprake van beperkt probleeminzicht, een ernstige en hardnekkige waanstoornis, overmatig alcoholgebruik, impulsiviteit, een hoge mate van agressie en weerstand, gebrekkige sociale vaardigheden en beperkte zelfredzaamheid. Het ontbreekt verdachte verder aan een adequaat sociaal netwerk en betaald werk. De psychiater verwacht dat verdachte opnieuw een partnerrelatie zal aangaan als hij vrij zou komen. Gezien dit alles concludeert de psychiater tot een hoge en de psycholoog tot een matig tot hoge recidivekans voor wat betreft geweldsdelicten.
Op grond van al dit voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank bij verdachte sprake van een groot herhalingsgevaar dat samenhangt met zijn psychiatrische problematiek. De rechtbank acht het niet verantwoord dat verdachte - zonder dat dit gevaar in belangrijke mate is weggenomen - terugkeert in de maatschappij. Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren, gezien de afwezigheid van enig inzicht in zijn stoornis en de ingeschatte kans op recidive, tot het aan verdachte opleggen van de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gezien de ernst van het feit, de ernst van de stoornis en het herhalingsgevaar, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling en de verpleging van overheidswege eist. Nu het bovendien gaat om een misdrijf dat een krenking is van de lichamelijke integriteit van een of meer personen zal de duur van de maatregel niet beperkt zijn.
Concluderend zal de rechtbank verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen.
Met betrekking tot beslag
De officier van justitie en de verdediging hebben hierover geen standpunt ingenomen.
De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen en nog niet teruggegeven balletjespistool dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Het balletjespistool behoort volgens opgave aan verdachte toe, is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit aangetroffen en kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.
Voor het overige overweegt de rechtbank dat nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, de teruggave met inachtneming van artikel 4:3 BW zal worden gelast van de overige na te melden voorwerpen aan de rechthebbende.
7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.658,57 met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in haar geheel kan worden toegewezen met vermeerdering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gelet op de bepleite vrijspraak verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.
Beoordeling door de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde doodslag tot € 3.658,57 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De kostenposten zijn door de verdediging inhoudelijk niet betwist. Nu de schadeposten naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende zijn onderbouwd dan wel redelijk voorkomen, is zij van oordeel dat deze schadeposten geen onevenredige belasting vormen voor het strafproces en de vordering in haar geheel kan worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 31 maart 2015.
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij. De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen. In verband met de aan verdachte op te leggen maatregel zal de rechtbank bevelen dat de vervangende hechtenis wordt beperkt tot één dag.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36d, 36f, 37a, 37b, 38e, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;
verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;
verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte voor het onder 1 primair ten laste gelegde van alle rechtsvervolging;
gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.
Voor het beslag:
beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 balletjespistool (goednummer: PL0600-2015156493-801311);
gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbende, te weten:
o 1 wandelstok (kenmerk B.001);
o 1 kruis (kenmerk B.002);
o 1 zak (kenmerk B.003);
o 47 dagboeken (kenmerken A.001 t/m A.009, A.01.01.005 en A01.001.006, A.01.06.003, A.03.0202.005 en A.03);
o 1 document betreffende de erfenis (kenmerk: A.01.02.001);
o 1 document betreffende medische info [slachtoffer] (kenmerk: A.01.05.003);
o 2 documenten betreffende verdachte (kenmerken: A.01.06.005, A.06.01.003 en A02.03.001);
o 1 golfclub (kenmerk: A.03.02.004);
o 1 stuks vuurwerk in plastic zak (kenmerk: A03.03.003);
o 1 rol en 3 vuilniszakken (kenmerken: A.04.01.001 en A05.01.001);
o 3 sokken (A.06.01.001,A.07.02.001 en A.06.02.001).
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde].
BIJLAGE Ι
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2015 tot en met 31 maart 2015, althans in de maand maart 2015, te Beuningen Gld, gemeente Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] stelselmatig/meerdere malen met kracht te stompen, te schoppen en/of (met enig voorwerp) tegen het hoofd en
lichaam te slaan en/of stelselmatig/meerdere malen heftig mechanisch botsend geweld toe te passen op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] en/of de mond/neus van die [slachtoffer] af te dekken en/of samen/dicht te drukken en/of (aldus) de ademhaling van die [slachtoffer] te beletten en/of die [slachtoffer] te doen stikken en/of die [slachtoffer] te wurgen en/of heftig mechanisch omsnoerend geweld toe te passen op de hals van die [slachtoffer] en/of een of meerdere malen met een mes, althans met enig scherp voorwerp, in het lichaam en/of hoofd van die
[slachtoffer] te steken en/of te snijden;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2015 tot en met 31 maart 2015, althans in de maand maart 2015, te Beuningen Gld, gemeente Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [slachtoffer] stelselmatig/meerdere malen met kracht te stompen, te schoppen en/of (met enig
voorwerp) tegen het hoofd en lichaam te slaan en/of stelselmatig/meerdere malen heftig mechanisch botsend geweld toe te passen op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] en/of de mond/neus van die [slachtoffer] af te dekken en/of samen/dicht te drukken en/of (aldus) de ademhaling van die [slachtoffer] te beletten en/of die [slachtoffer] te doen stikken en/of die [slachtoffer] te wurgen en/of heftig mechanisch omsnoerend geweld toe te passen op de hals van die [slachtoffer] en/of een of meerdere malen met een mes, althans met enig scherp voorwerp, in het
lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden, zulks terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.