RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 maart 2018
[X] , te [Z] , eiser,
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Rivierenland (BSR), verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 17/5703
in de zaak tussen
en
Procesverloop
Verweerder heeft krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) ter zake van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [A-straat 1] en [A-straat 2] te [Z] , per waardepeildatum 1 januari 2016, voor het kalenderjaar 2017, WOZ-beschikkingen genomen.
Eiser heeft tegen de WOZ-beschikkingen op 6 maart 2017 bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2017 de beschikkingen gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen bij brief van 20 oktober 2017, ontvangen door de rechtbank op 23 oktober 2017, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2018.
Eiser is verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .
Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Exemplaren daarvan zijn overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.
Overwegingen
Geschil
Feiten
5. In geschil is of de woning en de schuur als één onroerende zaak moeten worden aangemerkt in de zin van artikel 16, onder d, van de Wet WOZ.
6. Eiser wil graag dat sprake is van een samenstel van onroerende zaken. Dit heeft voor hem tot gevolg dat de opgewekte en afgenomen stroom met elkaar verrekend kunnen worden en hij geen energiebelasting hoeft te betalen. De samenstelling van de onroerende zaken is voor eiser de enige oplossing, omdat het voor hem niet mogelijk is een coöperatie te vormen om daarmee deel te nemen aan de zogenoemde Postcoderoos-regeling.
7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat naar de omstandigheden beoordeeld er geen sprake is van één onroerende zaak.
Beoordeling van het geschil
8. Artikel 16, aanhef en onder d, van de Wet WOZ luidt:
“Artikel 16
Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:
(…)
d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;”
9. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3060, het volgende overwogen:
“3.2. (…) Of derden een samenhang kunnen waarnemen kan weliswaar een belangrijke rol spelen bij de beoordeling of sprake is van een samenstel als bedoeld in artikel 16, lid 1, letter d, Wet WOZ, maar deze factor is niet als enige bepalend. Gelet op de tekst van deze bepaling dienen de omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking te worden genomen. Daartoe kunnen ook omstandigheden behoren die voor derden niet waarneembaar zijn.”
10. De rechtbank moet dus alle omstandigheden van het geval wegen. De omstandigheden zoals weergegeven bij de feiten, en met name de grote afstand tussen de woning en de schuur, wijzen er op dat in dit geval geen sprake is van een samenstel van de onroerende zaken. De enkele omstandigheid dat de zonnepanelen op het dak van de schuur stroom ten behoeve van de woning opwekken, is niet voldoende om tot een samenstel van de onroerende zaken te komen. Dit geldt temeer nu de stroom, die niet nodig is voor de schuur, eerst aan [A] wordt teruggeleverd om daarna via het stroomnet van [A] ten behoeve van de woning te worden gebruikt. In zoverre is het verband tussen de schuur en de woning alleen financieel van aard en is er voor het overige geen verschil met andere woningen die stroom van het net geleverd krijgen. De schuur en de woning behoren daardoor niet bij elkaar. Overige omstandigheden waardoor de schuur en de woning bij elkaar zouden horen, zijn er ook volgens eiser niet.
11. Niettemin zijn de stellingen van eiser sympathiek en beogen deze het klimaat en de duurzaamheid te bevorderen. De rechtbank ziet echter in de tekst van Wet WOZ en de jurisprudentie daarop geen mogelijkheid om aan het standpunt van eiser tegemoet te komen. Het is aan de wetgever om voor de ongunstige situatie van eiser desgewenst een oplossing te bieden.
12. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.