Meervoudige militaire kamer
Rechtbanknummer : 18/688
Datum zitting : 3 september 2018 en 1 oktober 2018
Uitspraak : 15 oktober 2018
Uitspraak van de meervoudige militaire kamer in de rechtbank Gelderland, op het te Arnhem op 3 september 2018 en 1 oktober 2018 ter openbare terechtzitting behandelde beroep van:
Ritmeester [gestrafte], hierna aangeduid als ‘gestrafte,’
registratienummer [nummer]
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
ten tijde van de verweten gedraging geplaatst bij het Defensie Inlichtingen en Veiligheid Instituut (DIVI) te ’t Harde,
waarbij de beslissing op beklag wordt bestreden.
Vertrouwensman: mr. B. Damen, advocaat te Maastricht (toegevoegd krachtens art. 92 Wet Militair
Tuchtrecht, hierna: WMT).
A. Verloop van de procedure
A.1. tuchtproces in eerste aanleg
Op 5 juni 2018 is door majoor [naam 1] (hierna: de rapporteur) een rapport ingediend bij de commandant (als tot straffen bevoegde meerdere) van gestrafte aangaande een gedraging van haar op 4 juni 2018. Vervolgens is door de commandant, majoor [naam 2] (hierna: de commandant), aan gestrafte op 11 juni 2018 een schriftelijke beschuldiging, genummerd 18/001, uitgereikt wegens schending van de gedragsregel als vermeld in artikel 15 WMT. De beschuldiging luidde: “De ritmeester [gestrafte] heeft in strijd met het gegeven dienstbevel gehandeld door zich om te kleden van militairtenue naar burgertenue terwijl dit uitdrukkelijk verboden is door haar militair meerdere.”
Hierop heeft gestrafte een verweerschrift ingediend. Op 13 juni 2018 vanaf 08:31 uur heeft het onderzoek plaatsgevonden. De uitspraak van de commandant (te weten schuldigverklaring en een geldboete van € 100,-) is op 13 juni 2018 te 14:00 uur aan gestrafte uitgereikt. Tegen deze uitspraak heeft gestrafte op 15 juni 2018 een beklagschrift ingediend. Gestrafte is tijdens het tuchtproces in eerste aanleg als vertrouwensman bijgestaan door kapitein [naam 3] (hierna: vertrouwensman [naam 3] ).
A.2. beklagprocedure
De beklagmeerdere, kolonel [naam 4] (hierna: de beklagmeerdere), heeft bepaald dat het onderzoek op beklag op 21 juni 2018 is aangevangen. Hij heeft op 27 en 28 juni 2018 diverse personen gehoord en hij heeft op 5 juli 2018 het beklag niet gegrond verklaard en deze beslissing voorzien van een uitgebreide motivering. De uitspraak op beklag is op diezelfde dag uitgereikt aan gestrafte. Gestrafte is tijdens de beklagprocedure als vertrouwensman bijgestaan door majoor [naam 5] (hierna: vertrouwensman [naam 5] ).
Gestrafte heeft op 8 juli 2018 tegen de uitspraak op beklag beroep ingediend bij de beklagmeerdere. Dit beroep is door de beklagmeerdere doorgestuurd naar de commandant en door hem ontvangen op 8 juli 2018. Het beroepschrift is overeenkomstig artikel 82 WMT door de commandant doorgezonden aan de militaire kamer.
A.3. procedure in beroep
Gestrafte heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat geen sprake is geweest van een dienstbevel. Daarnaast is zij het niet eens met de hoogte van de opgelegde straf.
Het beroep is op 3 september 2018 en op 1 oktober 2018 ter openbare zitting van de meervoudige militaire kamer behandeld. Gestrafte en haar vertrouwensman, mr. B. Damen, hebben het beroepschrift toegelicht. Op beide zittingsdagen zijn zowel gestrafte en haar vertrouwensman als de beklagmeerdere verschenen. Ter zitting van 3 september 2018 zijn de rapporteur en de inmiddels tot kapitein bevorderde [getuige 1] als getuigen gehoord. Op 18 september 2018 zijn, krachtens artikel 94 WMT, door de voorzitter van de militaire kamer en in aanwezigheid van de vertrouwensman als getuigen gehoord: ritmeester [getuige 2] en (door middel van videoverbinding met Curaçao) tweede-luitenant [getuige 3] .
Op 1 oktober 2018 heeft gestrafte het laatste woord gevoerd en is het onderzoek gesloten.
Gestrafte en haar vertrouwensman hebben ter terechtzitting aangevoerd dat, op grond van diverse gebreken, welke hieronder nader zullen worden besproken, gestrafte moet worden vrijgesproken.
Het openbaar ministerie heeft bij de behandeling van het beroep ter zitting zijn advies over de zaak kenbaar gemaakt aan de meervoudige militaire kamer en is van mening dat het tuchtproces op correcte wijze en binnen de gestelde termijnen is uitgevoerd, alsmede dat de in beklag bevestigde beslissing ook in beroep in stand dient te blijven.
De meervoudige militaire kamer heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter zitting in beroep.
B. De bevoegdheid van de meervoudige militaire kamer en de ontvankelijkheid van het beroep
De meervoudige militaire kamer in de arrondissementsrechtbank Gelderland is bevoegd van het beroep kennis te nemen. Het beroepschrift is op juiste wijze en tijdig ingediend. Gestrafte is ontvankelijk in haar beroep.
C. De beslissing op beklag, waartegen beroep is ingesteld
De door de commandant bewezen verklaarde gedraging ingevolge het straffenformulier luidt:
“Het negeren van een direct gegeven dienstbevel zoals omschreven in artikel 15 Wet Militair Tuchtrecht”.
In zijn gemotiveerde beslissing heeft de beklagmeerdere het beklag niet gegrond verklaard en de strafreden bevestigd. Daarbij heeft hij geconcludeerd dat dit een schending oplevert van de gedragsregel als beschreven in artikel 15 WMT (verkort weergegeven: het niet opvolgen van een dienstbevel).
Voorts heeft de beklagmeerdere de aan gestrafte opgelegde strafsoort en strafmaat gehandhaafd, te weten een geldboete van € 100,00.
D. Beoordeling door de militaire kamer
D.1. Tijdslijn
Voor een goede beoordeling van de zaak in zijn totale omvang acht de militaire kamer van belang allereerst in chronologische volgorde de relevante feiten en omstandigheden te vermelden, één en ander zoals uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Tot en met de beslissing van de commandant:
4 juni 2018: gestrafte bezoekt met haar DIVI-medeleerlingen het (NATO) ALLIED JOINT FORCE COMMAND in Brunssum. De rapporteur is conform het gestelde in de ‘DIVI order tijdelijke aard 08-2018’, daarbij aanwezig als begeleider. Uit deze order vloeit voort dat het werkbezoek in uniform DT-1 moet worden afgelegd. Voorafgaand aan het werkbezoek heeft gestrafte toestemming gekregen van de klassenoudste, (toen nog) eerste-luitenant [getuige 1] , om in burgertenue af te reizen naar Brunssum. Na het werkbezoek en vlak vóór vertrek vanuit Brunssum overlegt gestrafte met de klassenoudste en de chauffeur of zij zich kan omkleden van DT-1 naar burgertenue. Zij haalt vervolgens haar burgerkleding uit het voertuig waarmee zij naar het werkbezoek is gekomen. Onderweg naar het toilet, en voordat gestrafte zich daadwerkelijk heeft omgekleed van DT-1 naar burgertenue, komt zij de rapporteur tegen en worden er in het voorbijgaan woorden gewisseld.
Uiteindelijk is de vraag gerezen of de woorden die de rapporteur op dit moment heeft uitgesproken, een dienstbevel in de zin van artikel 125 MSr inhouden;
Vanaf indienen beklagschrift:
Vanaf instellen beroep bij de militaire kamer:
D.2. Termijn- en vormverzuimen
De militaire kamer overweegt allereerst dat de termijnen in de WMT nauw luisteren. Daaromtrent heeft de vertrouwensman ter zitting opgemerkt dat in strijd met het bepaalde in artikel 80c WMT de commandant niet ‘onverwijld’ de stukken naar de beklagmeerdere heeft gestuurd.
De militaire kamer overweegt dat het begrip ‘onverwijld’ weinig concreet is en derhalve ruimte laat om rekening te houden met de omstandigheden van het geval. In dit geval volgt uit de hierboven vermelde chronologische opsomming dat het beklagschrift op vrijdag 15 juni 2018 is ontvangen door de commandant en dat de commandant het beklagschrift met de stukken aan de beklagmeerdere heeft toegezonden op maandag 18 juni 2018. De militaire kamer is van oordeel dat aldus is voldaan aan het voorschrift van artikel 80c WMT.
De militaire kamer stelt vast dat alle termijnen op juiste wijze zijn nageleefd.
De militaire kamer dient te onderzoeken of de beslissing waartegen beroep is ingesteld, onderhevig is aan enig (ander) vormverzuim. Ingevolge artikel 97 WMT is immers vernietiging van die beslissing voorgeschreven, indien sprake is van schending van de termijnen van het tuchtproces in eerste aanleg en van de beklagprocedure, dan wel indien sprake is van enig ander vormverzuim waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte daardoor in haar verdediging is geschaad.
Door de vertrouwensman zijn ter zitting de volgende vormverzuimen aan de orde gesteld:
Ad 1).
Blijkens het bepaalde in hoofdstuk II, artikel 5.i, onder (14) van het Voorschrift toepassing militair straf- en tuchtrecht KL/KLu/KMAR, hoort de commandant de getuigen in het bijzijn van de beschuldigde en diens vertrouwensman. Er staat niet vermeld dat zij in afzonderlijke sessies moeten worden gehoord. Hoewel dit niet verboden is, merkt de militaire kamer op dat het horen van de getuigen tijdens de tuchtprocedure in aanwezigheid van de rapporteur niet de schoonheidsprijs verdient. Een dergelijke situatie dient zoveel mogelijk te worden vermeden, zelfs als dit niet rechtstreeks in strijd is met het hiervoor bedoelde Voorschrift. Tijdens de beklagprocedure zijn evenwel de getuigen (met uitzondering van adjudant [getuige 5] ) niet in elkaars bijzijn gehoord. Daarnaast heeft de gestrafte zowel in eerste aanleg als in beklag het recht gekregen de getuigen vragen te stellen. Naar het oordeel van de militaire kamer is de gestrafte dan ook niet in haar belangen geschaad.
Ad 2).
De militaire kamer stelt vast dat vertrouwensman [naam 3] de dag voorafgaand aan het rapport om 13:35 uur de bijlage bij het VRA-rapport tot straffen bevoegde meerdere heeft ontvangen en gezien op zijn telefoon. Niet is gebleken dat vertrouwensman [naam 3] deze stukken niet heeft kunnen doorzenden aan de gestrafte, terwijl daarvoor naar het oordeel van de militaire kamer ruimschoots tijd was. Daarnaast is niet gebleken dat gestrafte en de vertrouwensman bij aanvang van het rapport er op hebben gewezen dat zij de bijlage bij het VRA-rapport niet met elkaar hebben kunnen bespreken. Naar het oordeel van de militaire kamer is het de verantwoordelijkheid van de gestrafte om dit met haar vertrouwensman te regelen. Daarbij is van belang dat de bewuste bijlage erg kort was, terwijl het militair tuchtrecht naar diens aard een vorm van snelrecht betreft, zodat de commandant niet ambtshalve gehouden was tot het bieden van meer tijd aan gestrafte. Naar het oordeel van de militaire kamer is ten aanzien van dit punt dan ook niet sprake van een vormverzuim waardoor de gestrafte in haar belangen is geschaad.
Ad 3).
De militaire kamer merkt op dat uit de artikelen 80g en volgende van de WMT niet volgt dat de gespreksverslagen van de verhoren, die tijdens de beklagprocedure zijn afgenomen, moeten zijn voorzien van een tijdstip. De militaire kamer stelt vast dat eerst op 27 juni 2018 – op verzoek van de beklagmeerdere – het gespreksverslag betreffende het onderzoek in eerste aanleg door de commandant naar gestrafte is gemaild. Op dat moment was de beklagprocedure reeds aangevangen. De beklagmeerdere heeft echter bij aanvang van het gesprek met de gestrafte tweemaal aangeboden het gesprek te verzetten naar de daarop volgende week. Daarnaast heeft hij de mogelijkheid gegeven tot het nemen van een leespauze. Dit om gestrafte de mogelijkheid te bieden de stukken te kunnen bestuderen. Van beide mogelijkheden heeft de gestrafte geen gebruik willen maken. De beklagprocedure is pas op 5 juli 2018 geëindigd met de beslissing door de beklagmeerdere. Ook hieraan voorafgaand is gestrafte nog in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen over hetgeen in eerste aanleg aan de orde is geweest. Naar het oordeel van de militaire kamer is dan ook geen sprake is van een vormverzuim waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte in haar verdediging is geschaad.
Ad 4).
De militaire kamer stelt vast dat tijdens de beklagprocedure zowel de commandant als de rapporteur, op 27 juni 2018 door de beklagmeerdere zijn gehoord buiten aanwezigheid van de gestrafte en haar vertrouwensman. Dit is niet rechtstreeks in strijd met het gestelde in artikel 80l lid 2 WMT, hetgeen immers bepaalt dat de beklagmeerdere, door zijn tussenkomst, de gestrafte en de vertrouwensman in de gelegenheid moet stellen vragen te stellen aan de commandant, de getuigen en deskundigen. Echter, in het bepaalde in paragraaf 6640 van de Handleiding militair tuchtrecht wordt vermeld dat getuigen en/of deskundigen worden gehoord in aanwezigheid van de beschuldigde en, indien gekozen, de vertrouwensman. De militaire kamer is van oordeel dat dit – gelet op de inhoud van artikel 80l lid 2 WMT – in beginsel ook geldt ten aanzien van het horen van de rapporteur. Niet-naleving hiervan levert dan een vormverzuim op.
De beklagmeerdere heeft op 3 september 2018 ter zitting ook erkend dat dit niet goed is gegaan. En dat heeft hij de gestrafte al op 1 juli 2018 laten weten. Daarbij heeft hij de gestrafte twee opties aangeboden, te weten de desbetreffende gesprekken over te doen in haar aanwezigheid ofwel schriftelijke vragen van gestrafte te laten beantwoorden. Gestrafte heeft – klaarblijkelijk mede ingegeven door haar geplande vakantieverblijf in Frankrijk – de tweede optie geaccepteerd. Zij heeft op 3 juli 2018 via haar vertrouwensman per e-mail gereageerd en vragen aan de commandant ingediend, waarop de commandant per e-mail op 4 juli 2018 heeft geantwoord.
Naar het oordeel van de militaire kamer heeft de beklagmeerdere door tijdig te voorzien in de twee genoemde opties het ontstane vormverzuim in voldoende mate gecompenseerd. Nu gestrafte daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de haar geboden optie en zij op 4 juli 2018 antwoord heeft ontvangen, is de militaire kamer van oordeel dat zij door het vormverzuim niet in haar verdediging is geschaad.
Ad 5).
Krachtens artikel 80p lid 2 WMT luidt de beslissing van de beklagmeerdere:
In casu luidt de beslissing op het beklag van de gestrafte dat het beklag niet gegrond is, in welke beslissing inderdaad niet is voorzien bij het bepaalde in artikel 80p WMT.
De militaire kamer is gelet op de bewoordingen van de beklagmeerdere van oordeel dat de bedoeling van de beklagmeerdere, te weten de beslissing als bedoeld in artikel 80p, tweede lid onder a WMT, voor eenieder volstrekt duidelijk is. Dat geldt ook voor gestrafte, getuige haar beroep bij de militaire kamer. De militaire kamer kan deze beslissing, indien tot een bevestiging daarvan wordt gekomen, verbeteren overeenkomstig het bepaalde in artikel 96 WMT.
Ad 6).
In haar beklagschrift heeft de gestrafte de beklagmeerdere verzocht op grond van artikel 57 lid 2 WMT mr. B. Damen toe te laten als vertrouwensman. De beklagmeerdere heeft dit verzoek niet toegewezen.
Door de vertrouwensman van gestrafte is ter zitting aangevoerd dat in deze zaak grote belangen spelen. Er loopt immers een ontheffingsprocedure tegen de gestrafte en daarop kan deze zaak van grote invloed zijn.
Artikel 57 lid 1 WMT luidt als volgt:
“De vertrouwensman kan door de beschuldigde worden gekozen uit het militair en burgerpersoneel, in dienstbetrekking bij het departement van defensie en gelegerd of tewerkgesteld op hetzelfde schip, in dezelfde inrichting of kazerne, dan wel op dezelfde basis of bij hetzelfde onderdeel als de beschuldigde”.
In de Memorie van Toelichting valt te lezen dat deze bepaling tot doel heeft te bereiken dat de vertrouwensman bekend is met de werk- en leefsfeer waarbinnen de gedraging heeft plaatsgevonden en met de bijzondere positie van de beschuldigde.
Artikel 57 lid 2 WMT luidt als volgt:
“In bijzondere gevallen kan de commandant ook andere personen als vertrouwensman toelaten.”
Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat dit tweede lid voorziet in het geval dat, bijvoorbeeld bij kleine zelfstandige eenheden, de in het eerste lid bedoelde kring te klein is of dat een bijzondere zaak zich leent voor bijstand door iemand van buiten die kring en zelfs van buiten de krijgsmacht, bijvoorbeeld een advocaat. Ten tijde van de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de WMT is in het eindverslag geantwoord op de vraag hoe de regering stond tegenover de gedachte om een advocaat toe te laten in het tuchtproces:
“Die gedachten wijzen wij vooral om praktische redenen af. Dit zal leiden tot juridificering en daarmee tot complicering van het tuchtproces in eerste aanleg, met naar moet worden gevreesd aanmerkelijke vertragingen, die niet in verhouding staan tot de inzet van de procedure. Voorts is aan de uitvoering van die gedachte een kostenfactor verbonden die wij niet verantwoord achten.”
In reactie op een vergelijkbare vraag vanuit de Tweede Kamer werd dit standpunt herhaald:
“Ook thans kunnen bij de behandeling van tuchtzaken in eerste aanleg advocaten als vertrouwenslieden niet worden toegelaten. Wij achten het gewenst die mogelijkheid te beperken tot de behandeling in beroep.”
Gezien de hiervoor genoemde bedoeling van de wetgever is de militaire kamer van oordeel dat de beklagmeerdere in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de door gestrafte verzochte bijstand door een advocaat niet toe te laten. Het uitgangspunt is immers dat tot aan het beroep bij de militaire kamer geen advocaat wordt toegelaten, tenzij sprake is van een bijzondere zaak of van een situatie dat binnen de kring van de krijgsmacht niemand kan worden gevonden die de rol van vertrouwensman kan vervullen. In dit concrete geval is de militaire kamer van oordeel dat een mogelijke samenhang tussen deze tuchtzaak en een – kennelijk – op andere gronden gebaseerde procedure betreffende gestrafte niet kan worden aangemerkt als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 57 lid 2 WMT. Er is hierdoor dan ook geen sprake van een vormverzuim.
Ad 7).
De militaire kamer stelt vast dat de leerlingen van de VTO-klas, waartoe de gestrafte behoorde, volgens de DIVI-order tijdelijke aard 08-2018 op 4 juni 2018 om 17:00 uur zouden terugreizen naar de kazerne. Blijkens bijlage A bij het VRA rapport tot straffen bevoegde meerdere heeft de gedraging zich voorgedaan op 4 juni 2018 na afloop van het programma. De militaire kamer heeft geen concrete aanknopingspunten aangetroffen dat de verweten gedraging zich op één enkel tijdstip heeft voorgedaan. Het is redelijk ervan uit te gaan dat de bewoordingen van de rapporteur en de daarop volgende gedragingen van gestrafte gedurende enig tijdsverloop tussen 16:00 uur en 17:00 uur hebben plaatsgehad. Bovendien is voor alle betrokken partijen duidelijk om welke gedraging van de gestrafte het gaat. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat het benoemen van 17:00 uur als het tijdstip van de gedraging geen vormverzuim oplevert waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte in haar verdediging is geschaad.
Ambtshalve stelt de militaire kamer tenslotte vast dat de op het uitspraak-beklagformulier van 5 juli 2018 bewezen verklaarde gedraging onvoldoende concreet is geformuleerd, nu niet omschreven is welk dienstbevel is genegeerd. Dit betreft een omissie. Het besluit op beklag van 5 juli 2018 is echter voorzien van een uitgebreide motivering, zodat niet ter discussie staat welke gedragsregel, op basis van welke gedraging, de beklagmeerdere door de gestrafte geschonden acht. De militaire kamer kan deze omissie in het beklagformulier, indien tot een bevestiging van de beslissing wordt gekomen, verbeteren overeenkomstig het bepaalde in artikel 96 WMT.
E. De bewezenverklaring
De militaire kamer komt nu toe aan de behandeling van de door de vertrouwensman opgebrachte bezwaren die raken aan de bewezenverklaring.
Door de vertrouwensman zijn drie vragen opgeworpen:
De militaire kamer overweegt hieromtrent als volgt.
Ad 1).
Op grond van de in de beroepsfase door de rapporteur, ritmeester [getuige 2] en tweede-luitenant [getuige 3] onder ede afgelegde verklaringen komt de militaire kamer tot het oordeel dat de rapporteur voorafgaand aan het vertrek uit Brunssum tegen de gestrafte heeft gezegd dat zij zich niet mocht omkleden. De rapporteur heeft verklaard dat hij heeft gezegd dat gestrafte nog wel naar het toilet mocht gaan, maar zich niet mocht omkleden. Ritmeester [getuige 2] heeft verklaard dat hij met zoveel woorden heeft gehoord dat de rapporteur de gestrafte heeft gezegd dat zij zich niet mocht omkleden. Tweede-luitenant [getuige 3] heeft verklaard dat er een gesprek is geweest tussen de rapporteur en de gestrafte voorafgaand aan het vertrek uit Brunssum. Dat gesprek ging over de vraag of de gestrafte zich nu wel of niet mocht omkleden. Deze verklaringen ondersteunen naar het oordeel van de militaire kamer de verklaring van de rapporteur dat hij de gestrafte heeft gezegd dat zij wel naar het toilet mocht, maar zich niet mocht omkleden.
Dat de getuigen kapitein [getuige 1] , adjudant-onderofficier instructeur [getuige 5] en chauffeur [getuige 4] niet al deze woorden van de rapporteur hebben gehoord of zich niet kunnen herinneren dat dit zo is gezegd, doet aan het voorgaande niet af. Zij hebben immers niet verklaard dat de rapporteur niet heeft of kan hebben gezegd dat gestrafte zich niet mocht omkleden. Door de vertrouwensman wordt ook opgeworpen dat de rapporteur niet bevoegd was tot het geven van een bevel nu hij geen formele rol had die dag. Bij een bevel in de zin van een dienstbevel moet er sprake zijn van een militaire meerdere en mindere. De militaire kamer stelt vast dat reeds uit de rangen van rapporteur en gestrafte volgt dat er sprake is van een militaire meerdere-mindere verhouding. Bovendien is de rapporteur in de DIVI order tijdelijke aard aangewezen als begeleider voor de klas waarvan gestrafte deel uitmaakt tijdens onderhavige dienstreis.
Ad 2).
De gestrafte heeft tijdens de zitting verklaard dat zij wel heeft gehoord dat zij nog naar het toilet mocht. Zoals hiervoor overwogen, is de militaire kamer van oordeel dat deze woorden in één zinsnede zijn geuit met de woorden dat zij zich niet mocht omkleden. Bovendien overweegt de militaire kamer dat gestrafte blijkens het verslag van het rapport op 13 juni 2018 heeft verklaard dat er geen sprake was van een weigering dienstbevel, maar van een verkeerde uitvoering van de opdracht. Hieruit volgt dat de woorden van de rapporteur, die uitsluitend tot haar waren gericht, haar kennelijk wel bereikt hadden. De militaire kamer betrekt hier nog bij dat ritmeester [getuige 2] de woorden van de rapporteur zegt te hebben gehoord en dat de strekking ervan voor hem glashelder was. De militaire kamer gelooft dan ook niet dat gestrafte de woorden van de rapporteur niet heeft gehoord.
Ad 3).
Paragraaf 3431 van de Handleiding militair tuchtrecht vermeldt over ‘dienstbelang’ als bedoeld in artikel 125 MSr het volgende:
“Dat het bevel enig militair dienstbelang dient te betreffen slaat op de inhoud van het bevel. Het is ongewenst het opvolgen van dienstbevelen afhankelijk te doen zijn van het oordeel van de bevelsontvanger omtrent de doelmatigheid der bevelen, derhalve wordt de vraag of de uitvoering van het bevel doelmatig is buiten beschouwing gelaten. Enig militair dienstbelang dient ruim te worden geïnterpreteerd. Van enig militair dienstbelang is slechts geen sprake indien het bevel een zuiver particuliere aangelegenheid betreft. Het is voor de mindere niet altijd mogelijk om te beoordelen of het hem gegeven bevel al dan niet een militair dienstbelang betreft.
Voorbeeld: een meerdere geeft aan een mindere opdracht zijn koffer op te halen. Wanneer de opdracht gegeven wordt omdat de meerdere op het punt stond met vakantie te vertrekken is er slechts een particulier belang en geen militair dienstbelang aanwezig. Heeft de meerdere echter de koffer nodig omdat hij onverwachts is aangewezen voor een bepaalde dienst en geen tijd heeft om de koffer zelf op te halen, is er wel sprake van een militair dienstbelang.
In die gevallen waarbij twijfel kan bestaan over de vraag of er sprake is van enig militair dienstbelang, verdient het aanbeveling dat de meerdere bij het geven van het bevel aangeeft waaruit dit dienstbelang bestaat.”
De rapporteur heeft ter zitting verklaard dat hij als docent en als begeleider en hoogste in rang een verantwoordelijkheid en zorgplicht richting de cursisten had. Hij wilde voorkomen dat de cursisten niet op tijd terug zouden zijn door onnodig in een file te komen en daardoor minder aan hun avond zouden hebben. Hieruit volgt dat bij het uitspreken van het dienstbevel geen sprake is geweest van een zuivere particuliere aangelegenheid. Nu de doelmatigheid van het dienstbevel buiten beschouwing dient te worden gelaten, komt de militaire kamer tot het oordeel dat de aanwijzing van de rapporteur aan gestrafte enig militair dienstbelang heeft gediend. Derhalve was sprake van een dienstbevel van een meerdere aan een mindere.
Ten overvloede overweegt de militaire kamer hierbij nog dat niet ter beoordeling van gestrafte stond in welke hoedanigheid de rapporteur bij het werkbezoek aanwezig was.
De militaire kamer concludeert op grond van het vorenstaande dat gestrafte een haar op 4 juni 2018 gegeven dienstbevel niet heeft opgevolgd, hetgeen een schending van de gedragsregel als bedoeld in artikel 15 WMT oplevert.
Ten aanzien van de aan gestrafte opgelegde straf overweegt de militaire kamer als volgt.
De gestrafte heeft als officier een voorbeeldfunctie ten aanzien van anderen. Het niet opvolgen van het dienstbevel heeft in het zicht van een deel van de klasgenoten van gestrafte, in de openbaarheid, plaatsgevonden. Verder neemt de militaire kamer in aanmerking dat het belang van het hebben van een vertrouwensband (in latere functies) als inlichtingenofficier met collega’s groot is.
Tot slot overweegt de militaire kamer dat enerzijds wellicht van de meerdere had kunnen worden gevergd duidelijker te communiceren, maar dat anderzijds de houding die gestrafte heeft laten zien onaanvaardbaar is binnen de Krijgsmacht. Zij heeft immers gemeend zelf te kunnen bepalen of haar meerdere al dan niet enig militair dienstbelang heeft beoogd, terwijl zij zich bovendien ten onrechte een oordeel heeft veroorloofd omtrent de doelmatigheid van het haar gegeven bevel.
Oplegging van een geldboete van € 100,00 acht de militaire kamer dan ook in overeenstemming met de mate van verwijtbaarheid van gestrafte.
De militaire kamer zal dan ook de beslissing waartegen beroep is ingesteld bevestigen onder ambtshalve verbetering en aanvulling.
BESLISSING:
De meervoudige militaire kamer, rechtdoende in beroep:
verklaart zich bevoegd kennis te nemen van het beroep.
verklaart het beroep ontvankelijk.
bevestigt de beslissing waartegen beroep is ingesteld, met de navolgende verbeteringen en aanvullingen ten aanzien van de bewezenverklaring en het beklagformulier:
bewezenverklaring:
“De Ritmeester [gestrafte] heeft in strijd met het gegeven dienstbevel gehandeld door zich om te kleden van militairtenue naar burgertenue terwijl dit uitdrukkelijk verboden is door haar militair meerdere op 4 juni 2018, tussen 16:00 en 17:00 uur”;
uitspraak op het beklagformulier:
“bevestiging van de bestreden beslissing”.
Deze beslissing ingevolge de Wet Militair Tuchtrecht is gegeven door:
mr. P.C. Quak (voorzitter) en mr. G.W.B. Heijmans, rechters, en kolonel mr. H.C.M. Snellen, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de militaire kamer op 15 oktober 2018,
zijnde de voorzitter buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.