ECLI:NL:RBGEL:2018:954

ECLI:NL:RBGEL:2018:954, Rechtbank Gelderland, 19-02-2018, 17/1158

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 19-02-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/1158
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
30 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001869 BWBR0001903 BWBR0002221 BWBR0002368 BWBR0003823 BWBR0004302 BWBR0004788 BWBR0005181 BWBR0005416 BWBR0005537 BWBR0007795 BWBR0008690 BWBR0008765 BWBR0009398 BWBR0009709 BWBR0009955 BWBR0010095 BWBR0010171 BWBR0010172 BWBR0010424 BWBR0010496 BWBR0011558 BWBR0011708 BWBR0011756 BWBR0012647 BWBR0015703 BWBR0019341 BWBR0023466 BWBR0030461 BWBR0033498

Samenvatting

Militair tuchtappèl ingevolge art. 81 Wet Militair Tuchtrecht (WMT): bevestiging beslissing beklagmeerdere met verbetering/aanvulling daarvan wegens schending van de gedragsregel ex artikel 29 WMT (wanordelijkheden veroorzaken of deelnemen daaraan). De Militaire Kamer in de rechtbank Gelderland behandelt strafzaken, waar ook ter wereld begaan, waarvan Nederlandse militairen verdacht worden. Daarnaast is de Militaire Kamer de hoogste beroepsinstantie voor militaire tuchtzaken. Op 19 februari 2018 heeft de Militaire Kamer uitspraak gedaan in een tuchtzaak betreffende een korporaal van de Landmacht. Bewezen is verklaard dat hij onbevoegde handelingen heeft verricht waardoor de Griekse vlag gedeeltelijk is gestreken tijdens een oefening op Kreta, waartegen de Griekse autoriteiten onmiddellijk hebben geprotesteerd. Geen situatie als bedoeld in art. 78 of 79 WMT, zodat de commandant bevoegdheid toekwam. Weliswaar sprake van enkele vormverzuimen, maar niet van dien aard dat de gestrafte daardoor in zijn verdediging is geschaad (art. 97 WMT). Begrip ‘vooronderzoek’ (art. 61 WMT) en verschil tussen ‘eigen waarneming van de commandant’ en ‘eigen waarneming van de commandant tijdens het onderzoek’ (art. 71 WMT). Gelegenheid tot vragen stellen aan getuigen (artt. 68 en 80l WMT). Ontbrekende camerabeelden gecompenseerd door horen getuigen ter zitting, leidend tot de overtuiging dat de gestrafte handelingen heeft verricht waardoor de Griekse vlag gedeeltelijk is gestreken. Dit moet worden aangemerkt als het veroorzaken van wanordelijkheden in de zin van art. 29 WMT. Overwegingen omtrent de ernst van het feit, leidend tot de conclusie dat de opgelegde straf passend is. Omdat de Militaire Kamer van oordeel is dat de bewezenverklaring door de beklagmeerdere duidelijker omschreven had moeten worden, luidt de uitspraak: bevestiging van de beslissing waartegen beroep is ingesteld met verbetering en aanvulling daarvan (art. 96 WMT).

Uitspraak

2. Vormverzuimen.

De militaire kamer dient nu de bevoegdheid van de commandant is vastgesteld, al dan niet ambtshalve, te onderzoeken of de beslissing waartegen beroep is ingesteld, onderhevig is aan enig vormverzuim. Ingevolge artikel 97 WMT is immers vernietiging van die beslissing voorgeschreven, indien sprake is van schending van de termijnen van het tuchtproces in eerste aanleg en van de beklagprocedure, dan wel indien sprake is van enig vormverzuim waardoor de gestrafte in zijn verdediging is geschaad.

De militaire kamer stelt vast dat alle termijnen, die in de WMT nauw luisteren, op juiste wijze zijn nageleefd.

Door de vertrouwensman zijn de volgende vormverzuimen aan de orde gesteld:

a. Gestrafte heeft voorafgaand aan de hoorzittingen op 31 oktober 2017 en 2 november 2017 geen inzage gehad in de op de zaak betrekking hebbende stukken, zoals bedoeld in artikel 62 WMT;

b. De gestrafte is niet in de gelegenheid gesteld de getuigen vragen te stellen, zoals bedoeld in artikel 68 tweede lid WMT;

c. Er is op het straffenformulier onterecht ingevuld dat er sprake is geweest van een vooronderzoek;

d. Er zijn onjuistheden opgenomen zowel in het verslag van de hoorzitting, alsmede in het straffen- of beklagformulier.

De militaire kamer overweegt ten aanzien van hetgeen door de vertrouwensman betreffende de vormverzuimen naar voren is gebracht als volgt:

Ad. a. De militaire kamer is van oordeel dat dit verzuim tijdens de beklagprocedure is hersteld. Door gestrafte is immers ter zitting aangegeven dat tijdens, of voorafgaand aan, de beklagprocedure, de stukken zijn ingezien;

Ad. b. De militaire kamer deelt dit standpunt niet. Voorafgaand aan de hoorzitting op 31 oktober 2017 heeft de gestrafte op het in te leveren strookje op de vraag of hij bepaalde personen (getuigen) wil horen noch ja noch neen ingevuld/doorgehaald. Bij aanvang van het tuchtproces op 31 oktober 2017 heeft de commandant de procedure uitgelegd en de beschuldigden (waaronder gestrafte) op hun rechten gewezen. Daarbij heeft hij aangegeven dat de twee andere beschuldigden; [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , ieder afzonderlijk, hebben aangegeven dat zij (een) getuige(n) wilden horen. Gestrafte heeft toen niet alsnog aangegeven deze of andere getuigen (ook) te willen horen. Ter zitting heeft gestrafte verklaard dat hij wist dat er door de anderen getuigen waren opgeroepen en dat hij de vraag op het oproepformulier, of hij getuigen wilde horen, kennelijk niet goed begrepen heeft en dacht dat hij zou moeten aangeven of hij nog andere dan de door de medebeschuldigden opgeroepen getuigen wilde horen. Dat de gestrafte kennelijk het in te vullen formulier verkeerd heeft begrepen, maakt niet dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om getuigen te (doen) horen. Dit temeer omdat gestrafte tijdens de beklagprocedure uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij geen personen wil horen, door op het in te leveren strookje “ja” door te strepen. Hiermee heeft gestrafte een nieuwe mogelijkheid om getuigen zelf te horen bewust niet genomen;

Ad. c. De militaire kamer stelt vast dat het tuchtproces is aangevangen met de uitreiking van de beschuldiging welke uitreiking eerst op 26 oktober 2017 heeft plaatsgevonden. Uit artikel 61 volgt dat eerst na aanvang van het tuchtproces, ter voorbereiding van het eigenlijke onderzoek, een vooronderzoek kan plaatsvinden. Het door de commandant in Griekenland op 8 oktober 2017 gehouden onderzoek is derhalve geen vooronderzoek in de zin van de WMT en had niet als zodanig vermeld mogen worden op het straffenformulier. De militaire kamer is echter van oordeel dat de verdachte hierdoor niet in zijn belangen is geschaad, en zal hieraan dan ook geen gevolgen verbinden;

Ad. d. De militaire kamer overweegt dat deze onjuistheden slordigheden ten aanzien van ondergeschikte punten betreffen, zoals een verschrijving van “18” in plaats van “17”, waardoor gestraft niet in zijn belangen is geschaad. De militaire kamer zal hieraan dan ook geen gevolgen verbinden.

3. Bewijsmiddelen

Alvorens de militaire kamer inhoudelijk oordeelt over de bewezenverklaring zelf, zal zij ingaan op enkele door de vertrouwensman gemaakte en zoals hieronder weergegeven opmerkingen over de bewijsmiddelen.

a. Getuigenverklaringen zijn na het doen van de uitspraak vastgelegd. Gestrafte heeft deze niet in kunnen zien en bovendien zijn de verklaringen bijna identiek aan elkaar. Daarenboven is het verslag van de hoorzitting pas uitgereikt na het doen van de uitspraak. Dit had door de beklagmeerdere moeten worden opgemerkt en had tot vrijspraak moeten leiden.

b. Hetgeen de majoor [naam 1] op 8 oktober 2017 op de beelden heeft gezien is niet aan te merken als een eigen waarneming van de commandant, zoals bedoeld in artikel 70 onder a van de WMT, maar een eigen waarneming van de commandant tijdens het onderzoek, zoals bedoeld onder b van dat artikel.

c. De verklaring van de kapitein [naam 2] is geen verklaring van een militair die belast is met toezicht op orde en discipline, als bedoeld in artikel 71 onder b van de WMT, en dit is derhalve onjuist ingevuld bij de bewijsmiddelen op het straffenformulier.

d. Van een herkenning op de beelden kan geen sprake zijn nu deze, zo blijkt uit de afgelegde getuigenverklaringen ter zitting, slecht van kwaliteit waren. Bovendien blijkt alleen al uit het enkele uren kijken naar beelden van hooguit enkele minuten, dat die beelden van slechte kwaliteit waren.

e. De onschuld van de gestrafte kan, wegens het ontbreken van de camerabeelden, nu niet aangetoond worden.

De militaire kamer overweegt ten aanzien van wat door de vertrouwensman over de bewijsmiddelen naar voren is gebracht als volgt:

Ad. a. De militaire kamer gaat er vanuit dat door de vertrouwensman met ‘getuigenverklaringen’ gedoeld wordt op de zich bij de stukken bevindende gezamenlijke verklaring van de kapiteins [naam 2] en [naam 3] en die van de majoor [naam 1] . Alleen de verklaring van majoor [naam 1] is voorzien van een datum en wel 2 november 2017. Indien sprake is van een vooronderzoek dienen verklaringen van de personen als bedoeld in artikel 61 leden 1 en 2 WMT (tijdens het vooronderzoek) schriftelijk te worden vastgelegd. Zoals hiervoor is overwogen, is van een vooronderzoek in dit geval geen sprake geweest. Tijdens het onderzoek op rapport zijn door de commandant diverse personen gehoord, waaronder de kapitein [naam 2] . Dat er in het dossier ook nog een schriftelijk verklaring is opgenomen was niet noodzakelijk geweest. Datzelfde geldt vanzelfsprekend eveneens voor het geschrift van de commandant zelf. Daar komt bij dat gestrafte en zijn vertrouwensman tijdens het tuchtproces in beklag alle stukken wel hebben kunnen inzien. Het feit dat de hiervoor genoemde verklaringen op elkaar lijken en zelfs nagenoeg identiek zijn doet naar het oordeel van de militaire kamer niet af aan de waarneming van betrokkenen. Dat het verslag van de hoorzitting nog niet gereed was voor de uitspraak werd uitgereikt, acht de militaire kamer welhaast evident gezien de korte tijd die er (doorgaans) zit tussen het einde van het onderzoek op rapport en het uitreiken van de uitspraak. Gestrafte is door al het bovengenoemde niet in zijn verdediging geschaad, waardoor vrijspraak niet aan de orde is.

Ad. b. Zoals terecht door de vertrouwensman is opgemerkt, is er geen sprake geweest van een vooronderzoek en is het tuchtproces eerst aangevangen op 26 oktober 2017. De commandant heeft, weliswaar niet op het moment van de gedraging, in de nacht van 7 op 8 oktober 2017 tussen 2.45 uur en 3.00 uur, de waarneming gedaan, maar heeft op 8 oktober 2017 wel de camerabeelden die het voorval op datum en tijd op beeld hebben vastgelegd, bekeken. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat er sprake is van een eigen waarneming van de commandant. Nu deze waarneming is gedaan voorafgaande aan het onderzoek, kan er geen sprake zijn van een eigen waarneming tijdens het onderzoek.

Ad. c. De militaire kamer stelt vast dat er inderdaad op het straffenformulier is ingevuld dat er een schriftelijke verklaring van een militair of andere ambtenaar belast met toezicht op de orde en discipline aanwezig is. Voor de militaire kamer staat niet vast of dat de verklaring is van de kapitein [naam 2] zoals de vertrouwensman heeft gesteld. Het zou ook de verklaring van de majoor [naam 1] of die van de opperwachtmeester [naam 4] kunnen zijn. Artikel 71 WMT heeft als doel om ingeval er geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn, een dergelijke verklaring zodanig kracht van bewijs te geven dat deze – zelfstandig - kan volstaan voor een bewezenverklaring. In het onderhavige geval zijn er diverse bewijsmiddelen voorhanden. Hierdoor is de bijzondere bewijskracht niet noodzakelijk en kan in het midden blijven of de kapitein, of iemand anders nu wel of niet met handhaving van de orde was belast.

Ad. d. De militaire kamer overweegt hieromtrent als volgt.

De getuigen die de beelden hebben bekeken bevestigen dat deze niet van de beste kwaliteit waren. Wel wordt door de getuigen onderscheid gemaakt tussen de camerabeelden gericht op de ingang van het militair complex en de beelden gericht op de vlag. Wanneer de beelden van beide camera’s naast elkaar bekeken worden, aldus de getuigen, zijn de personen te zien, lopend van het ene beeld in het andere beeld. Dat majoor [naam 1] , zoals hij verklaart, enkele uren naar de beelden heeft gekeken en deze frame voor frame heeft bekeken, wil niet zeggen dat geen herkenning heeft kunnen plaatsvinden, maar geeft meer de zorgvuldigheid van de commandant aan. De KMar heeft, zoals ter zitting is verklaard door majoor [naam 1] , in eerste instantie tot twee maal toe verkeerde personen aangewezen als zijnde de daders. Majoor [naam 1] wilde blijkbaar elk geval van twijfel uitsluiten. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn de getuigen doorgevraagd tot op detail over hun waarnemingen. Daaruit is gebleken dat, hoewel zij allen tot dezelfde conclusie komen, er wel degelijk nuance verschillen in hun waarneming zijn die er op duiden dat het eigen waarnemingen zijn en geen afgestemde verklaringen. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat de herkenning, door meerdere getuigen, als betrouwbaar gezien kan worden.

Ad. e. Met de vertrouwensman is de militaire kamer van oordeel dat het te betreuren is dat de Griekse autoriteiten de beelden niet hebben willen afstaan ondanks meerdere pogingen daartoe. Dit laat echter onverlet dat uit de getuigenverklaringen een duidelijke en gemotiveerde herkenning van onder meer de gestrafte, die als enige van het drietal een wit T-shirt droeg, heeft plaatsgevonden, welke herkenning, zoals hiervoor opgemerkt, door de militaire kamer als betrouwbaar wordt gezien.

Ten overvloede merkt de militaire kamer op dat het handelen van de commandant op 8 oktober 2017 aangeeft dat juist uiterst zorgvuldig om is gegaan met de ontstane consternatie. Toen de majoor [naam 1] helder had dat de door de KMar aangedragen personen niet de daders waren, heeft hij zelf samen met anderen, de beelden bekeken en na gedegen onderzoek van die beelden en het stellen van vragen aan de uiteindelijk beschuldigden, waargenomen dat de personen die handelingen verrichtten bij de vlaggenmast: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de [gestrafte] waren. Uit de reactie van de Griekse autoriteiten bleek dat (ook) in Griekenland zwaar getild wordt aan het onbevoegd neerhalen van de nationale vlag. Omdat alles er op wees dat de Griekse autoriteiten de mogelijke daders vast wilden zetten of in ieder geval mee wilden nemen, heeft de majoor [naam 1] besloten om de beelden niet meer aan beschuldigden te laten zien en hen zo spoedig mogelijk naar Nederland terug te sturen.

4. Bewezenverklaring

‘Het verrichten van / of het getuige zijn van, handelingen aan de Griekse vlag op het Cantonment Area (Kreta, Griekenland) door personeel van 13 Luverdbt in de nacht van 7 op 8 oktober 2017 tussen 2.45 uur en 3.00 uur.’;

De militaire kamer komt nu toe aan de behandeling van de door de vertrouwensman opgebrachte bezwaren die raken aan de bewezenverklaring.

Door de vertrouwensman is gesteld dat de beschuldiging onvoldoende feitelijk is want:

a. Niet duidelijk is waarvan gestrafte nu precies beschuldigd wordt. De beschuldiging luidt immers:

b. De in de beschuldiging omschreven handeling wordt bewezen verklaard maar er wordt niet wordt aangegeven “wat” bewezen is: het “verrichten van” of “getuige zijn van” handelingen aan de Griekse vlag;

c. Niet wordt aangegeven wat nu de in artikel 29 WMT bedoelde wanordelijkheid is geweest. Gelet hierop is, aldus gestrafte en de vertrouwensman, de beschuldiging onvoldoende feitelijk.

De militaire kamer overweegt hierover als volgt:

Ad. a. Het tuchtproces is parallel verlopen met drie beschuldigden: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [gestrafte] . De beschuldigingen waren voor alle drie identiek. Bij alle drie is zowel het handelingen verrichten zelf als ook het getuige zijn daarvan opgenomen. In artikel 52 WMT wordt beschreven wat er in een beschuldiging moet worden vermeld. Dit is onder andere de omschrijving van een of meer gedragingen die vermoedelijk een schending van een gedragsregel inhouden met vermelding van feiten en omstandigheden waarop dat vermoeden gegrond is. Het gaat hier om de beschuldiging en nog niet om het uiteindelijk bewezenverklaarde. Naar het oordeel van de militaire kamer voldoet de beschuldiging aan die in artikel 52 WMT gestelde eisen. Daar komt bij dat gestrafte noch tijdens het onderzoek op rapport, noch tijdens de beklagprocedure, noch tijdens het onderzoek op beroep te kennen heeft gegeven niet te begrijpen welke beschuldiging er tegen hem lag;

Ad. b. Door de commandant is op het straffenformulier aangegeven dat de bewezen verklaarde gedragingen dezelfde zijn als die op de beschuldiging zijn vermeld. Met de gestrafte en de vertrouwensman is de militaire kamer van oordeel dat dit concreter geduid had moeten worden. Aan het einde van het tuchtproces was het immers voor de commandant duidelijk wie welke rol heeft gehad. De commandant had in dit geval duidelijker moeten aangeven wat er ten aanzien van gestrafte nu precies bewezen wordt verklaard;

Ad. c. ten aanzien van de wanordelijkheden is de militaire kamer van oordeel dat deze bij gestrafte bekend waren. Ter zitting heeft gestrafte verklaard dat hij en de andere beschuldigden, de dag na het voorval naar Nederland zijn teruggezonden, mede ter voorkoming van gevangenneming en vervolging door de Griekse autoriteiten. Dit duidt minst genomen op het feit dat het handelen van beschuldigden de nodige consternatie en wanordelijkheden bij de Grieken tot gevolg heeft gehad.

De militaire kamer is van oordeel dat weliswaar de beschuldiging voldoet aan de wettelijke vereisten, maar dat de bewezenverklaring enige aanvulling behoeft.

Nu de militaire kamer van oordeel is dat alle overige bezwaren zijn behandeld, zal ingegaan worden op het feit dat verdachte ontkent de hem verweten gedraging te hebben begaan.

Uit de verklaringen van de ter terechtzitting gehoorde getuigen volgt het navolgende:

Dit wordt naar het oordeel van de militaire kamer ook bevestigd door de eigen verklaring van gestrafte die: tijd en plaats niet ontkent, bevestigt dat hij samen met kanonnier 1 [medeverdachte 2] en korporaal 1 [medeverdachte 1] het militair terrein is opgelopen, als enige een wit T-shirt droeg en dat zij gedrieën bij de Griekse vlag hebben gestaan.

Op grond van het voorgaande heeft de militaire kamer, door de inhoud van de bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging van gestrafte heeft plaatsgevonden en wel dat gestrafte in de nacht van 7 op 8 oktober 2017 op Kreta onbevoegde handelingen aan de Griekse vlag heeft verricht waardoor de Griekse vlag gedeeltelijk is gestreken. Dit gebeurde onder het oog van de Griekse wacht en in aanwezigheid van Nederlandse collega’s. De Griekse autoriteiten hebben hiertegen onmiddellijk geprotesteerd. Dergelijk gedrag moet worden aangemerkt als wanordelijkheden in de zin van artikel 29 WMT.

Ten aanzien van de straf die gestrafte daarvoor dient te worden opgelegd, overweegt de militaire kamer als volgt.

De nationale vlag is voor elk land een belangrijk symbool en het onderhavige gedrag van gestrafte kon dan ook zonder meer door de Griekse (militaire) autoriteiten als grievend worden ervaren. Gestrafte heeft door zijn gedrag een internationaal incident geriskeerd en hij heeft bewerkstelligd dat de Nederlandse militaire autoriteiten door de Griekse autoriteiten ter verantwoording zijn geroepen.

Door zijn handelen heeft gestrafte blijk gegeven van een zorgwekkend gebrek aan respect voor internationale verhoudingen in het algemeen en voor de belangen van de Griekse en Nederlandse krijgsmachten in het bijzonder. Oplegging van een geldboete van € 250,00 acht de militaire kamer dan ook in overeenstemming met de mate van verwijtbaarheid van gestrafte.

De militaire kamer zal dan ook de beslissing waartegen beroep is ingesteld onder ambtshalve verbetering en aanvulling bevestigen

BESLISSING:

De meervoudige militaire kamer, rechtdoende in beroep:

 Verklaart zich bevoegd kennis te nemen van het beroep.

 Verklaart het beroep ontvankelijk.

 Bevestigt de beslissing waartegen beroep is ingesteld met de navolgende verbeteringen en aanvullingen ten aanzien van de bewezenverklaring:

Het verrichten van onbevoegde handelingen aan de Griekse vlag op het Cantonment Area (Kreta, Griekenland) in de nacht van 7 op 8 oktober 2017, tussen 02.45 en 03.00 uur, waardoor deze vlag gedeeltelijk is gestreken.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. J.B.J. Driessen, rechter en kolonel mr. H.C.M. Snellen, militair lid, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

de Militaire Kamer op 19 februari 2018, zijnde mr. Quak buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.B.J. Driessen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?