RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 maart 2018
[X] , te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummers: AWB 17/2027, AWB 17/2028 en AWB 17/2029
in de zaken tussen
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
Procesverloop
Eiseres heeft op 30 januari 2014 de verschuldigde omzetbelasting over het vierde kwartaal 2013 (zaaknummer AWB 17/2027) voldaan, op 22 april 2014 de verschuldigde omzetbelasting over het eerste kwartaal 2014 (zaaknummer 17/2028) en op 21 juli 2014 de verschuldigde omzetbelasting over het tweede kwartaal 2014 (zaaknummer 17/2029).
Op 23 november 2016, ontvangen door verweerder op 24 november 2016, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen deze voldoeningen van omzetbelasting op aangifte.
Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 7 maart 2017 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft de bezwaarschriften aangemerkt als verzoeken om ambtshalve teruggaven en heeft deze verzoeken afgewezen.
Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar op 13 april 2017 digitaal beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [A] en [B] .
Overwegingen
Feiten
Beoordeling van het geschil
9. Eiseres heeft ter zitting overtuigend verklaard dat zij echt dacht dat zij geen bezwaar meer hoefde te maken. Zodra bleek dat dit toch nodig was, heeft zij dit alsnog direct gedaan. De rechtbank zal op basis daarvan beoordelen of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb.
10. Eiseres heeft op 17 juni 2013 bezwaar gemaakt tegen toekomstige tijdvakken. Dit bezwaarschrift heeft eiseres ontleend aan een voorbeeld dat zij van de VvH heeft ontvangen. Verweerder was met de VvH in onderhandeling over een vaststellingsovereenkomst waarin is bepaald dat de VvH geen bezwaren hoefde in te dienen tegen tijdvakken die eindigen na de datum van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. Eiseres was bij de vaststellingsovereenkomst aangesloten. Op het bezwaarschrift van 17 juni 2013 heeft eiseres geen reactie van verweerder gekregen. Gelet op deze omstandigheden mocht eiseres er vanuit gaan dat zij niet voor elk kwartaal apart bezwaar moest maken na de voldoening op aangifte. Daaraan doet niet af dat de brief van 17 juni 2013 premature bezwaarschriften bevatte en dat bij gebreke van voldoening op aangifte geen bezwaar kan worden gemaakt tegen toekomstige tijdvakken (zie Hoge Raad van 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BG5375). Toen eiseres bij brief van 14 november 2016 van verweerder vernam dat hij er van uitging dat over drie kwartalen geen bezwaar was gemaakt, heeft zij dit onmiddellijk in haar brief van 23 november 2016 alsnog gedaan. Onder deze omstandigheden is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dit betekent dat niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren over het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en tweede kwartaal van 2014 achterwege had moeten blijven.
11. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat eiseres zich professioneel heeft laten bijstaan. De kennis van de gemachtigde over de bezwaartermijn en dat geen bezwaar kan worden gemaakt tegen toekomstige tijdvakken kan volgens verweerder worden toegerekend aan eiseres (waarbij hij verwijst naar Hoge Raad van 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3441). Een situatie van toerekening van kennis van de gemachtigde aan eiseres doet zich naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet voor. Zowel eiseres als de gemachtigde mochten er gezien de omstandigheden vanuit gaan dat reeds op voorhand geldig bezwaar was gemaakt over de in geschil zijnde kwartalen en dat geen aparte bezwaarschriften nodig waren.
12. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. Ter zitting hebben partijen ingestemd met een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank. De rechtbank wijst de zaak daarom niet terug naar verweerder, maar voorziet zelf in de zaak. De uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd voor zover de bezwaren over het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en het tweede kwartaal van 2014 niet-ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank verklaart deze bezwaren ontvankelijk. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat eiseres in dat geval recht heeft op teruggaven van € 2.975 (€ 3.028 – € 53), € 2.808 en € 1.050 over respectievelijk het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en het tweede kwartaal van 2014. De rechtbank zal deze teruggaven toewijzen.
13. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze de niet-ontvankelijkheid betreffen voor het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en het tweede kwartaal van 2014;
- verklaart de bezwaren ontvankelijk en voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat verweerder de betaalde omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en het tweede kwartaal van 2014 ten bedrage van respectievelijk € 2.975, € 2.808 en € 1.050 aan eiseres zal restitueren;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.002;
- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 168 vergoedt.