RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2022
[Eiser A] , uit [plaats A] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, verweerder
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 21/1209
in de zaak tussen
en
(gemachtigde: mr. N.M. Brok).
Procesverloop
In het besluit van 13 augustus 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiser gelast binnen één jaar de bewoning van de recreatiewoning op het adres [B] te [plaats A] te staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 20.000 ineens.
In het besluit van 12 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering van het besluit.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, S. Van Bemmel en A.E. Den Dulk.
Overwegingen
1. Eiser is eigenaar van de op het recreatiepark [C] gelegen recreatiewoning. De recreatiewoning is in het bestemmingsplan “omgeving De Goudsberg, Hessenweg 85 te Lunteren” bestemd als “Recreatieve doeleinden”. Op grond van artikel 7 zijn deze gronden bestemd voor recreatiewoonverblijven.
Het paraplu-bestemmingsplan “Ede, parapluplan recreatieparken”, dat is vastgesteld op 23 januari 2020, heeft dit bestemmingsplan gewijzigd. Op grond van artikel 3.1 is het gebruik van een recreatiewoning voor permanente bewoning in strijd met het bestemmingsplan. In artikel 1.6 is “permanente bewoning” gedefinieerd als het gebruiken van een recreatiewoonverblijf als hoofdverblijf. In artikel 1.4 is “hoofdverblijf” gedefinieerd als een gebouw welke voor een persoon functioneert als de plaats waar het centrum van zijn sociale en maatschappelijke activiteiten ligt.
De recreatiewoning mag op grond van het bestemmingsplan dus niet als hoofdverblijf worden gebruikt.
2. Op het perceel hebben op 4 juni 2019, 1 oktober 2019, 3 februari 2020 en 17 februari 2020 controles plaatsgevonden door toezichthouders van de gemeente.
Tijdens de controle van 4 juni 2019 is eiser niet aangetroffen. Er is toen wel een andere persoon aangetroffen. Die heeft de toezichthouder aangegeven de vakantiewoning een week te huren met zijn familie van 12 personen.
Tijdens de controle van 1 oktober 2019 was niemand aanwezig in de recreatiewoning. Tijdens de controle op 3 februari 2020 heeft de toezichthouder twee mannen uit een witte bestelbus met een Engels kenteken zien stappen en de recreatiewoning zien binnengaan. Tijdens de controle op 17 februari 2020 heeft de toezichthouder een witte bestelbus die op naam staat van [Bedrijf A] aangetroffen op het perceel. In de recreatiewoning brandden toen geen lichten.
3. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser sinds 1 november 2013 in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven staat op het adres van de recreatiewoning. Uit de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt daarnaast dat het motorvoertuig van eiser ook op dit adres staat ingeschreven. Uit eigendomsinformatie van het kadaster is niet gebleken dat eiser beschikt over andere zelfstandige woonruimte. Hij is weliswaar tijdens de controles zelf niet in de recreatiewoning aangetroffen, maar zijn witte bestelbus wel. Eiser is namelijk mede-eigenaar van [Bedrijf A]
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hiermee voldoende bewijs is geleverd voor het vermoeden dat eiser de recreatiewoning permanent bewoont, zodat het aan eiser is om dit vermoeden te ontkrachten. Volgens verweerder is eiser hierin niet geslaagd omdat hij wel stelt dat de recreatiewoning niet zijn hoofdverblijf is, maar dit op geen enkele manier onderbouwt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij elders een hoofdverblijf heeft en is ook niet in het bezit van een regulier woonhuis, zodat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat eiser woonachtig is in de recreatiewoning.
De woning staat weliswaar ingeschreven op Airbnb, maar omdat geen toeristenbelasting wordt geheven acht verweerder het niet aannemelijk dat de recreatiewoning stelselmatig aan recreanten wordt verhuurd. Ook als de recreatiewoning met enige regelmaat verhuurd zou worden, dan leidt dit volgens verweerder niet tot de conclusie dat de recreatiewoning de rest van het jaar niet wordt gebruikt als hoofdverblijf. Verweerder verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:981).
Eiser betoogt dat hij niet op het perceel woont en dat deze bewoning ook niet uit de controles blijkt. Hij heeft op de zitting aangegeven dat hij meerdere plekken heeft waar hij verblijft, maar dat hij deze verblijfslocaties niet aan de gemeente wil doorgeven.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 11 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1248) ligt het op de weg van het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan om de voor het vermoeden dat een recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan permanent wordt bewoond vereiste feiten vast te stellen. Het is vervolgens aan de aangeschrevene om dit vermoeden, indien daartoe aanleiding bestaat, te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan dient de rechter in beginsel van de juistheid van het vermoeden uit te gaan.
In deze zaak heeft verweerder vastgesteld dat eiser op het adres van de recreatiewoning staat ingeschreven in de BRP en dat zijn motorvoertuig op dit adres staat geregistreerd. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 22 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:190) heeft overwogen levert inschrijving in de BRP op het adres van de recreatiewoning een vermoeden op dat de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt.
Met betrekking tot deze inschrijving in de BRP is op de zitting echter gebleken dat eiser door de gemeente omstreeks augustus/september 2021 ambtshalve is uitgeschreven uit de BRP en is ingeschreven in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI). Hiermee heeft verweerder te kennen gegeven niet aannemelijk te achten dat eiser in de recreatiewoning woont. Dat deze uitschrijving heeft plaatsgevonden door de afdeling binnen de gemeente die gaat over de BRP, en niet door de afdeling handhaving, acht de rechtbank daarbij niet van belang. De uitschrijving dateert verder weliswaar van na het bestreden besluit, maar de uitschrijving heeft ambtshalve plaatsgevonden en eiser heeft aangegeven dat er niets is veranderd tussen de beslissing op bezwaar en de uitschrijving. Verweerder heeft op de zitting ook niet aan kunnen geven welke gewijzigde omstandigheden tot deze uitschrijving hebben geleid. Dit betekent dat de latere uitschrijving ook afbreuk doet aan het vermoeden dat eiser ten tijde van het bestreden besluit in de recreatiewoning woonde.
De rechtbank stelt vast dat de belangrijkste aanwijzing voor permanente bewoning met de uitschrijving is komen te vervallen. De aanwezigheid van de bestelbus vormt naar het oordeel van de rechtbank ook geen bewijs voor permanente bewoning, aangezien eiser als eigenaar van vijf recreatiewoningen op het park ook ter plaatse kan zijn geweest om onderhoud te verrichten. Zodoende resteert enkel de inschrijving van het motorvoertuig.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee onvoldoende onderbouwd dat eiser zijn hoofdverblijf heeft in de recreatiewoning. Zeker nu eiser tijdens de vier controles die zijn verricht niet in de recreatiewoning is aangetroffen, en gelet op de omstandigheid dat twee van de controles (die van 4 juni 2019 en 3 februari 2020) juist wijzen op recreatieve bewoning door andere personen dan eiser.
Omdat het vermoeden door verweerder onvoldoende is onderbouwd, bestond ook geen aanleiding voor eiser om dit vermoeden te ontkrachten.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om verweerder door middel van een tussenuitspraak in de gelegenheid te stellen om nader bewijs te leveren voor de overtreding. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat de last onder dwangsom van tafel is. Deze handhavingsprocedure is met deze uitspraak beëindigd.
Proceskosten en griffierecht
6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. De rechtbank bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2022.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.