10. Artikel 13, zestiende lid, van de Wet Vpb luidt als volgt:Indien een belang dat de belastingplichtige reeds meer dan een jaar houdt en waarvoor hij in die periode onafgebroken in aanmerking kwam voor de deelnemingsvrijstelling, niet langer als een deelneming wordt aangemerkt omdat de omvang van het belang niet meer voldoet aan de voorwaarde van ten minste 5%, bedoeld in het tweede of derde lid, blijft nog gedurende een periode van drie jaar, gerekend vanaf het tijdstip dat niet meer wordt voldaan aan de bedoelde voorwaarde, de deelnemingsvrijstelling van toepassing met betrekking tot voordelen uit hoofde van dat belang en kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van dat belang. Het zesde, zevende en negende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
11. Eiseres is van mening dat resultaten behaald met de uitoefening van opties na 22 maart 2017 op grond van artikel 13, zestiende lid, van de Wet Vpb vallen onder de deelnemingsvrijstelling. Eiseres baseert zich daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 22 november 2002 (Falconsarrest).
12. Verweerder is van mening dat artikel 13, zestiende lid, van de Wet Vpb niet ziet op opties, omdat daarvoor niet alleen vereist is dat sprake is van een belang maar dit belang tevens dient te kwalificeren als deelneming. Hiervan is geen sprake bij opties. Dit volgt volgens verweerder ook niet uit het Falconsarrest.
13. De Hoge Raad heeft in het Falconsarrest onder meer het volgende overwogen:
Vertrouwensbeginsel
3.3.1. De deelnemingsvrijstelling strekt ertoe te voorkomen dat in een deelnemingsverhouding dezelfde winst tweemaal in een belasting naar de winst wordt betrokken. Indien het belang bij een tot een deelneming behorend aandeel wordt opgesplitst, zoals in casu door het schrijven van een optie op dat aandeel, strookt het met die strekking bij beide belanghebbenden bij dat aandeel de deelnemingsvrijstelling toe te passen, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt voor alle voor- en nadelen van dat aandeel, een en ander met inachtneming van het navolgende.
3.3.2. Indien de houder van een als deelneming in de zin van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) aan te merken pakket aandelen aan een derde het recht geeft een of meer van de in zijn bezit zijnde aandelen voor een vastgestelde prijs te kopen (calloptie), geldt dat de vergoeding die de houder van de deelneming voor die optie ontvangt onder de deelnemingsvrijstelling valt en dat bij gebruikmaking van de optie als vervreemdingsprijs voor de deelneming geldt de prijs die de derde met gebruikmaking van de optie voor de deelneming betaalt (optie-uitoefenprijs). Aldus valt het resultaat dat de houder van de deelneming met de optie realiseert onder de deelnemingsvrijstelling.
(…)
3.3.5. Het in punt 3.3.1 vermelde uitgangspunt brengt ook mee dat het resultaat op een optie op tot een deelneming behorende aandelen eveneens onder de deelnemingsvrijstelling valt indien de optie uiteindelijk niet of niet geheel wordt uitgeoefend. Dit heeft tot gevolg dat dan de door de houder van een calloptie betaalde vergoeding en de door de schrijver van een putoptie ontvangen vergoeding onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Dit is anders indien de houder respectievelijk de schrijver van de optie bij uitoefening van de optie geen deelneming zou hebben verkregen.
14. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 13, zestiende lid, van de Wet Vpb dat slechts dan sprake is van een zogenaamde aflopende deelneming indien het belang vóór het moment dat de omvang van het belang niet meer voldoet aan de voorwaarde van ten minste 5%, kwalificeerde als deelneming. Blijkens het bepaalde in het tweede lid van artikel 13 van de Wet Vpb kwalificeert een optie niet als zodanig. Nog daargelaten de omstandigheid dat het belang van eiseres op 22 maart 2017 in [de vennootschap] minder bedraagt dan 5% faalt reeds hierom deze beroepsgrond. Het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020 waar eiseres ter zitting naar heeft verwezen leidt niet tot een ander oordeel. In dit arrest ging het kort gezegd om de vraag of gelet op het Falconsarrest het resultaat op opties, waarvan niet aannemelijk was dat de schrijver van de optie de onderliggende aandelen in zijn bezit had, onder de deelnemingsvrijstelling valt. De Hoge Raad oordeelde dat op een dergelijke zogenaamde ongedekte optie de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is. Anders dan eiseres betoogt valt noch uit de overwegingen van de Hoge Raad, noch uit de overwegingen van de daaraan voorafgaande uitspraak van het Hof, naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat een optie op aandelen waarbij de schrijver wel beschikt over de aandelen (gedekte optie) wel kwalificeert als deelneming.
15. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of op grond van het Falconsarrest het resultaat op opties op tot een aflopende deelneming behorende aandelen niettemin onder de deelnemingsvrijstelling valt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Zij overweegt daartoe als volgt. Voorop stelt de rechtbank dat het zestiende lid van artikel 13 met ingang van 1 januari 2007 in de wet is opgenomen. Ten tijde van het wijzen van het Falconsarrest bestond dit artikellid dus nog niet. Het arrest van de Hoge Raad ziet derhalve op deelnemingen en niet op aflopende deelnemingen. In dit licht dient het oordeel van de Hoge Raad, dat het resultaat op een optie op tot een deelneming behorende aandelen onder de deelnemingsvrijstelling valt, te worden geplaatst. Het resultaat behaald met een optie is immers een van een kwalificerend aandeel afgesplitste opbrengst. Een aflopende deelneming is daarentegen een faciliteit. Het voert te ver om in een geval als het onderhavige het resultaat behaald met de uitoefening van een optie op tot een aflopende deelneming behorende aandelen, zijnde een faciliteit, eveneens onder de deelnemingsvrijstelling te brengen.
16. Eiseres heeft tot slot nog een beroep gedaan op gewekt vertrouwen. Bij brief van 7 oktober 2014 is namens de [naam 6] Groep (de groep waartoe eiseres behoort) een verzoek gedaan aan de Belastingdienst om een oordeel te geven over de fiscale gevolgen van de overname van deze Groep (bijlage 4 beroepschrift). Verweerder heeft zich in een e-mail van 10 oktober 2014 akkoord verklaard met de standpunten in de brief van de [naam 6] Groep. 17.Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat aan de akkoordverklaring van de Belastingdienst niet het vertrouwen kan worden ontleend dat de resultaten uit opties onder de deelnemingsvrijstelling vallen, omdat in de brief van 7 oktober 2014 uitgegaan wordt van een aandelenbezit van meer dan 5% en niet van een aflopende deelneming als bedoeld in artikel 13, zestiende lid, van de Wet Vpb.
18. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
19. Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.
20. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.