vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Civiele kantonzaken
Zaaknummer: 9096819 EL 21-03
vonnis van de kantonrechter d.d. 17 februari 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 8 februari 2021, met producties,
de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie,
de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie,
de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie,
de conclusie van dupliek in reconventie.
Hierna is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
[nummer]
19-05-1998
Legio Feestplan II
120 mnd
f 51.105,40
II.
[nummer]
27-02-1998
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd
f 47.020,80
III.
[nummer]
14-12-1998
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd
f 16.960,83
IV.
[nummer]
12-12-1997
Beleggen met Korting
36 mnd
f 15.991,73
V.
[nummer]
12-12-2000
Beleggen met Bonus
36 mnd
f 16.090,34
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
I.
15-01-2007
- € 126,40
II
26-02-2001
+ € 3.220,21
III.
14-12-2001
+ € 589,74
IV.
11-12-2000
+ € 1.920,57
V.
11-12-2006
- € 1.985,84
[gedaagde] heeft de vorderingen die uit het resultaat van overeenkomst I en V zijn gevolgd voldaan. Met betrekking tot overeenkomst V heeft Dexia op 18 januari 2007 aan [gedaagde] een bedrag uitgekeerd van € 1.668,94.
Bij brief van 23 november 2020 heeft Dexia [gedaagde] uitgenodigd om hetzij te bevestigen dat geen sprake meer is van enige vordering, hetzij toe te lichten waarom wel sprake is van een vordering. Zij heeft hierop niet gereageerd.
3. De vorderingen en het verweer in conventie en in reconventie
Dexia vordert (samengevat) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:
1. Dexia zal veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van maximaal
€ 84,27, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
2. voor recht zal verklaren dat Dexia voor het overige niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is met betrekking tot de overeenkomsten,
3. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij [gedaagde] vordert (samengevat) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten,
2. voor recht zal verklaren dat er ten aanzien van de overeenkomsten sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last,
3. het beding zal vernietigen op basis waarvan Dexia resterende termijnen in rekening bracht op de eindafrekening van overeenkomst I en Dexia zal veroordelen om het bedrag van
€ 1.060,08 en € 126,40 als zijnde onverschuldigd betaald aan [gedaagde] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
4. Dexia zal veroordelen tot voldoening van al datgene dat [gedaagde] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
5. Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [gedaagde] ,
6. Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
Algemeen
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de [beleggers] van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele [beleggers] geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van [beleggers] en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden [beleggers] hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, waaronder [gedaagde] .
De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
Verder volgt daar uit dat als uitgangspunt heeft te gelden dat op de door [gedaagde] geleden schade eerst in mindering dient te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade dat [gedaagde] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dient te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de schade bestaande uit een (eventuele) restschuld. Indien het aangaan van de overeenkomsten voor [gedaagde] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [gedaagde] 1/3 deel van de schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient de [gedaagde] de schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld 1/3 deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hofformule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [gedaagde] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hofformule luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y).
De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van de belegger. De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W
staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning
voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De
factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B
staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane lease-overeenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en
aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten.
Onaanvaardbaar zware financiële last
Tussen partijen is (onder meer) in geschil of [gedaagde] nog een vordering op Dexia heeft omdat Dexia bij de totstandkoming van de overeenkomsten I t/m IV haar zorgplichten heeft geschonden. In verband daarmee stelt [gedaagde] dat die vier overeenkomsten een onaanvaardbaar zware financiële last voor haar vormden en dat Dexia nog niet (volledig) heeft voldaan aan haar verplichting om 2/3 deel van de inleg dient te vergoeden.
Bij de beoordeling of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last gaat het in het algemeen om het antwoord op de vraag of de financiële omstandigheden van een meerderjarige zonder partner met een eigen inkomen, die op eigen naam de effectenlease-overeenkomst is aangegaan, zodanig waren dat uit eigen middelen de termijnen van de overeenkomst konden worden voldaan. Indien de meerderjarige een gemeenschappelijke huishouding voert is het gezamenlijk inkomen van belang. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] ten tijde van het aangaan van overeenkomst I tot en met IV een gezamenlijke huishouding voerde met haar moeder. Het uit te voeren onderzoek is niet anders dan dat Dexia vooraf had dienen uit te voeren om na te gaan of [gedaagde] al dan niet in staat kon worden geacht aan de betalingsverplichtingen betreffende de termijnen te voldoen.
Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding wordt aangesloten bij de overwegingen van de Hoge Raad in het arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR: 2011:BP4003). Doorslaggevend zijn de feitelijke omstandigheden. In het geval de [gedaagde] op hetzelfde adres woont als een of meer andere perso(o)n(en) wordt als uitgangspunt genomen dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding tussen betrokkenen. Dat uitgangspunt dient echter te kunnen worden getoetst aan de bijzondere omstandigheden van het individuele geval.
Tussen partijen staat het volgende vast: [gedaagde] was bij het aangaan van de overeenkomst met nummer IV 48 jaar en bij het aangaan van de overeenkomsten met nummer I t/m III 49 jaar. Haar netto inkomen bedroeg in 1998 € 720,64 per maand en in 2000 € 766,62 per maand. [gedaagde] woonde ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten bij haar 86-jarige moeder in huis als mantelverzorgster. Er is niet gesteld noch gebleken dat zij huurlasten dan wel kostgeld aan haar moeder heeft betaald. Onder deze omstandigheden kan worden aangenomen dat [gedaagde] een gemeenschappelijk huishouden voerde met haar moeder en dat zij de kosten van levensonderhoud en bewoning deelden, wat een positieve invloed had op de bestedingsruimte van [gedaagde] . [gedaagde] en haar moeder hadden een duurzame gezamenlijke situatie voor ogen. De omstandigheid dat het huis van de moeder van [gedaagde] op moeders naam bleef staan en voor haar bewoning diende, maakt dat niet anders. Dit ziet immers op de vermogenspositie van de moeder en niet op het maandelijks inkomen of de besteding daarvan. [gedaagde] heeft, voornoemde omstandigheden in aanmerking nemende, dienaangaande onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij een zelfstandige huishouding voerde. Onder deze omstandigheden wordt er dan ook van uit gegaan dat er sprake was van een gemeenschappelijke/gezamenlijke huishouding en dienen ook de financiële gegevens van de moeder van [gedaagde] bij de berekening of sprake is van een aanvaardbare dan wel onaanvaardbare financiële last worden betrokken. Die gegevens zijn niet door [persoon] overgelegd.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden dient [gedaagde] bij de toepassing van de Hof-formule te worden aangemerkt als een Afnemer die een gemeenschappelijke huishouding voert met een andere persoon. Nu [gedaagde] geen gegevens heeft overgelegd van het inkomen en het vermogen van die ander heeft zij niet (voldoende) onderbouwd dat bij het aangaan van de overeenkomsten sprake was van het ontstaan van een onaanvaardbaar zware financiële last, zodat de schade wegens termijnen geheel voor haar rekening blijft.
Conclusie betreffende schadevergoedingsplicht van Dexia
De kantonrechter gaat uit van de door Dexia overgelegde financiële gegevens nu deze niet dan wel onvoldoende door [gedaagde] zijn weersproken.
Uit het voorgaande volgt dat de schade wegens verschuldigde termijnen geheel voor rekening van [gedaagde] blijft, evenals 1/3 deel van de schade wegens eventuele restschuld.
Enkel de overeenkomsten I en V zijn geëindigd met een negatief resultaat.
Met betrekking tot overeenkomst met nummer V zijn partijen het er over eens dat sprake is van een restschuld die door [gedaagde] is voldaan. Dexia heeft op 18 januari 2012 reeds een bedrag uitgekeerd gelijk aan 2/3 deel van de restschuld, vermeerderd met wettelijke rente tot de dag van betaling. Voor die overeenkomst is daarmee door Dexia vergoed wat zij diende te vergoeden.
Resterende termijnen
Bij overeenkomst I is een negatief eindresultaat genoteerd op de eindafrekening, waarbij is uitgegaan van koersen per 15 januari 2007. Op dat moment heeft Dexia een opbrengst berekend van € 9.695,94 waarop € 9.822,34 in mindering is gebracht. Dit bedrag bestaat uit € 1.060,08 aan contant gemaakte resterende termijnen, € 45,38 voor de eerste aflossingstermijn en € 8.716,88 aan contant gemaakte restant hoofdsom en resteerde een restschuld van € 126,40.In de conclusie van repliek stelt Dexia onweersproken dat ten onrechte is uitgegaan van een eindafrekening per 15 januari 2007. Dit had per 5 april 2006 moeten zijn, nu [gedaagde] in een brief van die datum de overeenkomst heeft opgezegd. In dat geval is er, volgens Dexia, een opbrengst van € 9.286,94, waarop € 10.174,07 in mindering gebracht dient te worden, bestaande uit € 822,84 resterende termijnen, € 45,38 eerste aflossingstermijn en € 9.305,85 restant hoofdsom. In dat geval is de restschuld € 887,13.
Tussen partijen is in geschil of Dexia op grond van bedingen in (Bijzondere voorwaarden bij) de overeenkomst bij de eindafrekening het bedrag van € 1.060,08 dan wel € 822,84 bij Afnemer in rekening mocht brengen wegens de voortijdige beëindiging van de overeenkomst. Afnemer heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van bovenbedoelde bedingen, onder meer omdat dit volgens hem ‘oneerlijk bedingen’ vormen als bedoeld in de Richtlijn 93/13 EEG (hierna: de Richtlijn).
In zijn prejudiciële beslissing van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beding in de algemene voorwaarden van Dexia op grond waarvan Dexia in het geval van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst wegens nalatigheid van de zijde van de wederpartij bevoegd is om zonder meer het onbetaalde restant van de overeengekomen leasesom(men) op te eisen, een beding is dat op grond van de Richtlijn als oneerlijk moet worden beschouwd. Om die reden is de rechter gehouden om een dergelijk beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op termijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die termijnen kan dan niet langer op grond van de contractuele Bijzondere Voorwaarden aanspraak worden gemaakt.
De vraag of de beëindiging van de overeenkomst moet worden aangemerkt als een beëindiging op grond van contractuele bepalingen, dan wel als een ontbinding in de zin van artikel 6:265 BW, is niet relevant voor de vraag of het beding in de Bijzondere Voorwaarden op grond waarvan Dexia aanspraak maakt op resterende termijnen ‘oneerlijk’ is in de zin van de Richtlijn (vergelijk Hof Den Bosch 12 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:515). Bovenbedoelde beslissing van de Hoge Raad wordt ook in de onderhavige zaak van toepassing geacht. Dit leidt tot de conclusie dat het beding dat Dexia aanspraak geeft op na beëindiging van de overeenkomst nog resterende termijnen dient te worden vernietigd.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 21 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) volgt dat bij vernietiging van het beding in de (Bijzondere Voorwaarden bij) de overeenkomst Dexia evenmin op grond van de wet aanspraak heeft op (gehele of gedeeltelijke) vergoeding van de schade die zij door de voortijdige beëindiging van de overeenkomsten heeft geleden.
Dexia wordt niet gevolgd in haar stelling dat het vervallen van de post contant gemaakte resterende rentetermijnen ook meebrengt dat de toegepaste korting bij de post restant hoofdsom moet komen te vervallen, omdat deze korting dezelfde basis heeft als de korting op de toekomstige rentetermijnen. De vernietiging en de gevolgen daarvan strekken zich slechts uit tot het gedeelte van de overeenkomst dat oneerlijk is en zien daarmee alleen op de nog verschuldigde rentetermijnen. De overeenkomst moet voor het overige zonder wijzigingen voortbestaan (ECLI:EU:C:2021:68, punt 62). Voor zover Dexia op grond van de Bijzondere voorwaarden bij de beëindiging van de leaseovereenkomst de nog verschuldigde hoofdsom contant dient te maken, is zij ten gunste van de afnemer van de wettelijke regeling afweken. Niet gebleken is dat de overeenkomst in zoverre niet in stand kan blijven als het gedeelte daarvan dat oneerlijk is wordt vernietigd. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van hof Amsterdam van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2826).
Uit het voorgaande volgt dat de post die ziet op de contant gemaakte resterende termijnen in de eindafrekening van de leaseovereenkomst ad € 1.060,08 dan wel € 822,84 komt te vervallen. Afnemer heeft, door de eindafrekening te voldoen, dit bedrag onverschuldigd betaald en Dexia zal dit bedrag aan Afnemer terug dienen te betalen. Uitgaande van de door Dexia onbetwist gestelde einddatum van 5 april 2006 betekent dit dat het bedrag van € 822,84 terugbetaald moet worden. Ook dient 2/3e van de restschuld vergoed te worden, dus € 591,42, zodat Dexia in totaal met betrekking tot deze overeenkomst €1.413,66 aan [gedaagde] verschuldigd is, met de wettelijke rente vanaf 5 april 2006.
Buitengerechtelijke kosten.
Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten is in de stellingen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 dat partijen bekend is. De proceskosten zullen worden gecompenseerd omdat beide partijen op onderdelen (on)gelijk krijgen.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie en in reconventie
vernietigt het beding op basis waarvan Dexia resterende termijnen in rekening bracht op de eindafrekening van overeenkomst I,
veroordeelt Dexia tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 1.413,66, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2006 tot de dag van algehele voldoening,
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen partijen gesloten overeenkomst met de contractnummer [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] na betaling van het voorgaande aan al haar verbintenissen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,
compenseert de proceskosten, zodanig dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.