uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eisers] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, het college
(gemachtigde: J.F. de Leeuw).
Inleiding
Het college heeft de aanvraag van eisers om een tegemoetkoming in planschade in het besluit van 24 november 2020 afgewezen. In de beslissing op bezwaar van 21 april 2021 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Eisers, gemachtigde van het college en deskundigen mr. D.J. Vecht en
ing. A. Schurer, RT (beide werkzaam bij de Antea Group).
Totstandkoming van het besluit
1. Eisers zijn sinds 25 juni 2011 eigenaar van de woning en het perceel [perceel] .
Eisers hebben op 19 december 2019 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in planschade. Eisers stellen dat zij planschade lijden als gevolg van het inwerking treden van bestemmingsplan “Natuurgebied Veluwe 2013”. Eisers geven aan dat het perceel voorheen voor agrarische activiteiten gebruikt kon worden maar dat in het nieuwe bestemmingsplan de bestemming is gewijzigd naar “Bos”. Dit betekent volgens eisers dat alle agrarische activiteiten, naast het bewerken van het land ook het houden van dieren, nu zijn uitgesloten. Dit terwijl er volgens eisers sinds jaar en dag agrarische activiteiten op het perceel hebben plaatsgevonden onder de voorgaande bestemmingsplannen. Hierdoor is volgens eisers financiële schade ontstaan. Eisers voeren aan dat ze nagenoeg niets meer met de grond kunnen doen. Met de gewijzigde bestemming is naast de aanzienlijke waardedaling van de grond, ook de waarde van de woning in combinatie met de grond aanmerkelijk gedaald. De woning is minder aantrekkelijk geworden omdat er geen dieren meer aan huis mogen worden gehouden. Eisers verzoeken om een financiële tegemoetkoming van € 93.291,55 vermeerderd met de rente, de leges van € 500 en de vergoeding met betrekking tot inkomstenderving.
Advies Antea group
Het college heeft advies gevraagd aan Antea Group. Antea Group heeft in het advies van 12 november 2020 een vergelijking gemaakt tussen het bestemmingsplan “Artikel 30-herziening Natuurgebied Veluwe van de gemeente Ede” en het bestemmingsplan “Natuurgebied Veluwe 2013”.
Voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden heeft Antea Group aangegeven dat landbouw op het perceel alleen is toegestaan indien dit de voortzetting van de landbouw door de bestaande agrarische bedrijven betekent als ook het al dan niet tijdelijk landbouwkundig gebruik als onderdeel van het bosbeheer. In het geval van eisers is echter geen sprake van
de voorzetting van een bestaand agrarisch bedrijf. Onder het oude bestemmingsplan was er geen bestaand agrarisch bedrijf op het perceel. Dat betekent volgens Antea group dat landbouw op het perceel van aanvrager onder het oude bestemmingsplan niet was toegestaan.
Voor wat betreft de bebouwingsmogelijkheden heeft Antea Group aangegeven dat sprake is van een verruiming van de bouwmogelijkheden op het perceel ten opzichte van het oude bestemmingsplan.
Antea Group heeft geconcludeerd dat de planologische wijziging niet heeft geleid tot schade. Daarom heeft Antea Group aan het college geadviseerd het verzoek van eisers af te wijzen.
Het college heeft het advies overgenomen en ten grondslag gelegd aan het besluit van 24 november 2020.
Inhoudelijk beoordelingskader
2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.
Een waardebepaling kan eerst aan de orde komen nadat is vastgesteld dat een bestemmingsplan of een andere in artikel 6.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) genoemde planologische maatregel daadwerkelijk tot een verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor vigerende regime.
3. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt het besluit tot afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Beroepsgronden
5. Eisers voeren aan dat de gemeenteraad in het bestemmingsplan “Natuurgebied Veluwe 2013” ten onrechte de bestemming van het perceel [perceel] heeft gewijzigd naar “Bos” terwijl het perceel voor agrarische doeleinden werd gebruikt. Deze wijziging is volgens eisers niet mogelijk als sprake is van een conserverend bestemmingsplan. Volgens eisers werd het perceel door hun rechtsvoorgangers en henzelf nog voor agrarische doeleinden gebruikt. Eisers voeren aan dat zij schade lijden omdat:
Omvang van het geding
6. Eisers voeren aan dat de bestemming van hun perceel, gelet op het feit dat sprake is van een conserverend bestemmingsplan, ten onrechte is gewijzigd in de bestemming “Bos” en dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan een fout heeft gemaakt. Dit betoog kan in deze procedure niet aan de orde komen omdat dit betoog aangevoerd had moeten worden in de procedure tegen het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan “Natuurgebied Veluwe 2013”. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van planschade moet worden uitgaan van de vastgestelde bestemmingen.
Ook het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel kan in deze procedure niet aan de orde komen. Eisers hebben verwezen naar een aantal percelen in de buurt waar volgens eisers bij de vaststelling van het bestemmingsplan anders is gehandeld dan ten aanzien van hun perceel. Ook deze beroepsgrond had in de procedure tegen de vaststelling van het bestemmingsplan “Natuurgebied Veluwe 2013” moeten worden aangevoerd.
Is sprake van een planologisch nadeliger situatie ten aanzien van agrarisch gebruik?
7. Eisers voeren aan dat de wijziging van de bestemming van het perceel naar “Bos” schade oplevert voor hen omdat zij hierdoor in een nadeligere positie zijn gekomen. Voorheen kon het perceel volgens eisers voor agrarische activiteiten worden gebruikt. Dat kan op grond van het nieuwe bestemmingsplan niet meer. Eisers voeren aan dat voor de uitleg van de oude bestemming “Multifunctioneel bos” ook gekeken dient te worden naar de daaraan voorafgaande bestemmingsplannen. Volgens eisers was agrarisch gebruik van het perceel al mogelijk in het bestemmingsplan uit 1975. Volgens eisers kun je het bestemmingsplan “Natuurgebied Veluwe 2013” niet lezen zonder de voorgaande bepalingen daarbij te betrekken. Eisers hebben hun betoog onderbouwd met de contra-expertise van Kubiek Ruimtelijke Plannen BV (Kubiek) van 2 maart 2023.
De rechtbank is van oordeel dat de planvergelijking zich beperkt tot de bestemmingsplannen “artikel 30-herziening Natuurgebied Veluwe” en “Natuurgebied Veluwe 2013”. Voor zover eisers hebben verwezen naar eerdere bestemmingsplannen, zoals het bestemmingsplan uit 1975, kunnen deze niet bij de planvergelijking worden betrokken omdat bij een planvergelijking alleen gekeken wordt naar de marktwaarde van een object voor de wijziging van het bestemmingsplan (hier: “artikel 30-herziening Natuurgebied Veluwe”) en de marktwaarde van een object na de wijziging van het bestemmingsplan (hier: “Natuurgebied Veluwe 2013”). Daarom kan ook het later vastgestelde bestemmingsplan “Partiële herziening Natuurgebied Veluwe Ede 2016” geen rol spelen bij de beoordeling.
Op grond van het bestemmingsplan “Artikel 30-herziening Natuurgebied Veluwe van de gemeente Ede” was de bestemming van het perceel “Multifunctioneel bos” met de tevens nevengeschikte bestemmingen “Landbouw” en “Wonen”. In artikel 7, eerste lid van de planregels staat dat het doel landbouw betreft de voortzetting van de landbouw door de bestaande agrarische bedrijven, als ook het al dan niet tijdelijk landbouwkundig gebruik als onderdeel van het bosbeheer.
Uit de gedingstukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken blijkt dat de rechtsvoorgangers van eisers het perceel al voor de peildatum niet gebruikten voor het doel landbouw in de zin van artikel 7, eerste lid van de planregels. De rechtsvoorgangers van eisers oefenden immers geen agrarisch bedrijf uit. Ook staat vast dat op het moment van de aankoop van het perceel geen sprake meer was van gebruik van de gronden door een bestaand agrarisch bedrijf. Dat door de rechtsvoorgangers van eisers ten tijde van de koop van het perceel mais werd verbouwd op het perceel en dat dit in het najaar van 2011 is geoogst, maakt dit niet anders. Dit betekent dat geen sprake is van voorzetting van de landbouw door de bestaande agrarisch bedrijven. De overgangsbepaling in artikel 7, eerste lid, van de planregels is hiermee uitgewerkt. Daardoor was het doel landbouw al niet meer toegestaan onder het oude bestemmingsplan. Dit betekent dat de wijziging van de bestemming geen gevolgen voor eisers heeft. Hier is in het advies van Antea group terecht van uitgegaan. Het betoog in de contra-expertise van Kubiek dat geen sprake was van een overgangsrechtelijke situatie volgt de rechtbank niet. De contra-expertise leidt daarom niet tot een ander oordeel.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het gebruik van het perceel voor het houden van paarden zoals door eisers beoogd, onder het oude bestemmingsplan helemaal niet was toegestaan. Het houden van paarden valt namelijk niet onder landbouw. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat dit begrip niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd zodat de rechtbank zal uitgaan van het begrip landbouw in het normaal spraakgebruik. In de Van Dale staat bij landbouw: “het bewerken van land om er gewassen van te oogsten; (economie) akkerbouw, veeteelt, weidebouw, tuinbouw en bosbouw”. Daar valt het houden van paarden niet onder. De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van een planologisch nadeliger situatie ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden?
8. Eisers voeren aan dat bebouwingsmogelijkheden in het nieuwe bestemmingsplan zijn afgenomen ten opzichte van het oude bestemmingsplan. Dit komt volgens eisers omdat niet zo zeer de inhoud van de te realiseren woning afneemt, maar wel het te realiseren bruto oppervlak. Eisers hebben dit betoog onderbouwd met een aantal tekeningen.
Daarnaast voeren eisers aan dat in artikel 28.2.2., aanhef en onder e van de planregels van het nieuwe bestemmingsplan ook een hellingshoek voor daken wordt voorgeschreven, namelijk minimaal 30 graden en maximaal 50 graden. In het oude bestemmingsplan was daarvoor niets opgenomen. Volgens eisers maakt dit aspect in combinatie met een nieuwe bepalingsmethode voor het volume dat er een niet gering verschil is tussen beide plannen. Een verruiming van goot- en bouwhoogte is volgens eisers niet relevant voor het volume.
Op grond van het bestemmingsplan “Artikel 30-herziening Natuurgebied Veluwe van de gemeente Ede” is de bestemming van het perceel “Multifunctioneel bos” met de nevengeschikte bestemming “Wonen”. In artikel 7, derde lid, onder b van de planregels staat dat de goot- en bouwhoogte van de woning ten hoogste 3,5 meter respectievelijk 8 meter hoog en de inhoud ten hoogste 600 m3 bedragen. Bijgebouwen zijn toegestaan tot een maximale oppervlakte van 60 m2 bij elke woning en een maximale goot- en bouwhoogte van 3 meter en respectievelijk 6 meter. De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde mag ten hoogste 3 m bedragen. Op grond van artikel 7, vierde lid, aanhef en onder c van de planregels van het oude bestemmingsplan kon het college nadere eisen stellen aan de dakhelling in die zin dat deze ten minste 30° en ten hoogste 50° dient te bedragen.
In het bestemmingsplan “Natuurgebied Veluwe 2013” mag op de bestemming “Wonen” volgens artikel 28.2.2. van de planregels een woning worden gebouwd met respectievelijk een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 9 meter. De totale inhoud van de woning mag 660 m3 bedragen. Bijgebouwen zijn toegestaan tot een oppervlakte van 75 m2. Op grond van artikel 28.2.2., aanhef en onder e van de planregels gelden voor het bouwen van een woning als genoemd in artikel 28.2.1 onder a de volgende bepalingen: de dakhelling van een woning, met uitzondering van aan- en uitbouwen, mag niet minder bedragen dan 30º en niet meer dan 50º.
De rechtbank stelt vast dat uit de planvergelijking volgt dat de bouwmogelijkheden door het bestemmingsplan “Natuurgebied Veluwe 2013” zijn verruimd met voor de bouwhoogte 1 meter en voor de inhoud van de woning met 60 m3. Ook is er in het nieuwe bestemmingsplan voor bijgebouwen tot 75m2 toegestaan in plaats van 60 m2.
Daarbij acht de rechtbank van belang dat in het oude bestemmingsplan weliswaar niet was opgenomen dat de dakhelling van een woning niet minder mag bedragen dan 30º en niet meer dan 50º, maar dit neemt niet weg dat wel een maximale goot- en bouwhoogte is opgenomen, waardoor bij het gebruiken van de maximale planologische mogelijkheden een schuin dak ontstaat.
Het betoog van eisers dat sprake is van een afname van het bruto vloeroppervlak van de woning maakt niet dat sprake is van een planologisch nadelige situatie. Immers in zowel het oude als het nieuwe bestemmingsplan is voor de maatvoering uitsluitend de inhoud van de woning bepalend en niet het bruto vloeroppervlak. In hetgeen door eisers is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bouwmogelijkheden zijn afgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Komt het gestelde mislopen van subsidie in aanmerking voor vergoeding?
9. Eisers voeren aan dat zij schade lijden als gevolg van de nieuwe bestemming omdat zij geen subsidie meer kunnen krijgen van de provincie voor het omzetten van de gronden van de agrarische bestemming naar natuur.
De beroepsgrond slaagt niet. Niet gebleken is dat eisers ten tijde van de peildatum een aanvang hadden gemaakt met de omzetting van het perceel naar natuur. Uit het beroep volgt juist dat eisers het perceel willen gebruiken om bijvoorbeeld paarden te (laten) houden. Nu de omzetting niet is aangevangen kan het feit dat eisers niet meer in aanmerking kunnen komen voor subsidie niet voor vergoeding op de voet van afdeling 6.1. van de Wro in aanmerking komen. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college het advies van de Antea group heeft kunnen volgen. Het college heeft het advies daarom aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag kunnen leggen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de tegemoetkoming in planschade in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.