uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. E.M. Mulder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn herzieningsverzoek over de hoogte van zijn uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 7 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 november 2022 op het bezwaar van eiser is de SVB bij de afwijzing van het herzieningsverzoek gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 25 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de SVB.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het herzieningsverzoek aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank is uitgegaan van de volgende vaststaande feiten. Bij besluit van 12 juni 2006 is aan eiser een AOW-pensioen toegekend met ingang van maart 2006. Op dat pensioen wordt een korting toegepast van 32% wegens niet verzekerde tijdvakken. Eiser was gedurende 16 jaar 11 maanden en 9 dagen niet verzekerd voor de AOW omdat hij in die periode niet in Nederland maar in Duitsland werkte.
5. De Nederlandse Staat en de Duitse Bondsrepubliek hebben in 2012 een bilateraal belastingverdrag gesloten waarin onder meer is bepaald dat vanaf 2016 Duitse pensioenen die minder dan € 15.000,- per jaar bedragen niet meer in Duitsland maar in Nederland zullen worden belast.
6. Eiser heeft verzocht het besluit van 12 juni 2006 te herzien en aan hem een volledig AOW-pensioen toe te kennen. De SVB heeft dit verzoek afgewezen omdat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Ook is de SVB van mening dat het besluit van 12 juni 2006 niet onmiskenbaar onjuist is.
7. De SVB heeft op het herzieningsverzoek van eiser beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat in dit geval de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Is sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden?
8. Eiser voert aan dat het ongunstig voor hem is dat zijn Duitse pensioen vanaf 2016 in Nederland wordt belast omdat de Nederlandse inkomstenbelasting hoger is dan de Duitse. Volgens hem waren de Nederlandse onderhandelaars destijds niet goed bij de les en heeft de Staatssecretaris van Financiën bij de verdediging van het belastingverdrag de Tweede Kamer niet goed voorgelicht. Hij wil dat de SVB de korting van 2% per jaar ongedaan maakt om hem te compenseren voor de nadelen die voortvloeien uit het belastingverdrag.
9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de SVB zich terecht op het standpunt dat het feit dat eiser vanaf 2016 in Nederland belasting moet betalen over zijn Duitse pensioen geen nieuw feit of veranderde omstandigheid oplevert die tot herziening van het besluit van 12 juni 2006 noopt. De vraag waar eiser belasting dient te betalen en hoe hoog die belasting is, staat geheel los van de vraag over welke jaren eiser AOW-pensioen heeft opgebouwd. Het is niet aan de SVB om te besluiten of en zo ja, hoe, eiser gecompenseerd moet worden voor eventuele nadelige gevolgen van het belastingverdrag. Dat is aan de wetgever en eiser heeft zich in dat kader ook terecht tot de politiek gewend, zij het tot op heden tevergeefs.
Is het bestreden besluit evident onredelijk?
10. Eiser voert aan dat hij altijd in Nederland heeft gewoond en aan al zijn verplichtingen heeft voldaan. Eiser vindt dat hij wordt gestraft en gediscrimineerd omdat hij geen AOW krijgt over de periode dat hij in Duitsland heeft gewerkt.
10. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De gronden van eiser zijn gericht tegen artikel 13 van de AOW, waarin – voor zover hier van belang – is bepaald dat voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest een korting van 2% op het bruto-ouderdomspensioen wordt toegepast. De AOW is een wet in formele zin. Het is de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet niet toegestaan wetten in formele zin te toetsen aan de Grondwet.
12. Voor zover eiser zich beroept op het verbod van discriminatie, zoals bijvoorbeeld neergelegd in artikel 14 van het EVRM, slaagt ook deze grond niet. Voor een geslaagd beroep op het discriminatieverbod moet er sprake zijn van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. In de periode dat eiser in Duitsland werkte, heeft hij daar pensioen opgebouwd. Zijn situatie wijkt daarmee af van Nederlanders die niet in het buitenland pensioen op hebben gebouwd. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen en om die reden kan er geen sprake zijn van discriminatie.
13. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat de Hoge Raad heeft bepaald dat onder het belastingverdrag personen die onder de kleinepensioenregeling vallen niet worden gediscrimineerd ten opzichte van anderen met een Duits pensioen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Peters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op .
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.