beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Zaakgegevens: C/05/423237 / FA RK 23-2488
Datum mondelinge uitspraak: 11 augustus 2023
beschikking rechterlijke machtiging tot opname en verblijf Wzd
inzake
het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 e.v. van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd), ten aanzien van:
[naam betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende in [woonplaats] ,
verblijfadres: [verblijfadres bij zorgaanbieder] , in [plaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. E.N. Mulder in Nijkerk.
1. Procesverloop
Het verzoekschrift met bijlagen is ingekomen ter griffie op 2 augustus 2023.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2023, in de accommodatie van [naam zorgaanbieder] , locatie [naam locatie] .
Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
mw. [naam 1] , specialist ouderengeneeskunde verbonden aan [naam zorgaanbieder] ;
dhr. [naam 2] , arts verbonden aan [naam zorgaanbieder] ;
[naam 3] , verpleegkundige;
mw. [naam 4] , dochter van betrokkene (telefonisch).
2. Beoordeling
Volgens de overgelegde stukken lijdt betrokkene aan een verstandelijke handicap, te weten niet-aangeboren hersenletsel met mogelijk onderliggend een persoonlijkheidsstoornis. Betrokkene heeft in juni 2023 een hersenbloeding gehad als gevolg van een ongeval. Hij kan zich dit zelf niet herinneren en betwijfelt dat. Wel mist hij in zijn herinnering een periode; van daarvoor en daarna weet betrokkene naar zijn zeggen wel alles nog. De behandelaars en de dochter van betrokkene hebben aangegeven dat het kortetermijngeheugen van betrokkene (nog altijd) gestoord is.
Het gedrag dat betrokkene sinds de hersenbloeding vertoont leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstige nadeel bestaat uit (het aanzienlijk risico op):
levensgevaar;
ernstige verwaarlozing;
maatschappelijke teloorgang.
De advocaat van betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorliggende problematiek en de zorg die betrokkene nodig heeft niet vallen onder de reikwijdte van de Wet zorg en dwang. Zij is van mening dat een maatregel op basis van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) aangewezen is. Een plek als Duet in Wolfheze zou passend zijn, omdat als gevolg van het niet-aangeboren hersenletsel de persoonlijkheidsstoornis van betrokkene meer aan de oppervlakte is gekomen. In de huidige instelling is men niet in staat op de juiste manier met betrokkene om te gaan, wat zijn revalidatie belemmert. Hij weigert bepaalde hulp, of meent dat hij die niet krijgt, maar met meer op de problematiek van betrokkene toegespitste hulp zouden stappen gezet kunnen worden.
De behandelaren hebben bevestigd dat [naam locatie huidige instelling] niet de juiste plek is voor betrokkene. Een instelling gespecialiseerd in niet-aangeboren hersenletsel is volgens hen aangewezen. Dit betreft echter wel degelijk zorg in het kader van de Wzd. Daarvoor zijn wachtlijsten, wat maakt dat een overplaatsing niet op korte termijn te verwachten is. De vrees bestaat dat betrokkene zonder maatregel zal vertrekken uit de instelling en naar huis zal willen. Dat is niet in zijn belang en zal het ernstige nadeel doen toenemen.
De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht om een eindbeslissing te kunnen nemen. Daarbij wijst zij op het volgende.
Er is op dit moment geen indicatiebesluit van het CIZ op grond van de Wet langdurige zorg. Betrokkene kan in dat geval alleen als cliënt in de zin van artikel 1 lid 1 letter c van de Wzd worden aangemerkt als uit een verklaring van een ter zake kundige arts blijkt dat hij in verband met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap is aangewezen op zorg als bedoeld in het derde lid van dat artikel. In een besluit van 20 april 2020 zijn bepaalde aandoeningen gelijkgesteld met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap. Daarbij is onder meer niet-aangeboren hersenletsel aangewezen. Een van de voorwaarden om niet-aangeboren hersenletsel gelijk te stellen is dat het dezelfde gedragsproblemen of regieverlies veroorzaakt als een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.
In de nota van toelichting bij het Besluit van 20 april 2020 is echter vermeld dat niet-aangeboren hersenletsel alleen onder de reikwijdte van de Wzd valt wanneer het zich in de chronische fase bevindt, de fase waarin duidelijk is welke stoornissen en beperkingen blijvend zijn. Het hersenletsel van betrokkene is nog van tamelijk recente datum. Feitelijk vindt momenteel geen actieve revalidatie plaats, omdat betrokkene dit feitelijk niet toelaat. Er is geprobeerd in te zetten op logopedie, fysiotherapie en ergotherapie. Wanneer hierover met betrokkene wordt gesproken, stemt hij in met deze zorg. Zodra echter de therapeut komt voor de behandeling, weigert betrokkene medewerking. Volgens betrokkene is er overigens nog nooit een therapeut bij hem geweest sinds zijn opname. Hij heeft ter zitting beloofd dat hij zal meewerken als er iemand langskomt. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee niet vast dat er geen revalidatie meer mogelijk zou zijn.
Voor de vraag of de Wzd van toepassing is, is het van belang vast te stellen dat geheel of gedeeltelijk een eindfase is bereikt, welke restverschijnselen blijvend zijn en welke zorg daarvoor specifiek aangewezen is. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit niet uit de overgelegde medische verklaring. Daar komt bij dat die verklaring is opgesteld door een specialist ouderengeneeskunde. Deze is niet per definitie gespecialiseerd in niet-aangeboren hersenletsel. Bovendien kan een specialist ouderengeneeskunde geen beoordeling in het kader van de Wvggz doen, terwijl - naar het oordeel van de rechtbank terecht - vragen zijn opgeworpen over de mogelijke toepasselijkheid van die wet. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat volgens de behandelaren nooit een diagnose bij betrokkene is gesteld die past binnen de Wvggz. Er is een vermoeden van een persoonlijkheidsstoornis, maar dit is zeker op het moment dat (ook) sprake is van niet-aangeboren hersenletsel, moeilijk te onderzoeken. De rechtbank heeft daarnaast op de zitting geopperd dat wellicht sprake kan zijn van een neurocognitieve stoornis, maar heeft er daarbij op gewezen dat een psychiater een dergelijke diagnose zou moeten stellen.
De rechtbank verzoekt daarom het CIZ een nieuwe medische verklaring te laten opstellen door een onafhankelijke psychiater. Deze zal vanuit de Wzd-aanvraag dienen te beoordelen of aan de criteria van de Wzd is voldaan, maar de rechtbank verzoekt de psychiater ook in de beoordeling te betrekken of (mogelijk) sprake is van een of meer stoornissen die vallen onder de reikwijdte van de Wvggz, welke zorgvraag voorliggend is en of de Wzd de meest passende vorm van zorg biedt.
Op dit moment is duidelijk dat betrokkene hulp nodig heeft en niet naar huis kan, terwijl hij zonder zorg in een gedwongen kader zeer waarschijnlijk de instelling zal verlaten en naar huis zal gaan. Er is dus sprake van verzet tegen de opname en het verblijf. Er zijn vooralsnog voldoende aanwijzingen dat de Wzd - nu of binnen afzienbare termijn - van toepassing kan zijn, omdat vaststaat dat sprake is van niet-aangeboren hersenletsel en dan onder voorwaarden de Wzd van toepassing kan zijn. In hoeverre aan die voorwaarden is voldaan, staat nog niet vast, maar dat maakt niet dat er nu al van uitgegaan moet worden dat de Wzd niet van toepassing zal zijn. Het verlenen van een machtiging biedt op dit moment bovendien de meeste continuïteit in de zorg en kan een overplaatsing naar een instelling die is gespecialiseerd in niet-aangeboren hersenletsel mogelijk maken. De actuele zorgbehoefte van betrokkene brengt mee dat de verzochte machtiging moet worden verleend zolang niet vaststaat dat een ander kader meer passend is.
Er zijn op dit moment geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden.
Op grond van het voorgaande verleent de rechtbank de gevraagde machtiging nu voor vier weken en houdt zij de beslissing voor het overige aan met toepassing van de laatste zin van artikel 38, lid 10, Wzd.
3. Beslissing
De rechtbank:
verleent een machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van
[naam betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 8 september 2023;
houdt het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen mondelinge behandeling in de eerste week van september, bij voorkeur bij mr. Eskes;
alvorens verder te beslissen:
maakt het gevoelen aan het CIZ bekend dat mogelijk een zorgmachtiging als bedoeld in de Wvggz passender is;
verzoekt het CIZ om een onafhankelijke psychiater nader onderzoek te laten doen en vóór 30 augustus 2023 een nieuwe medische verklaring op te stellen, waarin naast de gebruikelijke onderwerpen in ieder geval wordt ingegaan op de volgende vragen:
is aan de criteria van de Wzd voldaan?
is naar uw inschatting (geheel of gedeeltelijk) een eindfase bereikt in het herstel van betrokkene ter zake van het niet-aangeboren hersenletsel?
voor zover een eindfase is bereikt: welke zorg is hiervoor specifiek nodig?
is er naast niet-aangeboren hersenletsel (mogelijk) sprake van een of meer andere stoornissen, aandoeningen of handicaps en hoe waarschijnlijk is dit?
is daarbij sprake van een of meer stoornissen die vallen onder de werking van de Wvggz?
welke stoornis of aandoening is, beschouwd vanuit de zorgvraag, voorliggend?
biedt de Wzd de meest passende vorm van zorg voor betrokkene?
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2023 door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Boessenkool, griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 15 augustus 2023.
Tegen deze beschikking staat, voor zover het een eindbeslissing betreft, het rechtsmiddel cassatie open.