ECLI:NL:RBGEL:2023:7325

ECLI:NL:RBGEL:2023:7325, Rechtbank Gelderland, 28-06-2023, 10564351

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 28-06-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 10564351
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Zutphen
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2024:2460
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001860 BWBR0002656 BWBR0002761

Samenvatting

bewind; aanvaarding nalatenschap; "wettelijk vertegenwoordiger" in de zin van art. 4:193 BW.

Uitspraak

beschikking van de kantonrechter

betreffende

[naam rechthebbende] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres en woonplaats] ,

hierna te noemen: rechthebbende,

over wier goederen bewindvoerder is

[naam bewindvoerder] ,

correspondentieadres: [correspondentieadres] ,

hierna te noemen: bewindvoerder.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift met bijlagen van de bewindvoerder, ontvangen op 19 juni 2023.

De feiten

Bij beschikking van de rechtbank Zutphen van 26 maart 2012 is een bewind ingesteld over alle goederen die rechthebbende (zullen) toebehoren wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand, met benoeming van [naam bewindvoerder] tot bewindvoerder.

Het verzoek

De bewindvoerder heeft verzocht om machtiging te verlenen om de nalatenschap van de zus van rechthebbende, mevrouw [naam erflaatster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , overleden te [overlijdensplaats] op [overlijdensdatum] , te mogen verwerpen, op de gronden zoals vermeld in het verzoekschrift.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:441 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder. Het vijfde lid van artikel 1:441 BW bepaalt dat de bewindvoerder met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd is een aan de rechthebbende opgekomen nalatenschap te aanvaarden. Tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming van de rechthebbende, kan de bewindvoerder niet anders dan aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Een bewind strekt zich mede uit tot de toekomstige goederen van de rechthebbende.

Op grond van artikel 4:193, eerste lid, van het BW kan een wettelijk vertegenwoordiger van een erfgenaam voor rechthebbende een nalatenschap niet zuiver aanvaarden en moet hij voor verwerping daarvan machtiging van de kantonrechter hebben. De wettelijk vertegenwoordiger is verplicht om binnen drie maanden na het openvallen van de nalatenschap een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen. Heeft de wettelijk vertegenwoordiger de termijn laten verlopen, dan geldt op grond van artikel 4:193 lid 2 BW de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard.

In de beschikking van 11 oktober 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:8787) heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met een beroep op het proportionaliteitsbeginsel overwogen dat artikel 1:441, vijfde lid, BW dient te worden aangemerkt als lex specialis ten opzichte van artikel 4:193, tweede lid, BW. Degene van wie de goederen onder bewind staan, valt volgens het gerechtshof niet onder het bepaalde in art. 4:193 BW en een beschermingsbewindvoerder wordt niet gezien als een wettelijk vertegenwoordiger van de rechthebbende als bedoeld in art. 4:193 BW. Naar het oordeel van het gerechtshof leidt dit ertoe dat de nalatenschap niet van rechtswege beneficiair is aanvaard na verloop van drie maanden, doch dat de opengevallen nalatenschap ook na die periode van drie maanden nog door rechthebbende kan worden verworpen.

Aan de kantonrechter is niet gebleken dat de overige gerechtshoven het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zoals vastgelegd in voormelde beschikking, hebben gevolgd.

In het onderhavige geval is de termijn van drie maanden ten tijde van het indienen van het verzoek reeds ruimschoots verstreken. Onder verwijzing naar voormelde beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vraagt verzoeker machtiging om de nalatenschap van erflater voor rechthebbende alsnog te mogen verwerpen.

De kantonrechter volgt de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet, onder meer gezien de vergaande consequenties voor wat betreft de rechtsbescherming van degenen van wie de goederen onder bewind zijn gesteld en de daarvoor noodzakelijke zekerheid in het rechtsverkeer, en overweegt daartoe het volgende.

Rechtszekerheid

Hoewel de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betrekking heeft op een verzoek van een professionele beschermingsbewindvoerder, heeft deze ook gevolgen voor de zogenoemde familiaire bewindvoerders. Zij zijn vaak medegerechtigd in dezelfde nalatenschap als de rechthebbende. Met zekere regelmaat moeten familiaire bewindvoerders erop worden gewezen dat zij namens rechthebbende aanspraak moeten maken op diens legitieme portie (waarmee hun eigen aanspraak op de nalatenschap wordt verminderd). Veelal wordt aangegeven dat dit niet de wens is van erflater, dat rechthebbende het geld niet nodig heeft of dat de (geestelijk beperkte) rechthebbende de wens heeft de nalatenschap aan zijn familieleden te laten. Door de beschikking van het gerechtshof ontstaat ongewenste ruimte voor familiaire bewindvoerders om niet in het belang van rechthebbende te handelen.

De beschikking van het gerechtshof is ingegeven door het argument van proportionaliteit van de beschermingsmaatregel van bewind. Deze beslissing kan er echter ook toe leiden dat de verderstrekkende maatregel van curatele vaker wordt uitgesproken, indien degenen van wie de goederen onder bewind staan de bescherming van art. 4:193, tweede lid, BW ontberen. Buiten kijf staat immers dat deze bepaling van toepassing is op curatele en dat de curator als wettelijk vertegenwoordiger heeft te gelden.

De kantonrechter overweegt voorts dat er thans ingrijpende verschillen (dreigen te) ontstaan in de rechtsbescherming van de degenen van wie de goederen onder bewind zijn gesteld, met onzekerheid voor rechthebbenden tot gevolg. De kantonrechter acht dit in strijd met de juist voor deze categorie van personen gewenste rechtszekerheid. Daarnaast geldt dat de in art. 4:193, tweede lid, gestelde termijn rechtszekerheid biedt aan alle bij de nalatenschap betrokkenen (in gelijke zin: beschikking 10 februari 2023, Rechtbank Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2023:743). De bescherming die voor rechthebbenden uitgaat van het beginsel van rechtszekerheid, gaat naar het oordeel van de kantonrechter dan ook voor op het proportionaliteitsbeginsel.

Lex specialis

De kantonrechter meent voorts, anders dan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat het niet zo evident is dat artikel 1:441, vijfde lid, BW als lex specialis heeft te gelden. Zij stelt vast dat artikel 1:441 BW in werking is getreden op 1 september 1982. Met ingang van 1 januari 2003 vond er een tekstuele wijziging plaats en is het woord “erfenis” vervangen door het woord “nalatenschap”. Artikel 4:193 BW is eerst in werking getreden per 1 januari 2003. Het ligt dan naar het oordeel van de kantonrechter niet voor de hand om ervan uit te gaan dat art. 1:441, vijfde lid, BW een lex specialis is van art. 4:193 BW. Artikel 1:441, vijfde lid, BW is immers van aanzienlijk oudere datum dan artikel art. 4:193 BW, terwijl door de tekstuele wijziging per 1 januari 2003 van artikel 1:441, vijfde lid, BW de inhoud van die bepaling niet verandert. Nu in de wetsgeschiedenis van het later ingevoerde art. 4:193 BW daarover niet met zoveel woorden iets is opgenomen, bestaat er onvoldoende aanleiding om van een lex specialis uit te gaan mede gezien de hiervoor aangegeven ingrijpende gevolgen voor de rechtszekerheid.

Zo al zou moeten worden uitgegaan van een lex specialis, wat de kantonrechter dus niet doet, dan kan slechts worden geconstateerd dat art. 1:441, vijfde lid, BW in dat geval enkel een lex specialis voor de aanvaarding van een nalatenschap inhoudt. Over de verwerping van de nalatenschap wordt in dit artikellid niet gesproken. Niet blijkt dat is beoogd voor de termijn zoals genoemd in artikel 4:193 BW en de effecten van het verlopen van die termijn iets anders te bepalen in het geval van beschermingsbewind.

Opgemerkt wordt nog dat in het antwoord van de minister op Kamervragen in 2011 de beschermingsbewindvoerder wel als wettelijk vertegenwoordiger van de rechthebbende wordt gezien. De minister geeft aan dat de bewindvoerder een ruime taakomschrijving toekomt (Handelingen 2011/2012, 33054 nr. 3), en in de vervulling van die taak is, aldus de minister, de bewindvoerder de wettelijk vertegenwoordiger van de rechthebbende voor wat betreft de onder bewind staande goederen.

De kantonrechter stelt tot slot vast, dat in dit geval de termijn van drie maanden als bedoeld in art. 4:193, tweede lid, BW is verstreken en dat de nalatenschap derhalve van rechtswege beneficiair is aanvaard. Verzoeker is dan ook niet ontvankelijk in haar verzoek.

De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart de bewindvoerder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot machtiging om de nalatenschap te verwerpen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2024-0215 VEAN-ERF-Updates.nl 2024-0215
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?