ECLI:NL:RBGEL:2024:8650

ECLI:NL:RBGEL:2024:8650, Rechtbank Gelderland, 06-12-2024, AWB - 23_6829

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 06-12-2024
Datum publicatie 05-12-2025
Zaaknummer AWB - 23_6829
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

De staatsecretaris heeft het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] verblijvende in de penitentiaire inrichting in [plaats], eiser,

en

de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. F. Boonen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de staatssecretaris volgens hem niet tijdig een besluit heeft genomen op zijn bezwaar van

1 april 2023 tegen het besluit van de staatssecretaris van 29 maart 2023.

Vervolgens heeft de staatssecretaris op 29 november 2023 alsnog een besluit op het bezwaar van eiser bekendgemaakt. In reactie daarop heeft eiser met de brief van

9 december 2023 aan de rechtbank laten weten dat hij zich niet kan verenigen met de inhoud van dat genomen besluit. Ook heeft eiser aan de rechtbank meegedeeld dat de staatssecretaris schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan hem heeft moeten toekennen en dat de staatssecretaris de bestuurlijke dwangsom heeft moeten vaststellen.

De rechtbank heeft het beroep samen met het beroep in de zaak met nummer

ARN 23/6830 op 20 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eiser

gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit ontvankelijk en ongegrond is. Eiser

heeft niet aangetoond dat hij een ingebrekestelling heeft verzonden, zodat de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd. De rechtbank beoordeelt in dit beroep verder het beroep tegen het besluit van 29 november 2023 aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Dat beroep is gegrond: in dat besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft.

Heeft het beroep ook betrekking op het alsnog genomen besluit?

3. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ook betrekking

op het alsnog genomen besluit, tenzij dat besluit geheel aan het beroep tegemoetkomt. De rechtbank beoordeelt daarom eerst of de staatssecretaris met het besluit van

29 november 2023 (bestreden besluit) geheel aan het bezwaar van eiser tegemoetkomt. In dat geval is het beroep niet ook tegen dat besluit gericht en beoordeelt de rechtbank dat besluit niet inhoudelijk.

In het bezwaarschrift heeft eiser aangevoerd dat hij wil dat de staatssecretaris

alsnog overgaat tot rectificatie van de volgens eiser onjuiste gegevens. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris geen inhoudelijk standpunt ingenomen, maar het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard en daarmee ook niet tot rectificatie van de volgens eiser onjuiste gegevens overgegaan. De staatssecretaris komt dan ook niet aan het bezwaar van eiser tegemoet. Daarom heeft het beroep van eiser ook betrekking op het bestreden besluit. In de brief van 30 januari 2024 heeft de rechtbank dat ook aan eiser meegedeeld.

Heeft eiser nog (proces)belang bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit?

4. De rechtbank beoordeelt ook of eiser nog (proces)belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Van een dergelijk (proces)belang kan sprake zijn in het geval eiser aanspraak maakt op een bepaalde vorm van schadevergoeding, zoals de bestuurlijke dwangsom.

In onder andere het beroepschrift en de brief van 9 december 2023 heeft eiser verzocht om vaststelling van de bestuurlijke dwangsom. Omdat dat nog niet heeft plaatsgevonden, kan de rechtbank beoordelen of daartoe recht bestaat. Eiser heeft daarom nog wel (proces)belang bij een beoordeling van zijn oorspronkelijke beroep.

Heeft eiser recht op de bestuurlijke dwangsom?

5. In artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat vermeld dat de dwangsomtermijn aanvangt op de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop het bestuursorgaan van de indiener een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Omdat de ingebrekestelling van eiser afkomstig moet zijn, kan de toezending van de ingebrekestelling van 1 augustus 2023 door de rechtbank aan de staatsecretaris als onderdeel van de stukken niet als ontvangst in de zin van voornoemd artikel gelden.

In het verweerschrift ontkent de staatssecretaris dat hij de ingebrekestelling heeft ontvangen. In het systeem Digijust waar de binnengekomen poststukken worden geplaatst en opgeslagen, heeft de staatssecretaris namelijk geen ingebrekestelling aangetroffen.

In het geval eiser de ingebrekestelling met de gewone post heeft verstuurd en

de staatssecretaris ontkent dat hij een ingebrekestelling heeft ontvangen, moet eiser aannemelijk maken dat hij de ingebrekestelling daadwerkelijk aan de staatssecretaris heeft verzonden. In dat kader is de enkele stelling daartoe onvoldoende. In het geval eiser de verzending van de ingebrekestelling niet aannemelijk kan maken, komt het voor risico van eiser dat de staatssecretaris de ingebrekestelling niet heeft ontvangen.

Eiser heeft de verzending van de ingebrekestelling niet aannemelijk gemaakt.

De omstandigheid dat poststukken van eiser door de directeur van de penitentiaire

inrichting moeten worden verzonden en eiser daardoor geen bewijs van verzending heeft, ontslaat hem niet van de op hem rustende bewijslast. Eiser kan bij belangrijke poststukken namelijk ook kiezen voor verzending met aangetekende post. In dat geval zal een bewijsprobleem niet (snel) spelen. Verder levert de door eiser overgelegde lijst met verzonden poststukken geen bewijs op van daadwerkelijke verzending. In dat geval kan de rechtbank namelijk nog steeds niet vaststellen of eiser de ingebrekestelling aan de directeur heeft aangeboden en hoe en of de directeur van de penitentiaire inrichting de ingebrekestelling aan de postbezorgdienst heeft aangeboden en op welke wijze de bezorging heeft plaatsgevonden. Daarvoor is de directeur van de penitentiaire inrichting ook niet verantwoordelijk. Omdat de bewijslast bij eiser ligt, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechter-commissaris op te dragen een onderzoek te verrichten naar de ontvangst van de ingebrekestelling door de staatssecretaris.

Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een ingebrekestelling

heeft verzonden, heeft hij niet aangetoond dat de staatssecretaris een ingebrekestelling

heeft ontvangen. In dat geval is de dwangsomtermijn niet aangevangen. De rechtbank kan daarom geen bestuurlijke dwangsom vaststellen. Eiser heeft dan ook geen recht op de bestuurlijke dwangsom.

Heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard?

6. Hoofdstuk 2 tot en met 8 en 10 van de Awb zijn niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijk beslissingen en andere vrijheidsbenemende maatregelen in een inrichting die in hoofdzaak bestemd is voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Dat staat in artikel 1:6, aanhef en onder a en c, van de Awb.

In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris overwogen dat voor eiser een andere rechtsgang heeft opengestaan dan het maken van bezwaar op grond van de Awb. Tegen een besluit van de directeur van de penitentiaire inrichting staat namelijk op grond van artikel 60 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) beklag open bij de Commissie van Toezicht. Vervolgens kan eiser tegen de uitspraak van de Commissie van Toezicht beroep indienen bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Op grond van

artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Awb zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb namelijk niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van andere vrijheidsbenemende maatregelen in een inrichting die in hoofdzaak bestemd is voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.

Eiser betoogt dat het in zijn geval niet gaat om de tenuitvoerlegging van een

besluit van de directeur van de penitentiaire inrichting waarin eiser een andere (extra) vrijheidsbenemende maatregel heeft opgelegd gekregen, maar om rectificatie van de over eiser verwerkte gegevens op grond van artikel 22 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Voor zijn situatie heeft de wetgever artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Awb niet bedoeld. In dat geval zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb wel van toepassing. De bestuursrechter mag het beroep van eiser dan ook beoordelen.

Het betoog van eiser slaagt. Een besluit op een verzoek om rectificatie van

gegevens op grond van artikel 22 van de Wjsg valt niet onder artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Awb. In dat geval gaat het namelijk niet om de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of andere vrijheidsbenemende maatregelen. De rechtbank ziet zich daarom gesteld voor de vraag of alleen de in de Pbw genoemde procedure heeft opengestaan of dat voor eiser ook een andere weg heeft opengestaan.

In het algemeen geldt dat voor eiser als gedetineerde tegen een besluit van de directeur van de penitentiaire inrichting beklag openstaat bij de Commissie van Toezicht op grond van artikel 60 van de Pbw. Verder kan eiser naast de in de Pbw genoemde procedure ook de in de Wjsg genoemde procedure volgen. Artikel 23 van de Wjsg gaat daarover. In dat artikel staat dat een besluit op een verzoek als bedoeld in artikel 22 een beschikking betreft in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Het bestreden besluit betreft een dergelijk besluit. Voor eiser stond dus niet alleen de in de Pbw genoemde procedure open, maar ook de weg van bezwaar en beroep op grond van de Awb. Dat betekent dat de staatssecretaris het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De staatssecretaris had het bezwaar van eiser inhoudelijk moeten beoordelen. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding meer voor het bespreken van de beroepsgrond van eiser over het ten onrechte niet horen in bezwaar. Er moet namelijk opnieuw een besluit op het bezwaar worden genomen.

Heeft eiser recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?

7. Eiser verzoekt ook om een immateriële schadevergoeding omdat de redelijke termijn voor bezwaar als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Daartoe verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank.

De redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep bedraagt in beginsel twee jaar vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. In de voornoemde termijn van twee jaar mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. In de rechtspraak geldt daartoe dat voordat naar de instanties afzonderlijk wordt gekeken, eerst moet worden vastgesteld of de redelijke termijn in zijn geheel is overschreden.

In het geval van eiser moet de gehele procedure binnen twee jaar vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 1 april 2023 zijn afgerond. In dat geval moet de gehele procedure voor 1 april 2025 zijn afgerond. De rechtbank heeft voor 1 april 2025 uitspraak gedaan. De redelijke termijn is in zijn geheel dan ook niet overschreden.

Omdat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep in zijn geheel niet is overschreden, heeft eiser geen recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de rechtbank het ook niet wenselijk vindt dat de bezwaarprocedure bij de staatssecretaris (iets) langer dan een half heeft geduurd, kan dat, anders dan zij oordeelde in haar uitspraak van 10 oktober 2023, niet leiden tot een dergelijke immateriële schadevergoeding. De rechtbank wijst daarom het verzoek van

eiser om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep voor zover dat ziet op het niet tijdig nemen van een besluit is ontvankelijk, maar leidt niet tot vaststelling van de bestuurlijke dwangsom.

Het beroep voor zover dat ziet op het bestreden besluit is gegrond. De staatssecretaris heeft het bezwaar van eiser namelijk ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat de staatssecretaris nog geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over het bezwaar van eiser, ziet de rechtbank geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de staatssecretaris op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat de zaak tot nu toe alleen maar is gegaan over de ontvankelijkheid van het bezwaar.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de staatssecretaris daarvoor zes weken.

Omdat het beroep voor zover dat ziet tegen het bestreden besluit gegrond is, moet de staatssecretaris het griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er is geen sprake van door een gemachtigde verrichtte proceshandelingen.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van

M. Gasseling, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.P.C.G. Derksen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?