ECLI:NL:RBGEL:2024:9854

ECLI:NL:RBGEL:2024:9854, Rechtbank Gelderland, 26-01-2024, C/05/427003 / FA RK 23-3453

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 26-01-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer C/05/427003 / FA RK 23-3453
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zutphen
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

EU:32019R1111

Samenvatting

Moeder is verhuisd naar de Verenigde Staten en wil dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar wordt vastgesteld. De vader wil dat de minderjarige bij hem in Nederland blijft. De rechtbank is van oordeel dat beide ouders in staat zijn om goed voor de minderjarige te zorgen. Omdat de moeder hoe dan ook zal verhuizen is de trieste conclusie van de rechtbank dat de minderjarige met een van haar ouders zal opgroeien en de andere ouder slechts in de vakanties zal zien. De rechtbank besluit dat de minderjarige bij haar vader in Nederland zal blijven omdat ze hier geworteld is.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: C/05/427003 / FA RK 23-3453

Datum uitspraak: 26 januari 2024

beschikking van de meervoudige kamer

in de zaak van

[naam moeder] (hierna de moeder),

wonende te [woonplaats moeder] , Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS),

advocaat mr. E.J. Kim-Meijer te `s-Gravenhage,

tegen

[naam vader] (hierna de vader),

wonende te [woonplaats vader] ,

advocaat mr. R.F. Vonk te Ede.

1. Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 25 oktober 2023;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 4 december 2023;

- het journaalbericht van mr. Kim-Meijer van 10 december 2023 met bijlagen waaronder het door partijen op 30 november 2023 en 1 december 2023 ondertekende ouderschapsplan (two party-agreement).

Tijdens de mondelinge behandeling van 14 december 2023 zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Kim-Meijer en een tolk Turks;

- de vader, bijgestaan door mr. Vonk;

- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

2. De feiten

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2015 te [plaats] , (Verenigde Staten van Amerika) met elkaar gehuwd. Voorzover de rechtbank op dit moment bekend is, zijn partijen uit elkaar en loopt de echtscheidingsprocedure nog.

De moeder heeft de Turkse nationaliteit. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit.

Het minderjarige kind van partijen is:

- [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [plaats] , Zwitserland (hierna: [minderjarige] ).

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij de vader in Nederland.

3. Het verzoek

De moeder verzoekt, na wijziging bij journaalbericht van 11 december 2023, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;

b. de moeder vervangende toestemming te verlenen om per 1 januari 2024 met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] (Verenigde Staten van Amerika) te verhuizen, althans per datum die de rechtbank in goede justitie bepaalt;

c. het ouderschapsplan (two party-agreement) aan de beschikking te hechten en onderdeel uit te laten maken van de beschikking.

De moeder voert aan dat zij een internationale achtergrond heeft. Zij is geboren in Turkije, heeft gewoond en gestudeerd in verschillende landen en heeft altijd een grote interesse gehad om een internationale carrière op te bouwen. Ook de vader is hoogopgeleid en heeft veel in het buitenland gewoond, gestudeerd en gewerkt zoals in [plaats] , Verenigde Staten. Hier hebben partijen elkaar, in april 2014, ontmoet en zijn zij op [huwelijksdatum] 2015 getrouwd. Hierna hebben partijen samen nog zes maanden (tot februari 2016) in de VS gewoond. De vader is vervolgens (voor zijn postdoc) vertrokken naar Zwitserland. Van juli 2016 tot maart 2019 hebben partijen samen in Zwitserland gewoond, met uitzondering van een korte onderbreking van twee maanden toen de moeder met [minderjarige] in Thailand woonde en werkte. De vader heeft er in 2019 voor gekozen zijn carrière in Nederland voort te zetten en is in Nederland gaan wonen en werken. De moeder heeft van 6 mei 2019 tot 31 oktober 2019 met [minderjarige] in [woonplaats moeder] verbleven waar zij toen tijdelijk woonde en werkte. Na tien maanden met [minderjarige] in Turkije te hebben gewoond, is de moeder in september 2020 met [minderjarige] bij de vader in Nederland gaan wonen. Volgens de moeder was de afspraak tussen de ouders dat de moeder en [minderjarige] Nederland zouden verlaten op het moment dat de moeder een stabiele baan zou vinden in het buitenland. De moeder heeft ook geprobeerd in Nederland een baan te vinden maar dit is niet gelukt. Zij heeft van 6 september 2021 tot 12 juni 2023 in Zwitserland gewerkt, steeds op basis van kortdurende contracten. Op 25 januari 2023 kreeg de moeder het aanbod om als [functie] te gaan werken en op 7 februari 2023 heeft zij dit aanbod geaccepteerd. Zij heeft een tenure-track contract wat betekent dat zij nooit door [werkgever] kan worden ontslagen. De moeder is in juni 2023 vertrokken naar [woonplaats moeder] .

De moeder verkeerde in de veronderstelling dat de vader er geen bezwaar tegen zou hebben dat zij, net zoals vanaf de geboorte, met [minderjarige] weer in het buitenland zou gaan wonen. De moeder kan, als alleenstaande moeder, dankzij haar baan bij [werkgever] , [minderjarige] financieel onderhouden en haar de stabiliteit, veiligheid en rust bieden die zij nodig heeft. De moeder heeft een huis in [woonplaats moeder] en kan [minderjarige] dagelijks naar school brengen en ophalen. Daarbij heeft de moeder in [woonplaats moeder] een uitgebreid sociaal netwerk en er zal ook een tante van de moeder in [woonplaats moeder] gaan wonen om de moeder daar waar nodig te ondersteunen.

Volgens de moeder is [minderjarige] vanaf haar geboorte in Zwitserland opgegroeid tot een wereldburger. Zij is gewend aan internationale verhuizingen. Zij spreekt drie talen vloeiend: Turks, Engels en Nederlands. [minderjarige] heeft in het buitenland op verschillende scholen gezeten, zoals op de kleuterschool in Turkije en (in 2019) in [woonplaats moeder] (VS). Zij kan zich gemakkelijk aanpassen aan verschillende culturen, woonomgevingen en schoolsituaties. Voor [minderjarige] zal de verhuizing naar [woonplaats moeder] geen probleem zijn. Zij is jong, kent [woonplaats moeder] en ziet [woonplaats moeder] als haar vertrouwde omgeving omdat zij daar in 2019 met haar moeder heeft gewoond.

Een verhuizing naar [woonplaats moeder] zal geen vermindering van contact betekenen van [minderjarige] met haar vader en zijn familie. Gelet op hetgeen de moeder voorstelt, zal er op regelmatige basis tussen [minderjarige] en de vader in Nederland en in [woonplaats moeder] contact zijn. Ook de continuïteit van de zorgregeling en de vakantieregeling zijn goed gewaarborgd.

4. Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De vader verzoekt, naar de rechtbank begrijpt:

a. de verzoeken van de moeder onder a. en b. af te wijzen;

b. tot afwijzing van het verzoek de moeder de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren in het geval de verzoeken van de moeder worden toegewezen;

en bij wege van zelfstandig verzoek:

b. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben.

De vader stelt zich ten eerste op het standpunt dat het in deze kwestie de vraag is welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van [minderjarige] is. Dit is niet dezelfde benadering als de vraag of een ouder met het kind mag verhuizen. Het gaat erom welke omgeving het meest in het belang van [minderjarige] is, [woonplaats moeder] of [woonplaats vader] .

De vader stelt zich op het standpunt dat een verhuizing naar [woonplaats moeder] niet in het belang van [minderjarige] is. De vader acht dit een verstoring van het leven van [minderjarige] die volstrekt onwenselijk en onnodig is. Bovendien is hierover tussen partijen geen enkel vooroverleg geweest. De moeder heeft zonder tijdige aankondiging en zonder overleg over bijvoorbeeld de gevolgen hiervan voor [minderjarige] , een baan in [woonplaats moeder] aangenomen en zij is in juni 2023 vertrokken. Zij verkeerde ten onrechte in de veronderstelling dat de vader er geen bezwaar tegen zou hebben dat zij met [minderjarige] in het buitenland zou gaan wonen. De vader bestrijdt dat partijen in 2019 hebben afgesproken dat zij zouden zien waar zij beiden een goede baan zouden kunnen vinden in het buitenland. De moeder heeft pas in oktober 2023 cross border mediation voorgesteld nadat zij haar baan bij [werkgever] al had aangenomen en naar [woonplaats moeder] was verhuisd. De moeder heeft dus op geen enkele wijze de verhuizing doordacht en voorbereid. Tot de cross border mediation waren partijen niet in staat om structureel afspraken te maken over de omgang. Toen duidelijk was dat de moeder naar de VS zou vertrekken, heeft er eind april 2023 een viergesprek plaatsgevonden. Er zijn toen werkafspraken gemaakt maar die werden door de moeder niet nagekomen. De vader heeft wel steeds de contacten gefaciliteerd zoals de moeder deze ‘aankondigde’.

De vader erkent dat partijen op verschillende plaatsen in de wereld hebben gewoond. Het is echter de moeder die doorlopend, al dan niet voor kortere of langere periodes, op wisselende plaatsen in de wereld werkzaam was. Ook de vader heeft voorafgaand en in het begin van het huwelijk op een aantal plekken in de wereld gestudeerd, gewoond en gewerkt, zo ook in Zwitserland. Dit betrof een onderzoeksfunctie op basis van een tweejarig contract dat liep tot januari 2019 en toen niet is verlengd. Daarna is de vader in Nederland gaan wonen en werken bij [werkgever] , waar hij nog steeds werkzaam is. Hiermee had de vader de financiële stabiliteit en de mogelijkheid om voor [minderjarige] te zorgen, ongeacht waar de moeder zou verblijven. Hierin is hij de afgelopen jaren de stabiele factor geweest in het leven van [minderjarige] . Van september 2020 tot heden woont [minderjarige] bij de vader en heeft hij continue de zorg voor [minderjarige] gehad. Deze woonomgeving biedt haar stabiliteit, veiligheid en rust. [minderjarige] zit sinds 2021 op school in [plaats] , waar zij het naar haar zin heeft. De vader brengt [minderjarige] elke dag naar school, op weg naar zijn werk bij [werkgever] . De woning van de vader, de school van [minderjarige] en het werk van de vader zijn allemaal op enkele kilometers afstand van elkaar gelegen. [minderjarige] wordt vanuit school door de BSO opgehaald. De vader haalt [minderjarige] op van de BSO vanuit zijn werk naar huis. De functie van de vader brengt met zich mee dat hij zijn werkuren gedeeltelijk flexibel kan inrichten. Op die momenten dat de vader geen les hoeft te geven, is hij daarmee in de gelegenheid om op eenvoudige wijze zijn werkdag eerder te beëindigen indien de verzorging van [minderjarige] dit met zich meebrengt. Indien nodig heeft de vader zijn netwerk in [woonplaats vader] . Zo zijn er aan zijn zijde nog twee ouders alsmede overige familieleden en bekenden die in voorkomende gevallen kunnen bijspringen. Gezien de mate waarin de vader zelf voor [minderjarige] kan zorgen, zijn de aanspraken van de vader op zijn sociale netwerk minimaal te noemen.

Volgens de vader heeft de moeder (vanwege haar werk) op meerdere momenten niet in [woonplaats vader] verbleven en nauwelijks tot geen zorgtaken (zoals het huishouden of het halen en brengen van [minderjarige] naar school) op zich genomen. Ook in financieel opzicht droeg zij niets bij. De stelling van de moeder dat zij de volledige zorg voor [minderjarige] heeft gedragen, ook financieel, is dan ook absoluut onjuist. Het was in de eerste jaren inderdaad zo dat, wanneer [minderjarige] door de moeder werd meegenomen op reis, de moeder de zorg voor [minderjarige] had. Zij reisde echter zelden alleen maar in het bijzijn van haar moeder of de tante moederszijde.

Volgens de vader spreekt [minderjarige] met name Nederlands, goed Turks en inmiddels nog maar een beetje Engels. Dat [minderjarige] zich gemakkelijk kon aanpassen in verschillende culturen vanwege haar verblijf met haar moeder in het buitenland, was toen [minderjarige] tussen de nul en drie jaar oud was. Het is dan ook niet mogelijk dat [minderjarige] herinneringen heeft aan haar verblijf met de moeder in [woonplaats moeder] in 2019. Evenmin kan zij [woonplaats moeder] zien als een voor haar vertrouwde omgeving omdat de moeder toen buiten [woonplaats moeder] woonde. Ook wijst de vader erop dat de moeder nu in [wijk] woont in een klein appartement met één slaapkamer en nog op zoek gaat naar een appartement met twee slaapkamers. Of [wijk] beter is dan [woonplaats vader] betwijfelt de vader. Ook is de moeder voor de zorg voor [minderjarige] per definitie afhankelijk van haar moeder, tante en op termijn een nanny. De vader vraagt zich af welk sociaal netwerk de moeder überhaupt kan hebben opgebouwd in [woonplaats moeder] .

De vader bestrijdt dat andere belangen kunnen spelen dan het belang van [minderjarige] . Een

eigen belang van de moeder zou mogelijk een rol kunnen spelen, maar het is niet zo dat zij wordt belemmerd in haar carrière of om naar [woonplaats moeder] te verhuizen. De moeder verkiest een carrière in het buitenland en hoopt vervolgens dat haar dochter mee kan verhuizen. De vader constateert dat de moeder geen concessies wenst te doen aan haar carrière om zorg te kunnen bieden voor [minderjarige] , daar waar de vader dit aantoonbaar inmiddels wel heeft gedaan. Het is het goed recht van de moeder om te kiezen voor een carrière. Dit betekent echter niet automatisch dat er ook een noodzaak is voor de moeder om te verhuizen naar [woonplaats moeder] , laat staan voor [minderjarige] om (mee) te verhuizen.

5. Het advies van de Raad

De zittingsvertegenwoordigster van de Raad geeft aan het lastig te vinden om de rechtbank te adviseren. Zij ziet in beide situaties van de ouders mogelijkheden. [minderjarige] heeft al vanaf jonge leeftijd op verschillende plekken in de wereld gewoond, met de moeder maar ook samen met de ouders. Beide ouders hebben overal en nergens gewoond en gewerkt. Daaruit blijkt dat de ouders aan het wereldburgerschap van [minderjarige] veel waarde hechten. De Raad neigt ernaar om te adviseren [minderjarige] met de moeder mee te laten gaan naar [woonplaats moeder] . De Raad zou [minderjarige] deze kans gunnen en hoort ook dat de moeder haar de zorg kan bieden die zij nodig heeft. [minderjarige] is flexibel. Gezien haar jonge leeftijd heeft zij nog geen heel leven opgebouwd en kan zij zich ook elders makkelijk aanpassen. Anderzijds zou het verblijf van [minderjarige] bij de vader in [woonplaats vader] haar geen schade toebrengen.

6. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat de moeder de Turkse nationaliteit heeft en niet in Nederland woont. Op grond van artikel 7 eerste lid van Brussel II-ter komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, omdat vast staat dat het kind (bij indiening van het verzoek) haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Nu de Nederlandse rechtbank bevoegd is, past zij op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht toe op het verzoek.

Het ouderschapsplan

De rechtbank stelt vast dat de ouders gedurende cross border mediation over de zorgregeling aangaande [minderjarige] overeenstemming hebben bereikt en deze overeenstemming hebben vastgelegd in een door beiden ondertekend ouderschapsplan. De ouders hebben hier een zogenaamde mirror agreement in opgenomen. De ouders hebben geregeld hoe de zorgregeling en de invulling van de contactmomenten eruit zullen zien, voor zowel het scenario dat de rechter vervangende toestemming verleent aan de moeder om met [minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats moeder] , als wanneer de rechter het verzoek afwijst. Op verzoek van de moeder en de vader tijdens de mondelinge behandeling neemt de rechtbank de inhoud van genoemd ouderschapsplan op in de beschikking. De rechtbank acht het positief dat de ouders overeenstemming hebben bereikt en zal dienovereenkomstig op het verzoek van de ouders beslissen, nu de rechtbank dit in het belang van [minderjarige] acht. Voorts begrijpt de rechtbank dat het verzoek van de moeder ten aanzien van het vaststellen van een zorgregeling als gewijzigd en voor zover in het ouderschapsplan nadere zaken zijn geregeld als een aanvullend verzoek dat de rechtbank als volgt zal toewijzen.

Vervangende toestemming om te verhuizen en hoofdverblijfplaats

Gezien de inhoud van het ouderschapsplan (mirror agreement), hoeft de rechtbank alleen nog te beslissen op de vraag of de moeder vervangende toestemming krijgt om met [minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats moeder] , waardoor de hoofdverblijfplaats bij haar wordt bepaald of dat het verzoek wordt afgewezen en [minderjarige] in Nederland blijft en de hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald.

Ingeval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kan de rechtbank op grond van artikel 1:253a, eerste lid en tweede lid, onder a en b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere de beslissing, bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, omvatten. Ook kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag (zoals over een verhuizing) op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

Bij haar beslissing neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat iedere ouder in beginsel het recht heeft om zijn of haar leven in te richten op de manier die hem of haar goed lijkt. Daaronder valt ook de vrijheid om te verhuizen met een kind. Dit recht wordt echter beperkt door de rechten van de andere ouder tot een volwaardige zorgregeling met dat kind. Als de ene ouder het niet eens is met de verhuisplannen van de andere ouder, dan kan de ouder die met het kind wil verhuizen aan de rechtbank vervangende toestemming voor die verhuizing vragen. De rechtbank brengt dan alle omstandigheden in kaart en maakt een belangenafwezig. Het belang van het kind staat hierbij voorop, maar afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere belangen zwaarder wegen.

In de jurisprudentie is een aantal aspecten genoemd die bij deze belangenafweging een rol kan spelen, zoals de noodzaak van een verhuizing, de mate waarin de minderjarige is geworteld, de goede voorbereiding van de verhuizing et cetera. Dat in deze zaak nog niet eerder is bepaald waar het kind haar juridische hoofdverblijfplaats heeft, doet niet af aan de toepasselijkheid van deze aspecten in de huidige belangenafweging, omdat het gaat om een vergelijkbare beslissing. Een aantal aspecten hoeft in dit geval niet meer bij de belangenafweging betrokken te worden, omdat de ouders deze punten in onderling overleg in hun mirror agreement hebben geregeld. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat op die punten een afgewogen resultaat is bereikt en dat deze punten geen doorslag kunnen geven.

De rechtbank overweegt dat uit de stukken en de mondelinge behandeling naar voren komt dat de moeder een noodzaak ziet tot verhuizing naar [woonplaats moeder] omdat dit volgens haar de enige plek is waar zij haar carrière kan vormgeven op een manier die bij haar wensen, opleiding en ervaring past. De vader brengt dezelfde soort argumenten naar voren als het gaat om waarom hij in Nederland wil blijven. Ook hij ziet geen mogelijkheid om in de Verenigde Staten een baan te vinden die bij zijn achtergrond past. Het argument van de noodzaak van verhuizen kan kortom (over en weer) geen doorslag geven, ook omdat de moeder al heeft bepaald dat ze toch zal verhuizen ook als ze geen toestemming krijgt en de vader niet zal meeverhuizen als de toestemming wel wordt verleend. De trieste conclusie is dus dat het onvermijdelijk is dat [minderjarige] met een van haar ouders zal opgroeien en de andere ouder slechts in de vakanties zal zien.

Verder stelt de rechtbank vast dat [minderjarige] een hechte band heeft met zowel haar moeder als haar vader. Beide ouders zijn ook in staat om goed voor [minderjarige] te zorgen. Beiden hebben een baan met een vast inkomen, geschikte woonruimte en beiden beschikken over voldoende opvoedvaardigheden. Beiden hebben ook de opvang van [minderjarige] na school goed geregeld (bij de vader BSO of thuis werken en bij de moeder hulp van een tante). Naar het oordeel van de rechtbank en in lijn met het advies van de Raad zal [minderjarige] kortom bij beide ouders een goed leven hebben, al zal dit er bij iedere ouder anders uitzien en zal ze bij beide ouders de andere ouder missen. Ook dit zal daarom niet de doorslag kunnen geven.

De rechtbank stelt tot slot vast dat [minderjarige] sinds september 2020 (ruim drie jaar) in [woonplaats vader] woont samen met de moeder en de vader. Ze gaat daar naar de basisschool, zit op dansles en bij een damvereniging en heeft een sociaal netwerk dat bestaat uit familie (vaderszijde) en een vaste groep vriendjes en vriendinnetjes. Hieruit volgt dat [minderjarige] in [woonplaats vader] is geworteld. Dat de moeder naar eigen zeggen [minderjarige] altijd heeft voorgehouden dat zij ooit samen in het buitenland zouden gaan wonen, doet aan de worteling van [minderjarige] in [woonplaats vader] niet af. Een kind van die leeftijd kan een dergelijke abstracte mededeling immers niet op waarde schatten. De rechtbank acht het daarom voor [minderjarige] belastend(er) als zij moet verhuizen naar [woonplaats moeder] waarbij zij opnieuw zal moeten wennen aan school en buitenschoolse activiteiten en nieuwe vrienden moet maken dan als ze haar huidige leven in [woonplaats vader] kan voortzetten. Dit voordeel weegt, naar het oordeel van de rechtbank, niet op tegen de voordelen van het ‘wereldburgerschap’ in [woonplaats moeder] zoals de Raad die naar voren heeft gebracht. Deze geworteldheid geeft uiteindelijk voor de rechtbank de doorslag en de rechtbank zal om die reden het verzoek van moeder afwijzen en bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben.

7. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind:

- [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [plaats] , Zwitserland,

bij de vader zal zijn;

wijst het verzoek van de moeder af voor vervangende toestemming om met [minderjarige] te verhuizen naar de VS;

bepaalt dat de inhoud van het aangehechte ouderschapsplan (two party-agreement), ondertekend door partijen op 30 november 2023 en 1 december 2023, deel uitmaakt van deze beschikking;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. B. Krijnen, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. J.S.W. Lucassen en mr. Y. Yildiz, (kinder)rechters in tegenwoordigheid van L.W. Evers, als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2024.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?