beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/421546 / FA RK 23-2077
Datum uitspraak: 12 februari 2024
beschikking van de meervoudige kamer ex artikel 1:253a BW
in de zaak van
[naam vader] (hierna: de vader),
wonende te [woonplaats vader] ,
advocaat mr. M.S. Vos te Tiel,
tegen
[naam moeder] (hierna: de moeder),
wonende te [woonplaats moeder] ,
advocaat mr. H.J.R.M. Boersma te Wadenoijen.
1. Het verloop van de procedure
Voor het procesverloop tot 23 oktober 2023 verwijst de rechtbank naar de beschikking van die datum. In de beschikking van 23 oktober 2023 heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken aangehouden, in afwachting van de uitkomsten van een raadsonderzoek.
Vervolgens heeft de rechtbank ontvangen:
- de brief van de moeder van 23 november 2023 met productie 13;
- het conceptrapport van de Raad van 7 december 2023 met als bijlagen de reactie van de vader en de moeder daarop;
- de brief van de moeder van 7 december 2023;
- het definitieve raadsrapport van de Raad van 7 december 2023, ingekomen op 12 december 2023;
- de brief van de moeder van 4 januari 2024 met producties 14 en 15, waaronder haar reactie op de reactie van de vader op het raadsrapport;- het F9-formulier van de vader van 10 januari 2024, met producties 23 tot en met 25.
Tijdens de mondelinge behandeling van 15 januari 2024 zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door mr. M.S. Vos;
de moeder, bijgestaan door mr. H.J.R.M. Boersma;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
[naam] namens de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel (hierna: de GI).
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Vos pleitaantekeningen overgelegd en deze voorgedragen.
Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld heeft de moeder op 15 januari 2024 na de mondelinge behandeling nog een salarisspecificatie van de maand december 2023 ingediend.
2. De feiten
Uit de relatie tussen partijen zijn geboren de minderjarige kinderen:
- [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , hierna:
[minderjarige 1] ;
- [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .
De vader heeft de kinderen erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
Partijen zijn een zorgplan overeengekomen – dat is ondertekend op 8 juli 2021 – waarin onder meer is opgenomen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader en [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.
Verder staat in dit zorgplan een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) opgenomen welke onder meer inhoudt dat de kinderen van maandag tot woensdagochtend bij de vader zijn en van woensdagmiddag tot en met vrijdagmiddag bij de moeder. In de weekenden zijn zij om en om bij de vader en de moeder.
In het zorgplan zijn de ouders ook overeengekomen dat de vader met ingang van 1 juni 2021 een bedrag van € 122,50 per kind per maand op een door de ouders aan te wijzen rekening zal storten ten behoeve van de algemene kosten van de kinderen en de moeder.
Bij beschikking van 20 december 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 20 december 2024.
3. Het verzoek en het verweer
De vader verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:
I. dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;
II. dat de toestemming van de moeder voor de voorgenomen verhuizing van de kinderen wordt vervangen door toestemming van de rechtbank;
III. dat de moeder over de periode 1 augustus 2022 t/m 31 december 2022 € 338,82 per maand aan de vader betaalt en dat zij vanaf 1 januari 2023 € 350,35 per maand aan hem voldoet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , althans een zodanige bijdrage en vanaf het moment dat de rechtbank juist acht;
IV. dat de moeder vanaf 15 mei 2023 € 350,35 per maand voldoet in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] , althans een zodanige bijdrage en vanaf het moment dat de rechtbank juist acht;
V. dat de moeder de kosten van deze procedure dient te voldoen.
De moeder voert verweer en concludeert tot niet ontvankelijk verklaring van de vader in zijn verzoeken dan wel tot afwijzing hiervan.
Bij wege van zelfstandig verzoeken verzoekt de moeder:
I. om de vader te verbieden om met de kinderen te verhuizen buiten een straal van 10 km van (zijn huidige woning aan [adres] , op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vader feitelijk handelt in strijd met dit verbod;
II. een opbouwregeling vast te stellen voor het contactherstel tussen de moeder en beide kinderen, des dat de moeder [minderjarige 2] eerst één dag door de week en een dag in het weekend per veertien dagen bij zich zal hebben van ’s middags na school tot de volgende dag na het eten en een zaterdag in de veertien dagen, uit te bouwen naar een doordeweekse dag na school tot de andere dag na het avondeten en een weekeinde van vrijdag na school tot maandag naar school en zo vervolgens tot een regeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan;
III. voor [minderjarige 1] een regeling vast te stellen waarbij contact zal plaatsvinden en opbouw van het verblijf van [minderjarige 1] bij de moeder zal worden hersteld op een wijze zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
4. Het advies van de Raad
De Raad adviseert:
- het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij hem te bepalen, toe te wijzen;
- het verzoek van de vader om vervangende toestemming te geven om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verhuizen, toe te wijzen;
- de verzoeken van de moeder over het vaststellen van een (opbouwende) zorgregeling af te wijzen;
- het verzoek van de moeder om de vader te verbieden met de kinderen buiten een straal van 10 km te verhuizen, af te wijzen.
De Raad maakt zich ernstige zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omdat zij opgroeien in een situatie waarin hun ouders verwikkeld zijn in een hardnekkige onderlinge strijd en elkaar wantrouwen en diskwalificeren. Bij de kinderen is sprake van zeer ernstige loyaliteitsproblematiek. Het klemzitten en de negatieve emoties zoals boosheid, verdriet en teleurstelling die dit oproept, maakt dat de kinderen dit ‘oplossen’ met het kiezen voor een van de ouders. In de huidige situatie hebben zij voor hun vader gekozen. Zij hebben een vol hoofd en dit heeft een negatief effect op hun schoolgang. Er is sprake van schoolverzuim, slecht slapen, [minderjarige 2] heeft een toename van eczeem en buikpijn en [minderjarige 1] laat depressief gedrag zien. Beide ouders hebben een aandeel in het klem zitten van de kinderen. Als er niets verandert, zal er blijvend contactverlies zijn tussen de kinderen en de moeder. Dit kan leiden tot een belemmerde identiteitsontwikkeling en een negatief zelfbeeld en er zullen negatieve emoties aanwezig blijven.
De Raad vindt een wijziging van de hoofdverblijfplaats in het belang van [minderjarige 2] . Zij woont sinds mei 2023 feitelijk al bij de vader. Na juli 2023 is er geen fysiek contact meer geweest tussen de moeder en [minderjarige 2] . Wel hebben zij nog af en toe via beeldbellen contact gehad, maar ook dat is inmiddels gestopt.
De vader is al verhuisd met de kinderen en heeft de Raad daardoor voor een voldongen feit geplaatst. De verhuizing heeft voor relatieve rust bij de kinderen gezorgd, maar de Raad vindt de manier waarop de vader de verhuizing zonder overleg heeft gerealiseerd niet in het belang van de kinderen. Het terugdraaien van de verhuizing zou de onstane rust echter teniet doen en veel stress bij de kinderen veroorzaken. Daarbij bestaat de kans dat de kinderen de schuld over het niet mogen verhuizen bij de moeder zullen neerleggen.Ten aanzien van het contact tussen de kinderen en de moeder adviseert de Raad dat de stappen naar contactherstel en de voortzetting daarvan binnen de ondertoezichtstelling onder regie van de jeugdbeschermer in een plan van aanpak moeten worden vastgelegd.
5. De beoordeling
Hoofdverblijfplaats [minderjarige 2] , vervangende toestemming verhuizing en zorgregeling
Wat beslist de rechtbank?
De rechtbank zal beslissen dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Verder zal de rechtbank vervangende toestemming voor de verhuizing van de kinderen verlenen. De rechtbank zal de verzoeken van de ouders voor het overige afwijzen en zal deze beslissingen hierna uitleggen.
Hoofdverblijfplaats [minderjarige 2]
woont sinds mei 2023 feitelijk al bij de vader en [minderjarige 1] . Eerst was dit bedoeld als time-out. Maar inmiddels woont [minderjarige 2] al ongeveer negen maanden bij de vader. De vader wenst de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. De moeder ervaart dat na [minderjarige 1] ook [minderjarige 2] meer van haar verwijderd raakt en is bang voor ouderverstoting. Hoewel de rechtbank oog heeft voor deze zorg van de moeder, is er op dit moment echter geen contact tussen de moeder en [minderjarige 2] . Ook is het onduidelijk wanneer en op welke wijze het contactherstel gaat plaatsvinden. De rechtbank heeft helaas niet de verwachting dat [minderjarige 2] op korte termijn weer (deels) bij de moeder zal verblijven. Om die reden vindt de rechtbank het in het belang van [minderjarige 2] dat zij haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft, nu dat al langere tijd de feitelijke situatie is en ook in de voorzienbare toekomst zo zal blijven.
Vervangende toestemming verhuizing
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag een geschil tussen de ouders hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de ouders samen belast zijn met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maakt dat de vader voor het veranderen van de woonplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toestemming van de moeder nodig heeft.
Volgens vaste rechtspraak worden door de rechtbank bij een verhuizing - onder meer - de volgende omstandigheden en belangen meegenomen/afgewogen:
de noodzaak om te verhuizen;
de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;
de leeftijd van het kind, zijn/haar mening en de mate waarin het kind geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Bij haar beslissing neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat iedere ouder in beginsel het recht heeft om zijn of haar leven met een kind in te richten op de manier die hem of haar goed lijkt. Daaronder valt ook de vrijheid om op een andere plek met een kind te gaan wonen. Als de ene ouder het niet eens is met de verhuisplannen van de andere ouder, dan kan de ouder die met de kinderen wil verhuizen aan de rechtbank vervangende toestemming voor die verhuizing vragen. De rechtbank brengt dan alle omstandigheden in kaart en maakt een belangenafweging. Het belang van het kind staat hierbij voorop, maar afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere belangen zwaarder wegen.
De vader legt aan zijn verzoek ten grondslag dat wegens het gedrag van de moeder en door een gewijzigde gezinssituatie een verhuizing naar de omgeving van [stad] noodzakelijk is. Volgens de vader gedraagt de moeder zich zodanig dat dit op dagelijkse basis invloed heeft op de vader en zijn gezin. De moeder betrekt ook de directe omgeving van de vader en de kinderen in [woonplaats moeder] bij hun conflict en daar hebben de kinderen last van. Er is veel hulpverlening betrokken, maar de situatie verbetert niet. De vader heeft een nieuwe partner, [naam partner vader] . In juni 2022 heeft zich een incident tussen de moeder enerzijds en de vader en zijn partner anderzijds voorgedaan, waarbij de moeder de partner van de vader heeft uitgescholden en de vader een klap heeft gegeven. [minderjarige 1] is daarvan getuige geweest en heeft daar last van. Daarnaast stelt de vader dat de moeder zich bijna dagelijks bemoeit met de kinderen. Zij stuurt veel berichten naar de kinderen, controleert hen overmatig en hoort hen op een vervelende manier uit. De vader verwacht dan ook een positieve wijziging van de situatie wanneer er meer afstand tussen de ouders ontstaat. Bovendien is de vader nu getrouwd met [naam partner vader] die drie kinderen heeft. [naam partner vader] en haar kinderen komen uit een gewelddadige situatie en het is voor hen van belang om samen te blijven wonen. Dat kan niet in de woning van de vader in [woonplaats moeder] . Omdat er in de omgeving van [woonplaats moeder] geen betaalbare, passende woningen beschikbaar waren, heeft de vader het zoekgebied uitgebreid en is hij in de buurt van [stad] uitgekomen. De vader verwacht dat een verhuizing geen effect heeft op de schoolgang van de kinderen of hun sociale netwerk. Hij gaat dagelijks naar [woonplaats moeder] voor zijn werk en kan de kinderen naar school en andere activiteiten brengen en aan het einde van de dag weer meenemen naar huis. Omdat het leven van de kinderen zich in de omgeving van [woonplaats moeder] blijft afspelen, heeft de verhuizing ook geen gevolgen voor het contact met de moeder.
De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader miskent enig aandeel te hebben in de ontstane onrust en loyaliteitsproblemen bij de kinderen. Ook de oplossing moet volgens de vader bij de moeder neergelegd te worden, in die zin dat zij afstand moet doen van haar kinderen en van haar family life met de kinderen. Daarbij maakt de vader gebruik van gelegenheidsargumenten. De belangen van de kinderen en de moeder en hun recht op family life kunnen door de vader niet worden achtergesteld bij het welzijn van [naam partner vader] en haar kinderen. Wat de vader stelt over de gevolgen van de verhuizing voor het sociale leven is volgens de moeder niet realistisch. Het is illusoir te veronderstellen dat de kinderen hun sociale leven ‘gewoon’ vanuit de omgeving van [stad] kunnen voortzetten. De moeder verwacht bij een verhuizing dat de kinderen in de buurt van [stad] naar school zullen gaan en daar hun sociale leven zullen opbouwen. De moeder vindt daarom dat het verzoek om te mogen verhuizen moet worden afgewezen en dat het de vader verboden moet worden om buiten een straal van 10 kilometer te verhuizen zoals is overeengekomen in het zorgplan.
De rechtbank overweegt dat de situatie sinds de indiening van het verzoek is gewijzigd. De vader en de kinderen wonen namelijk al in de omgeving van [stad] . Voor de rechtbank staat vast dat de moeder op de hoogte was van de aankoop van een huis door de vader, maar dat de vader en de moeder hierover geen overleg gevoerd hebben. Nu de ouders beiden het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben, had de vader de moeder expliciet om toestemming moeten vragen om te mogen verhuizen.
De Raad heeft uitgebreid met de ouders, de kinderen en betrokken hulpverleners gesproken. Uit het raadsrapport volgt dat het niet goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij hebben heel veel last van de manier waarop de ouders met elkaar omgaan. De ouders zitten in een zeer hardnekkige strijd en wantrouwen en diskwalificeren elkaar. [minderjarige 1] laat depressief gedrag zien en [minderjarige 2] ontwikkelt eczeem en heeft geregeld buikpijn. Beide kinderen slapen slecht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ernstige loyaliteitsproblemen, zij zitten klem tussen hun ouders en laten schoolverzuim en dalende schoolprestaties zien. Zij laten verder boosheid, verdriet en teleurstelling zien in hun gedrag. Zij willen de ontstane situatie als het ware oplossen door voor hun vader te kiezen met als gevolg dat zij hun moeder volledig afwijzen.
De Raad beschrijft verder dat beide kinderen hebben aangegeven dat de moeder (te) controlerend gedrag liet en laat zien en dat zij zich te veel bemoeit met hen en hun vriendschappen. [minderjarige 1] voelt zich niet altijd door haar gezien en voelt zich achtergesteld. De kinderen zijn angstig en maken zich zorgen over de toekomst. Doordat de kinderen al lange tijd ( [minderjarige 1] al meer dan een jaar, [minderjarige 2] sinds juli 2023) geen contact meer hebben met hun moeder, wordt het voor hen steeds moeilijker om een eigen beeld van haar te hebben. Bij de moeder wordt onvermogen gezien om zich te verplaatsen in de kinderen. Ook kan zij geen erkenning geven voor de emoties van de kinderen, waardoor de moeder eerder boosheid en verdriet bij hen oproept dan dat zij nader tot elkaar komen. Zij doet onhandige dingen en zij overziet niet wat haar handelen met de kinderen doet. Tijdens de mondelinge behandeling van 15 januari 2024 erkende de moeder dat zij appjes naar [minderjarige 2] had gestuurd tijdens Kerst en voor haar verjaardag, terwijl de moeder met de hulpverleners had afgesproken dat contact tussen hen op initiatief van [minderjarige 2] zou plaatsvinden. Hoe begrijpelijk de wens om op dergelijke dagen een bericht te sturen ook is, voor [minderjarige 2] komt dat onbetrouwbaar over omdat het niet conform de afspraak was. De moeder kan verder onvoldoende reflecteren op haar gedrag. De vader diskwalificeert de moeder en maakt een overbelaste indruk. Hij kan onvoldoende kritisch zijn op zijn eigen gedrag. De vader focust zich op het nieuwe samengestelde gezin en gaat daarmee voorbij aan het stamgezin (de vader, de moeder en de kinderen). De interactie tussen de ouders is complex en lijkt de strijd te verharden.
Zoals hiervoor overwogen, heeft de vader eigenmachtig gehandeld door al te verhuizen voordat (vervangende) toestemming daarvoor was verkregen en is hij daarmee volledig voorbijgegaan aan het gezag van de moeder. Ook voldoet de reeds gerealiseerde verhuizing niet aan een aantal criteria die de Hoge Raad in diens arrest heeft opgesomd. Zo heeft de vader geen alternatieven en maatregelen geboden om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de moeder te verzachten en/of compenseren, zijn de ouders niet in staat tot enige onderlinge communicatie en overleg en zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geworteld in [woonplaats moeder] . Met de Raad vindt de rechtbank het bovendien heel belastend voor de kinderen dat zij niet eerlijk konden en kunnen zijn over de verhuizing en als het ware al langere tijd met een geheim (moesten) leven. Door de verhuizing is een situatie ontstaan die niet meer te keren is. De rechtbank herkent de omschrijving van de Raad over deze zaak: zij heeft het geven van een advies over de verhuizing als een duivels dilemma ervaren en elk advies doet de kinderen tekort.
De rechtbank ziet twee ouders die veel van hun kinderen houden, maar door hun strijd de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit het oog verloren zijn. De rechtbank moet en zal daarom de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] centraal stellen. Zij wonen nu ver weg van de moeder, hun school en sociale omgeving. Daartegenover staat dat zij wel regelmatig naar [woonplaats moeder] gaan om (vooralsnog) daar naar school te gaan en om hun sociale contacten te onderhouden. De relatieve rust die er nu is in combinatie met de komst van de ondertoezichtstelling kan zorgen voor mogelijkheden voor contactherstel tussen de moeder en de kinderen. Daar komt bij dat de Raad – ook tijdens de mondelinge behandeling – heeft toegelicht dat het eventueel terugdraaien van de verhuizing een negatief effect zal hebben op de ontstane relatieve rust en dat daarmee weer veel stress bij de kinderen zal ontstaan. Dit vindt de rechtbank niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Bovendien bestaat het risico dat de kinderen hun moeder de schuld ervan zullen geven als de verhuizing moet worden teruggedraaid wat een contactherstel met de moeder in de weg kan gaan staan omdat dit de weerstand zal verdiepen. Gelet op het voorgaande deelt de rechtbank de conclusie van de Raad dat afwijzing van het verzoek van de vader een dusdanige negatieve en grote impact op de kinderen zal hebben dat de huidige ernstige zorgen over de kinderen verder zullen toenemen. Dat risico acht de rechtbank te groot. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader toewijzen en het verzoek van de moeder om de vader te verbieden buiten een straal van 10 kilometer te verhuizen en daaraan een dwangsom te verbinden, afwijzen. De rechtbank realiseert zich terdege wat dit in deze situatie voor de moeder zal betekenen, maar ziet in het licht van alle omstandigheden geen betere oplossing.
Zorgregeling
Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat beide ouders een aandeel hebben in de huidige situatie waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig klem zitten tussen hun ouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vader en hebben geen contact met hun moeder. Als er niets verandert, zal er volgens de Raad blijvend contactverlies zijn tussen de kinderen en de moeder. Dit kan leiden tot een belemmerende identiteitsontwikkeling en een negatief zelfbeeld bij de kinderen en er zullen negatieve emoties aanwezig blijven. Het is dus zeer belangrijk dat deze situatie verandert. Echter, onder de huidige omstandigheden (het klem zitten van de kinderen en de ernstige loyaliteitsproblemen) acht de rechtbank het op dit moment niet mogelijk om een concrete (opbouwende) zorgregeling vast te stellen.
[minderjarige 2] lijkt volgens de Raad wat meer dan [minderjarige 1] open te staan voor contactherstel met de moeder. [minderjarige 1] heeft boosheid, teleurstelling, een achtergesteld gevoel en een negatief beeld over moeder. Dit belemmert momenteel het contactherstel. [minderjarige 2] wil pas contact met de moeder als de moeder psychische hulp heeft gekregen en veranderd is.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 20 december 2023 onder toezicht van de GI. De rechtbank vindt net als de Raad dat binnen het kader van de ondertoezichtstelling gesproken moet worden over het contact tussen de kinderen en de moeder, over mogelijkheden om tot contactherstel te komen en daarna over mogelijkheden om het contact vorm te geven. Één van de voorwaarden voor contactherstel moet zijn dat beide ouders zich neutraal dan wel positief over en naar elkaar opstellen. Vanuit de huidige relatieve rust kan dit proces in gang gezet worden, waarbij de ouders en de GI oog moeten hebben voor de beperkte mogelijkheden wegens de grote fysieke afstand tussen de huizen van de ouders. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek van de moeder afwijzen.
Kinderalimentatie
Wat beslist de rechtbank?
De rechtbank zal beslissen dat de moeder vanaf 27 juni 2023 ten aanzien van [minderjarige 1] een kinderalimentatie van € 161,- per maand en met ingang van 1 januari 2024 een kinderalimentatie van € 171,- per maand aan de vader moet betalen. Bovendien zal de rechtbank beslissen dat de moeder vanaf 12 februari 2024 ten aanzien van [minderjarige 2] een kinderalimentatie van € 171,- per maand aan de vader moet betalen. Dit betekent dat de rechtbank een deel van het verzoek van de vader afwijst. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Vooraf
De ouders hebben een zorgplan met datum 8 juli 2021 opgesteld. Daarin hebben zij de volgende afspraken gemaakt over de kinderalimentatie:
- de vader betaalt met ingang van 1 juni 2021 maandelijks en bij vooruitbetaling een bedrag van € 122,50 per kind op een door de ouders aan te wijzen rekening;
- de moeder zal gelijktijdig een bedrag van € 76,50 per kind storten op een door de ouders aan te wijzen rekening.
Het zorgplan is niet door de rechtbank bekrachtigd. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de kinderalimentatie nog niet eerder is vastgesteld. De rechtbank zal daarom hierna de kinderalimentatie vaststellen.
Ingangsdatum
De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
Hier hanteert de rechtbank voor [minderjarige 1] als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 27 juni 2023. Voor [minderjarige 2] hanteert de rechtbank de datum van deze beschikking, te weten 12 februari 2024. De rechtbank zal dit uitleggen.
[minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vader. De ouders hebben ten aanzien van [minderjarige 1] de noodzakelijke kosten vanaf het opstellen van het zorgplan in 2021 op de betreffende rekening betaald. De vader heeft zijn verzoekschrift ingediend op 27 juni 2023. Vanaf deze datum kon de moeder rekening houden met een wijziging van de door de ouders gemaakte alimentatieafspraken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op een datum die vóór indiening van het verzoekschrift is gelegen zoals de vader heeft verzocht. Zijn verzoek zal op dit punt dan ook worden afgewezen.
[minderjarige 2] verblijft sinds mei 2023 bij de vader. De moeder heeft onweersproken gesteld dat zij vanaf de totstandkoming van het zorgplan in 2021 maandelijks een bedrag van € 76,50 voor [minderjarige 2] op de kinderrekening stort en dat zij dit nog steeds maandelijks doet. Om die reden vindt de rechtbank het passend om ten aanzien van [minderjarige 2] als ingangsdatum de datum van de beschikking te bepalen.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. De ouders zijn in hun zorgplan overeengekomen dat de behoefte van de kinderen € 655,- per kind per maand bedroeg in 2021. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2023 € 700,- per kind per maand. De rechtbank zal de behoefte van de kinderen vaststellen op € 700,- per kind per maand.
Draagkracht ouders
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1175)]
Draagkracht vader
De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader directeur grootaandeelhouder (DGA) is van [naam bedrijf] en dat hij geen gegevens over de winst van zijn bedrijf heeft overgelegd. Voor het maken van een goede berekening vindt de moeder het noodzakelijk dat de vader deze gegevens alsnog in de procedure brengt.
De rechtbank overweegt dat de vader heeft verklaard dat hij inderdaad DGA is van [naam bedrijf] en dat hij geen (winst)gegevens van zijn bedrijf heeft overgelegd. Daar staat tegenover dat het inkomen van de vader blijkt uit de door hem overgelegde loonspecificaties en de jaaropgave over 2023. De moeder heeft dit inkomen niet betwist en ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het vermoeden dat de vader een hoger inkomen zou (moeten) hebben.
Voor het bepalen van de draagkracht van de vader rekent de rechtbank dan ook op basis van de overlegde jaaropgaaf 2023 van [naam bedrijf] waaruit een belastbaar loon van € 92.722,- blijkt.
De moeder heeft nog aangevoerd dat de vader geen inkomensgegevens van zijn echtgenote heeft overgelegd, terwijl zijn echtgenote ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank constateert dat de vader inderdaad geen inkomensgegevens van zijn echtgenote in de procedure heeft gebracht. Gesteld noch gebleken is dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om de inkomensgegevens van de echtgenote van de vader mee te nemen in de berekening van de kinderalimentatie. De rechtbank zal dat dan ook niet doen.
Verder zal de rechtbank uitgaan van het kindgebonden budget waar de vader recht op zou hebben als hij alleenstaand was, wederom omdat hij geen gegevens heeft overgelegd van zijn echtgenote en dit niet in het nadeel van de moeder dient te werken.
Het NBI van de vader berekent de rechtbank op € 5.039,- per maand.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vader een draagkracht van € 1.646,- per maand.
Draagkracht moeder
Voor het bepalen van de draagkracht rekent de rechtbank op basis van de overgelegde loonspecificatie van december 2023, waarin cumulatief over heel 2023 een inkomen van € 45.579,- bruto staat genoemd. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de moeder elk jaar in december een ‘Year End Bonus’ ontvangt. Dat is de op dat moment te verwachten winstdelingsuitkering. In de maand januari van het volgende jaar ontvangt de moeder dan een extra bedrag daarbovenop, welk bedrag dan wordt opgenomen in de jaaropgave van dat betreffende jaar. In de cumulatief van het loon van de moeder zijn deze bedragen meegenomen. Het NBI is dan € 2.986,-.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de moeder een draagkracht van € 640,- per maand.
Verdeling kosten
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
De vader en de moeder hebben samen een draagkracht van (1.646 + 640 =) € 2.286,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te betalen, want die zijn € 1.400,- per maand. Dit betekent dat de vader een deel van (1.646/2.286 x 1.400 =) € 1.008,- per maand moet dragen en de moeder een deel van (640/2.286 x 1.400 =) € 392,- per maand voor de kinderen samen (€ 196,- per kind).
Zorgkorting
De vader maakt op de dagen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de kinderen staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de vader met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven momenteel bij de vader en er is geen contact met de moeder. De bedoeling is dat het contact tussen de moeder en de kinderen de komende periode in het kader van de ondertoezichtstelling wordt hersteld en dat gewerkt gaat worden aan een opbouw in het contact. Daarbij past een zorgkorting van 5% van de behoefte, dus € 35,- per maand. Dat betekent dat de moeder een bedrag van (196 -/- 35 =) € 161,- per kind per maand moet betalen.
Indexering
Omdat voormelde bijdrage ingaat op een datum gelegen voor 1 januari 2024 verhoogt de rechtbank de bijdrage per 1 januari 2024 met de wettelijke indexering van 3,4%.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de moeder ten aanzien van [minderjarige 1] met ingang van 27 juni 2023 een bedrag van € 161,- per maand moet betalen. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat vanaf 1 januari 2024 € 171,- per maand.
De rechtbank zal bepalen dat de moeder ten aanzien van [minderjarige 2] met ingang van 12 februari 2024 een bedrag van € 171,- per maand moet betalen.
Alimentatie vooruitbetalen
De moeder moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Proceskosten
De vader en de moeder moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn. In dit soort zaken is het gebruikelijk dat beide ouders hun eigen proceskosten betalen. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook afwijzen.
6. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;
verleent de vader vervangende toestemming om met de kinderen:
- [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , en
- [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,
te verhuizen naar de omgeving van [stad] ;
bepaalt dat de moeder ten aanzien van [minderjarige 1] met ingang van 27 juni 2023 een bedrag van € 161,- per maand en vanaf 1 januari 2024 € 171,- per maand moet betalen aan de vader als kosten voor zijn verzorging en opvoeding;
bepaalt dat de moeder ten aanzien van [minderjarige 2] met ingang van 12 februari 2024 een bedrag van € 171,- per maand moet betalen aan de vader als kosten van haar verzorging en opvoeding;
bepaalt dat de moeder deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.M. van Apeldoorn (voorzitter), mr. A.A. Roodenburg en mr. J.L.F. van den Tooren, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. D.B.T. Koster als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2024.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.