ECLI:NL:RBGEL:2024:9884

ECLI:NL:RBGEL:2024:9884

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 10-09-2024
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer 11232561
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Arbeidsrecht - kort geding - concurrentie beding rechtsgeldig overeengekomen, belangenafweging valt uit in voordeel werknemer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: 11232561 \ VV EXPL 24-89

Vonnis in kort geding van 10 september 2024

in de zaak van

YER PROFESIONNALS B.V.,

te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: YER,

gemachtigde: mr. C.H. van Tok,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. N. Ahnouch.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12;

- de aanvullende producties 13 en 14 van de zijde van YER;

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 9; - de mondelinge behandeling van 27 augustus 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[gedaagde] is sinds 1 september 2022 in dienst van YER in de functie van projectconsultant op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, laatstelijk tegen een maandelijks bruto salaris van € 3.500,00 exclusief 8,33% vakantiebijslag, een eindejaarsuitkering van 7,55% en een leaseauto klasse A. Uit de arbeidsovereenkomst wordt geciteerd:

[gedaagde] is projectconsultant in de sector Ruimtelijke Ordening en verricht in deze functie werkzaamheden voor de gemeente Staphorst. Daar is zij beleidsmedewerker Ruimtelijke Ontwikkeling in het team Omgevingsbeleid binnen de afdeling Fysieke Leefomgeving.

[gedaagde] volgt sinds 1 september 2022 het YER Talent Development Programma (TDP). Dit traject duurt 24 maanden en hiermee investeert YER in de kennis en ontwikkeling van haar medewerkers.

In een gesprek met [naam] (teamlead YER) op 30 april 2024 heeft [gedaagde] aan YER te kennen gegeven haar arbeidsovereenkomst te willen opzeggen om bij Field Staffing b.v. (hierna Field) in dienst te treden. Zij heeft verzocht het concurrentiebeding uit haar arbeidsovereenkomst te laten vervallen.

Per mail van 6 mei 2024 heeft YER bevestigd het concurrentiebeding te zullen handhaven en zij heeft [gedaagde] een tegemoetkoming aangeboden in de arbeidsvoorwaarden om bij YER in dienst te blijven.

Per mail van 30 mei 2024 heeft [gedaagde] aangegeven niet op de door YER gedane tegemoetkoming in te gaan en heeft zij haar arbeidsovereenkomst opgezegd.

Op 10 juni 2024 heeft [gedaagde] aan YER, nadat zij daarom had gevraagd, kenbaar gemaakt de overstap te zullen maken naar Field.

YER heeft per brief van 21 juni 2024 nogmaals laten weten het vertrek van [gedaagde] te betreuren. Zij heeft [gedaagde] gewezen op het concurrentiebeding en haar gesommeerd zich te onthouden van het verrichten van werkzaamheden voor Field. Ook heeft YER Field aangeschreven over de ontstane situatie. [gedaagde] , Field en YER hebben geprobeerd onderlinge overeenstemming te bereiken, wat niet is gelukt.

Eind augustus 2024 is [gedaagde] met Field een nieuwe arbeidsovereenkomst overeengekomen waarin is opgenomen dat de overeenkomst zal ingaan op het moment dat [gedaagde] niet meer is gehouden aan het concurrentiebeding met YER, met een uiterlijke ingangsdatum van 1 september 2025. Tot die tijd zal [gedaagde] geen werkzaamheden verrichten voor Field.

3. Het geschil en de vorderingen in conventie en in reconventie

YER vordert – samengevat – om [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van het concurrentiebeding op straffe van verbeurte van een dwangsom en haar te verbieden om voor de tijd dat het concurrentiebeding tussen partijen geldt werkzaam te zijn voor of betrokken te zijn bij Field eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en de kosten van de procedure.

YER legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. YER heeft met [gedaagde] een rechtsgeldig concurrentiebeding gesloten, conform de vereisten van artikel 7:653 lid 1 BW. Uit hoofde van dit beding is het [gedaagde] gedurende twaalf maanden na afloop van het contract met YER verboden om op enigerlei wijze werk te verrichten, te participeren of bij de dragen aan enigerlei vorm van activiteiten die concurrerend zijn aan die van YER. In beginsel ligt het op de weg van [gedaagde] om schorsing of matiging van dit beding te vorderen, waarbij zij aannemelijk moet maken dat haar belang daarbij zwaarder weegt dan dat van YER. Echter, omdat [gedaagde] noch Field reageert op de sommaties van YER ziet zij zich genoodzaakt in rechte een verbod op indiensttreding te vorderen, gedurende twaalf maanden na het einde van arbeidsovereenkomst met YER. YER stelt dat Field een directe concurrent is, omdat zij dezelfde gespecialiseerde dienstverlening biedt als YER in het ruimtelijk domein. Beide ondernemingen richten zich op het detacheren van ruimtelijk adviseurs bij gemeenten en omgevingsdiensten. De concurrentie op de markt waarop YER zich begeeft is groot, zowel in de werving van detacheringsopdrachten als in de werving van detacheringsmedewerkers. Voor YER is het menselijk kapitaal een van de belangrijkste onderdelen van haar bedrijfsdebiet. YER heeft aldus belang bij het voorkomen dat haar voormalig medewerkers direct of kort na het einde van hun dienstverband overstappen naar een concurrerend detacheringsbedrijf. Dat verkleint ook het risico dat de klant van YER mee overstapt naar de concurrent. Een ander belang van YER is gelegen in de investering die zij de afgelopen twee jaar in [gedaagde] heeft gedaan voor de TDP opleiding. Daarnaast is het YER bekend dat Field meer van haar werknemers heeft benaderd die bijna of net klaar zijn met deze opleiding om naar haar over te stappen.

Tot slot heeft YER op zitting betoogd dat [gedaagde] kennis heeft van (vertrouwelijke) toekomstplannen van YER, die aan haar zijn voorgelegd in het kader van de gesprekken om haar voor YER te behouden.

Voor zover [gedaagde] aanvoert dat zij een economisch belang heeft bij de overstap naar Field stelt YER dat dit belang is komen te vervallen omdat zij [gedaagde] een vergelijkbaar aanbod heeft gedaan. YER stelt op basis van het voorgaande dat haar belang bij handhaving van het concurrentiebeding zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij de overstap naar Field.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van YER, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van YER, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van YER in de kosten van deze procedure. De door YER aangevoerde belangen kunnen niet door het concurrentiebeding worden beschermd. [gedaagde] heeft geen concurrentiegevoelige, specifieke kennis van de organisatie, bedrijfsprocessen en/of bedrijfsgeheimen van YER. Door indiensttreding van [gedaagde] bij Field, krijgt Field dus geen ongerechtvaardigd concurrentievoordeel. Bij handhaving van het concurrentiebeding wordt [gedaagde] onbillijk benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van YER. De belangen van [gedaagde] zijn met name gelegen in haar recht op vrije arbeidskeuze in haar nog prille carrière, de positieverbetering door haar indiensttreding bij Field en een verbetering van haar sociale werkkring. Haar belang moet daarom prevaleren.

[gedaagde] vordert in reconventie primair schorsing van het concurrentiebeding, subsidiair vordert zij de duur van het concurrentiebeding te beperken tot vier maanden en YER te veroordelen tot het betalen van een vergoeding van 50% van het laatst verdiende maandloon en meer subsidiair YER te veroordelen tot betaling van een vergoeding ter hoogte van 50% van het laatst verdiende maandloon voor de periode dat zij aan het concurrentiebeding wordt gehouden, met veroordeling van YER in de proceskosten.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of YER ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.

Spoedeisend belang

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van YER, te weten het feit dat [gedaagde] een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met Field en daar per 1 september 2024 in dienst wil treden, terwijl YER stelt dat zij daarmee het tussen YER en [gedaagde] gesloten concurrentiebeding overtreedt.

Concurrentiebeding

Partijen zijn het erover eens dat Field een concurrent is van YER en dat [gedaagde] met indiensttreding bij Field het met YER overeengekomen concurrentiebeding overtreedt. Zij zijn verdeeld over de vraag of YER een in rechte te respecteren belang heeft bij handhaving van dat beding. Beoordeeld moet worden of in verhouding tot het te beschermen belang van de YER [gedaagde] door het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld.

De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

Een concurrentiebeding is bedoeld om het bedrijfsdebiet van een werkgever – de opgebouwde knowhow en goodwill – te beschermen. Het gaat daarbij om het beschermen van bedrijfsgeheimen en andere concurrentiegevoelige informatie en/of het voorkomen dat een ex-werknemer bepaalde, al dan niet door hem onderhouden relaties met gebruikmaking van de door hem via zijn ex-werkgever bij die relaties verworden bekendheid meeneemt naar zijn nieuwe werkgever, met wie de ex-werkgever in een concurrentieverhouding staat. Het concurrentiebeding is niet bedoeld om – al dan niet in een krappe markt – werknemers te binden. Het enkele feit dat de ex-werknemer vertrekt naar een concurrent betekent nog niet dat de ex-werkgever (rechtstreeks) in haar debiet is aangetast. Van zo’n aantasting is pas sprake als de nieuwe werkgever in de concurrentieslag met de ex-werkgever in het voordeel is doordat de ex-werknemer essentiële informatie meeneemt over producten, diensten en/of werkprocessen dan wel doordat de ex-werknemer zodanig klantbinding heeft dat bepaalde klanten overstappen naar de nieuwe werkgever.

YER heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat [gedaagde] beschikt over concurrentiegevoelige informatie waarmee Field haar voordeel kan doen of dat zij zodanige binding heeft met klanten dat YER moet vrezen voor een overstap naar Field.

Hoewel YER ter zitting heeft betoogd dat [gedaagde] kennis heeft van vertrouwelijke toekomstplannen van YER, die aan haar zijn voorgelegd in het kader van de gesprekken om haar voor YER te behouden, heeft [gedaagde] onweersproken aangevoerd dat zij slechts globaal op de hoogte is gebracht en hiervan geen specifieke kennis heeft. Dit kan dan ook niet als concurrentiegevoelige informatie worden aangemerkt. Daar komt bij dat deze informatie met [gedaagde] is gedeeld op het moment dat zij kenbaar had gemaakt dat zij wilde vertrekken. Het past niet om in dat stadium een werknemer concurrentiegevoelige informatie te verstrekken, waarna de werknemer vervolgens niet meer vrij is om bij de concurrent in dienst te treden.

Daarnaast heeft [gedaagde] onweersproken aangevoerd dat zij bij Field niet voor gemeente Staphorst zal werken en dat zij geen persoonlijk contact heeft (gehad) met andere klanten van YER. Dat laatste past ook niet bij haar functie. Dat het risico bestaat dat [gedaagde] klanten met zich meeneemt is dus ook op voorhand niet voldoende aannemelijk geworden.

Tot slot geldt dat [gedaagde] weliswaar een opleiding bij YER heeft gevolgd, maar de periode van twee jaar waarin een terugbetalingsregeling van toepassing was is verstreken, waarmee YER kennelijk zelf van mening is dat de gedane investering niet langer aan een uitdiensttreding in de weg zou moeten staan.

Kortom, de uitdiensttreding bij YER en de indiensttreding bij Field heeft, zo lijkt, geen effect voor YER, anders dan dat zij personeel kwijtraakt aan Field. De stelling van YER dat Field meerdere werknemers van haar benadert om over te stappen heeft zij, nog daargelaten of dit kan meewegen in de verhouding met [gedaagde] , niet onderbouwd. [gedaagde] heeft hierover verklaard dat zij aan het eind van haar opleidingstraject door meerdere potentiële werkgevers is benaderd om over te stappen, omdat er nu eenmaal een krapte op de arbeidsmarkt bestaat.

Al met al is de kantonrechter van oordeel dat het belang van YER bij handhaving van het concurrentiebeding in het geval van [gedaagde] beperkt is.

Voor [gedaagde] geldt dat zij een duidelijk belang heeft vrij te zijn in de keuze van een andere werkgever. Daargelaten of [gedaagde] een economisch belang heeft bij de overstap naar Field, de kantonrechter laat de discussie over de lease-auto voor wat het is, heeft zij aangevoerd dat zij graag bij Field wil werken omdat zij behoefte heeft aan een andere sociale werkkring. Zij schat in dat zij qua sociale omgeving beter op haar plek is bij Field. [gedaagde] staat aan het begin van haar carrière en heeft een groot belang bij de vrijheid om hierin te kunnen kiezen. Daar komt bij dat zij slechts twee jaar voor YER heeft gewerkt.

De belangen tegen elkaar afwegend oordeelt de kantonrechter voorshands dat het belang van [gedaagde] om van de werking van het concurrentiebeding ontheven te worden, groter is dan het belang van YER bij handhaving daarvan, en dat [gedaagde] door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Dit betekent dat de kantonrechter oordeelt dat het voorlopig voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter aan het concurrentiebeding zijn werking zal ontnemen. Het is daarbij naar het oordeel van de kantonrechter gerechtvaardigd om daarop in dit kort geding vooruit te lopen. De kantonrechter zal daarom de door YER gevorderde voorziening afwijzen en de door [gedaagde] in reconventie gevorderde voorziening tot schorsing van het concurrentiebeding toewijzen.

YER is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

814,00

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

949,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De kantonrechter

In conventie en in reconventie

wijst de vorderingen van YER af,

schorst het concurrentiebeding tot het moment dat in de bodemzaak zal worden beslist,

veroordeelt YER in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?