ECLI:NL:RBGEL:2025:10000

ECLI:NL:RBGEL:2025:10000, Rechtbank Gelderland, 11-11-2025, 088092-23

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 11-11-2025
Datum publicatie 01-12-2025
Zaaknummer 088092-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0005289

Samenvatting

Taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand voor poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, subsidiair, en 2, subsidiair, ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1, subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 03 september 2022 tot en met op 4 september 2022 te Giesbeek, gemeente Zevenaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (meermaals) (met kracht) op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschopt/getrapt en/of geslagen (en daarmee is doorgegaan terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2, subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 03 september 2022 tot en met op 4 september 2022 te Giesbeek, gemeente Zevenaar openlijk, te weten op/aan de Veldweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] door (meermaals) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] te schoppen/trappen en/of slaan/stompen (terwijl [slachtoffer 2] op de grond ligt).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1, subsidiair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling;

feit 2, subsidiair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop en heeft bepleit dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd, zo nodig gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn broer op de kermis in Giesbeek zonder enige kenbare aanleiding zeer heftig geweld gebruikt tegen verschillende slachtoffers. Verdachte en zijn broer waren de hele avond al op zoek naar ruzie en gedroegen zich provocerend richting de latere slachtoffers. Uiteindelijk maakten zij zich samen schuldig aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] , door hem meerdere malen tegen het hoofd en lichaam te trappen, terwijl hij weerloos op de grond lag. Als gevolg van dit buitensporige geweld had [slachtoffer 1] een hersenschudding, gekneusde ribben, meerdere forse bloeduitstortingen en was het netvlies van zijn linkeroog gekneusd. Verdachte mag van geluk spreken dat het letsel van [slachtoffer 1] relatief beperkt is gebleven, gelet op het uitgeoefende geweld op met name zijn hoofd.

Na de mishandeling van [slachtoffer 1] richtte het geweld zich tegen zijn broer [slachtoffer 2] . Ook hij werd door verdachte en zijn broer meerdere malen met kracht tegen zijn lichaam getrapt, terwijl hij op de grond lag. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Dergelijke feiten maken ernstig inbreuk op de lichamelijke integriteit van slachtoffers. Naast de fysieke gevolgen voor de slachtoffers, heeft het voorval ook mentaal impact op hen gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk zinloos geweld als gevolg daarvan psychische gevolgen kunnen ondervinden. Daarnaast draagt dit heftige uitgaansgeweld bij aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, met name bij omstanders die hiermee op de openbare weg werden geconfronteerd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het beperkte strafblad van verdachte waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld wegens geweldsfeiten.

Bij de bepaling van de strafmaat en -modaliteit heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak, dat voornamelijk het gevolg is van de vele getuigenverhoren die hebben plaatsgevonden. Hoewel de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, ziet de rechtbank in dit tijdsverloop aanleiding om hiervan af te wijken.

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 180 uren passend. Daarnaast legt de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van één maand. Deze straf dient als waarschuwing voor verdachte om zich te weerhouden van het plegen van strafbare feiten en brengt tevens de ernst van de feiten tot uitdrukking.

De opgelegde straf is lager dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

De volgende benadeelde partijen hebben vorderingen tot schadevergoeding ingediend:

Benadeelde partij Materiële schade Immateriële schade

[slachtoffer 1] (feit 1) € 243,75 € 3.500,00

[slachtoffer 2] (feit 2) € 2.310,00 € 750,00

De benadeelde partijen hebben verzocht te gevorderde schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en over te gaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat de materiële schade hoofdelijk kan worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier gesteld dat, hoewel niet nader onderbouwd, voorstelbaar is dat sprake is van immateriële schade en geeft de rechtbank in overweging het bedrag te matigen tot € 1.000,00. Daarbij dient steeds de wettelijke rente te worden toegekend en dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen, gelet op het pleidooi tot vrijspraak.

Subsidiair is bepleit dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade moet worden verklaard. De gevorderde schade ziet immers op het blijvend verminderde gezichtsvermogen en er is niet nader onderbouwd dat hiervan sprake is.

De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] naar voren gebracht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot materiële schade, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Overweging van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de materiële schadeposten (eigen risico) niet inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade, zijnde een bedrag van € 243,75, kan worden toegewezen.

Smartengeld

Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat immateriële schade wordt gevorderd. In de vordering wordt gesproken over het opgelopen lichamelijk letsel dat inmiddels volledig is hersteld, met uitzondering van het opgelopen oogletsel waardoor het gezichtsvermogen aan het linkeroog blijvend is verminderd. De rechtbank overweegt dat niet nader is onderbouwd (met medische stukken) dat sprake is van blijvend letsel aan het oog en zij op grond van het dossier ook niet kan vaststellen hoe lang het herstel heeft geduurd, dan wel of sprake is van onherstelbaar letsel. Op grond van de genoemde bewijsmiddelen staat echter wel vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een hersenschudding, gekneusde ribben, meerdere bloeduitstortingen en een gekneusd netvlies aan het linkeroog. Daarmee is sprake van schade die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt en deze schade is aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 750,00 vaststellen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Verdachte is vanaf 4 september 2022 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Materiële schade

De rechtbank overweegt dat op grond van de onderbouwing bij de vordering niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde een aantal weken niet heeft gewerkt. Dit vergt een nadere onderbouwing en daarvoor is in het strafgeding geen plaats, omdat dit een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Smartengeld

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Door de openlijke geweldpleging heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van schaafwonden verspreid over zijn lichaam en een gekneusde pols. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 750,00 vaststellen.

Verdachte is vanaf 4 september 2022 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

Ten aanzien van beide vorderingen: schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijkheid

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vorderingen en de schadevergoedingsmaatregelen hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder 1, primair, 2, primair, en 3 ten laste gelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

De beslissing op de civiele vorderingen

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;

 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 november 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.C. Gerritsen
  • mr. L.M. Vogel

Griffier

  • mr. A.I. Warringa

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?