RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.326478.23
Datum uitspraak : 28 februari 2025
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 2]
.
Raadsman: mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van de vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 8 december 2023 te Ede [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- een pistool, althans een op een pistool gelijkend voorwerp, te tonen aan die [slachtoffer] en/of
- voornoemd voorwerp te richten op die [slachtoffer] en/of
- daarbij te zeggen: 'Zal ik jouw kaulo kankerkop er afschieten?' en/of
- een mes te richten op, althans in de richting van, die [slachtoffer] , althans woorden en/of feitelijkheden van gelijk dreigende aard en/of strekking;
2.
hij op of omstreeks 8 december 2023 te Ede drie wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een
- getransformeerd gaspistool, van het merk Zoraki, type 914-P, kaliber 9mm knal, waarschijnlijk getransformeerd naar 9x17mm en/of
- getransformeerd gaspistool, van het merk Zoraki, type M 906, kaliber 9mm knal, waarschijnlijk getransformeerd naar 9x17mm en/of
- getransformeerd gaspistool, van het merk Sig Sauer, kaliber 9mm knal, waarschijnlijk getransformeerd naar kaliber 9x17 mm
zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 8 december 2023 te Ede munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 20 kogelpatronen (CBC. 380 auto en/of S&B 9mm br) van het kaliber 9x17mm voorhanden heeft gehad;
4.
hij op of omstreeks 8 december 2023 te Ede een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een vleesmes (merk: Victornox) zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen
heeft gedragen;
5.
hij op of omstreeks 8 december 2023 te Ede opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 522,44 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of
- ongeveer 39,22 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 3,76 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of
- ongeveer 2,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende delta-8-THC
zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA en/of delta-8-THC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
6.
hij op of omstreeks 8 december 2023 te Ede opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 254,78 gram (212,83 gram + 23,04 gram + 18,91 gram), in elk geval een hoeveelheid van
meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 46,30 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Vrijspraak
Voor een bewezenverklaring van het onder feit 4 tenlastegelegde is vereist dat bewezen kan worden dat verdachte het mes gedragen heeft. Daarvan is sprake indien verdachte dit wapen bij zich had op de openbare weg of op andere voor het publiek toegankelijke plaatsen. Van beide situaties is in het geval van verdachte niet gebleken. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte het onder feit 4 van het tenlastegelegde heeft begaan.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 8 december 2023 te Ede [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- een pistool, althans een op een pistool gelijkend voorwerp, te tonen aan die [slachtoffer] en/of
- voornoemd voorwerp te richten op die [slachtoffer] en/of
- daarbij te zeggen: 'Zal ik jouw kaulo kankerkop er afschieten?' en/of
- een mes te richten op, althans in de richting van, die [slachtoffer] , althans woorden en/of feitelijkheden van gelijk dreigende aard en/of strekking;
2.
hij op of omstreeks 8 december 2023 te Ede drie wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een
- getransformeerd gaspistool, van het merk Zoraki, type 914-P, kaliber 9mm knal, waarschijnlijk getransformeerd naar 9x17mm en/of
- getransformeerd gaspistool, van het merk Zoraki, type M 906, kaliber 9mm knal, waarschijnlijk getransformeerd naar 9x17mm en/of
- getransformeerd gaspistool, van het merk Sig Sauer, kaliber 9mm knal, waarschijnlijk getransformeerd naar kaliber 9x17 mm
zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 8 december 2023 te Ede munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 20 kogelpatronen (CBC. 380 auto en/of S&B 9mm br) van het kaliber 9x17mm voorhanden heeft gehad;
5.
hij op of omstreeks 8 december 2023 te Ede opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 522,44 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of
- ongeveer 39,22 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 3,76 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of
- ongeveer 2,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende delta-8-THC
zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA en/of delta-8-THC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
6.
hij op of omstreeks 8 december 2023 te Ede opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 254,78 gram in elk geval een hoeveelheid van
meer dan 30 gram van een gebruikelijk van een vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 46,30 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 5:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 6:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 262 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en, met uitzondering van het contactverbod, de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd die het voorarrest niet overschrijdt, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft voorts bepleit dat het voorwaardelijke strafdeel lager moet zijn dan de eis van de officier, gelet op de bepleite vrijspraak voor feit 1 en 4.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank overweegt verder het volgende.
Verdachte heeft onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs een kennis van hem bedreigd, die vervolgens doodsbang zijn huis uit is gevlucht. Verdachte had samen met die kennis meerdere dagen achtereen harddrugs gebruikt en niet of nauwelijks geslapen. Bij komst van de politie bleken er verschillende vuurwapens en grote hoeveelheden (hard)drugs in huis te liggen. Verdachte was in die tijd ernstig verslaafd en had die vuurwapens en drugs voor anderen in bewaring.
Het voorhanden hebben van wapens en drugs trekt in zijn algemeenheid criminaliteit aan en draagt daarnaast bij aan het in stand houden van een gevaarlijke criminele (onder)wereld, die maar al te vaak slachtoffers maakt. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van de pro justitia rapportage van drs. W. Groen, GZ-psycholoog, en de conclusie dat verdachte volledig toerekenbaar handelde ten aanzien van het bewaren van wapens en drugs. Hoewel de deskundige zich niet heeft uitgelaten over de toerekenbaarheid bij de tenlastegelegde bedreiging, gaat de rechtbank wel uit van toerekenbaarheid bij dat feit.
De reclassering heeft gerapporteerd dat verdachte ten tijde van de delicten ernstig verslaafd was. De delicten staan ook daarmee in verband. Momenteel gaat het aantoonbaar beter met verdachte. Dit blijkt zowel uit de laatste twee rapportages van de reclassering als de correspondentie van Stichting de Ontmoeting. Verdachte is afgekickt, gedurende langere periode aantoonbaar drugsvrij, komt niet meer in aanraking met justitie, heeft een woning en heeft afstand genomen van zijn vroegere negatieve netwerk. Hij is afsprakentrouw, stelt zich begeleidbaar op en is volledig gefocust op zijn herstel en zijn traject. Indien hij terug zou moeten naar de gevangenis, dan heeft dit tot gevolg dat hij terug bij af zal zijn. Zijn behandeling wordt dan doorkruist en hij raakt zijn woonplek dan naar alle waarschijnlijkheid kwijt, aldus de reclassering.
Gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht de rechtbank de deels voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie geëist passend en geboden. Dit leidt ertoe dat verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft en dat de door hem ingezette positieve lijn niet zal worden doorbroken. Het gevaar op herhaling zal hierdoor naar verwachting laag blijven en dat is het in belang van de maatschappij en verdachte zelf. Tegelijkertijd is er in de vorm van een fors voorwaardelijk strafdeel dan een stevige stok achter de deur die ervoor moet zorgen dat verdachte op het goede pad blijft. De rechtbank zal aan verdachte de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod. Als het hulpverleningstraject goed blijft gaan, krijgt verdachte zo de kans om uit de gevangenis te blijven. Maar mocht verdachte zich niet houden aan de verplichte hulpverlening of toch weer drugs gaan gebruiken of weer nieuwe strafbare feiten gaan plegen, dan dient verdachte alsnog de nu voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf uit te zitten.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.
9. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder 4 ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen;
bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 262 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
stelt als overige voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
heft op het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Jansen, (voorzitter), mr. A.P. Sno en.
mr. A. Bril, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 februari 2025.