RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.000977.25
Datum uitspraak : 11 april 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats] .
Raadsman: mr. E.M. Steller, advocaat in Schiphol.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 31 december 2024 te Zevenaar, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 88 bolletjes met een nettogewicht van in totaal 868,7 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 31 december 2024 te Zevenaar een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een nationaal paspoort van Nigeria met nummer [nummer] op naam van [verdachte] waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen t.a.v. feit 1:
- de kennisgeving van inbeslagneming, p. 82-84;
- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 86-88;
- het proces-verbaal NFiDENT onderzoek verdovende middelen met bijlagen, p. 92-96;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 maart 2025.
Bewijsmiddelen t.a.v. feit 2:
- het proces-verbaal van aanhouding, p. 220-222;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 66-68 ;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 maart 2025.
Verdachte heeft de bolletjes gekregen van een onbekend gebleven ander. Ook het ticket voor de bus is door een ander geboekt. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking met een ander.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 31 december 2024 te Zevenaar, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 88 bolletjes met een nettogewicht van in totaal 868,7 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 31 december 2024 te Zevenaar een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een nationaal paspoort van Nigeria met nummer [nummer] op naam van [verdachte] waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2:
een reisdocument voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een lagere gevangenisstraf wordt opgelegd dan de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van de rechtspraak voorschrijven. Er dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals het feit dat hij hard geld nodig had voor een operatie aan zijn been en om zijn gezin in Nigeria te kunnen onderhouden. Om deze reden is verdachte tot de feiten gekomen. Daarnaast kon hij geen invloed uitoefenen op de hoeveelheid drugs die hij moest slikken en heeft hij een enorm gezondheidsrisico genomen door de bollen te slikken. Hieruit blijkt hoe wanhopig de situatie van verdachte was. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de richtlijnen niet zijn bedoeld voor een situatie waarin drugs in het lichaam zijn vervoerd, maar voor gevallen van vervoer in bijvoorbeeld een tas of koffer.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank overweegt verder het volgende.
Verdachte heeft met hulp van onbekend gebleven personen in Nederland 88 bollen met heroïne geslikt en wilde deze via Duitsland naar Italië vervoeren. Verdachte zou voor deze uitvoer 2000 euro ontvangen zodra hij op de plaats van bestemming in Italië zou aankomen. Toen verdachte onderweg werd aangehouden, heeft hij vervolgens een vals Nigeriaans paspoort laten zien aan de verbalisant.
Het is algemeen bekend dat harddrugs een verwoestende werking hebben op mensen die daarvan afhankelijk worden en op de samenleving als geheel, mede door de criminaliteit die verbonden is aan en voortvloeit uit het gebruik van harddrugs. Verdachte is er door zijn handelswijze mede de oorzaak van dat die drugs beschikbaar blijven en dat de daarmee gepaard gaande overlast in stand blijft. Verdachte heeft daarnaast een vals Nigeriaans paspoort voorhanden gehad. Dit is een ernstig feit nu de autoriteiten in het internationale reisverkeer moeten kunnen uitgaan van de juistheid en betrouwbaarheid van overheidsdocumenten. Bij dergelijke feiten acht de rechtbank enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.
Verdachte heeft verklaard tot zijn daad te zijn gekomen vanwege een nijpende financiële situatie van hem en zijn familie in Nigeria. Het slikken van bolletjes is zeker niet zonder gevaar en kan zelfs de dood ten gevolg hebben. Dat verdachte bereid was een dergelijk risico te nemen, zegt iets over de wanhoop en de nijpende situatie waarin verdachte zich bevond. De rechtbank zal daar rekening mee houden bij het opleggen van de straf.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van
6 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;
beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.