RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05.403935-24 en 05.381195-24 (gev. ttz)
Datum uitspraak : 17 april 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [Plaats] .
Raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
parketnummer 05.403935-24
1. hij in/op of omstreeks de periode van 25 november 2024 tot en met 27 november 2024 te [plaats] - een of meerdere koptelefoons, - een of meerdere chocoladeletters, - een of meerdere zakken pepernoten, - een of meerdere chocolademunten, - een rugtas, - een fles motorolie, - een slaapzak en/of - een ingevroren zalm, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 november 2024 te [plaats] , - een of meerdere koptelefoons, - een of meerdere chocoladeletters, - een of meerdere zakken pepernoten, - een of meerdere chocolademunten, - een rugtas, - een fles motorolie, - een slaapzak en/of - een ingevroren zalm, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2. hij op of omstreeks 27 november 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere goederen naar zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van inklimming - dat besloten erf van die [slachtoffer 1] heeft betreden en/of over de schutting van dat besloten erf is geklommen, - met een lamp op de achterdeur en/of het slot van de keukendeur heeft geschenen, - de schuur (die op dat besloten erf staat) heeft betreden en/of - in die schuur zoekend heeft rondgekeken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. hij op of omstreeks 27 november 2024 te [plaats] , een zonnebril en/of een fles olie, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in/op of omstreeks de periode van 30 september 2024 tot en met 27 november 2024 te [plaats] een zonnebril en/of een fles olie, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4. hij op of omstreeks 16 november 2024 te [plaats] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 3] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, - een of meerdere gitaren, - een bronzen beeld, - een computerscherm, - een playstation en/of een of meerdere spellen, - een soundbar, - een paar draadloze oortjes, - een laptop, - een of meerdere flesjes bier en/of een bierkrat, - een haspel, - een rugzak, - een of meerdere opladers, - een (gezelschap)spel, - een sleutelbos en/of - een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; parketnummer 05.381195-24
hij op of omstreeks 27 november 2024 te [plaats] een of meerdere levensmiddelen en/of een of meerdere stukken gereedschap en/of een (boodschappen)tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 november 2024 te [plaats] , een of meerdere levensmiddelen en/of een of meerdere stukken gereedschap en/of een (boodschappen)tas, althans een of meerdere goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
2. Geldigheid van de dagvaarding
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit zoals ten laste gelegd onder parketnummer 05.381195-24 onvoldoende duidelijk en nauwkeurig in de tenlastelegging is omschreven nu daarin enkel is opgenomen “een of meerdere levensmiddelen en/of een of meerdere stukken gereedschap en/of een (boodschappen)tas”. Dit geldt te meer nu het bij de feiten onder parketnummer 05.403935-24 ook gaat om levensmiddelen en een tas/rugzak en het voor een groot deel dezelfde pleegdatum betreft. Bovendien bevat het dossier nog andere aangiftes die niet ten laste zijn gelegd, maar waarin ook wordt gesproken over gereedschappen. Op deze wijze kan niet worden getoetst of al dan niet sprake is van een tweede vervolging voor hetzelfde feit. Nu het voor de verdediging onvoldoende duidelijk is waartegen zij zich moet verweren is de dagvaarding daarom nietig.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging niet nietig is. In de tenlastelegging zijn de namen van aangevers opgenomen, waardoor er een directe link is met het dossier.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer. De tenlastelegging voldoet aan de vereisten die de wet daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. De tenlastelegging moet in combinatie met het dossier worden gelezen. In de tenlastelegging staat dat het verwijt ziet op (primair) diefstal op 27 november 2024 te [plaats] van goederen van [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] . De omschrijving van het tenlastegelegde is daarmee concreet en voldoende duidelijk en nauwkeurig, ook nu van de goederen die gestolen zouden zijn geen andere omschrijving staat dan het om meerdere levensmiddelen en/of een of meerdere stukken gereedschap en/of een (boodschappen)tas zou gaan. Voor de verdediging was ook toetsbaar dat geen sprake is van ne bis in idem met de verweten gedragingen onder parketnummer 05.403935-24, waarin het steeds gaat om goederen van anderen in die tenlastelegging omschreven personen en/of om goederen die niet behoren tot de goederen die in de aangiftes van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] zijn gespecificeerd. Van een ne bis in idem-situatie is daarom ook geen sprake.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
parketnummer 05.403935-24 en parketnummer 05.381195-24
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (primair) ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat ten aanzien van feit 3 van parketnummer 05.403935-24 alleen bewezen kan worden de primair ten laste gelegde schuldheling van een zonnebril.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 3 van parketnummer 05.403935-24
De rechtbank acht op basis van het dossier het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde (diefstal dan wel heling van een zonnebril en/of een fles olie) niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daar daarom van vrijspreken.
Feit 4 van parketnummer 05.403935-24
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen op zaterdag 16 november 2024 omstreeks 07:00 uur de melding om te gaan naar de [adres 3] te [plaats] vanwege een woninginbraak die omstreeks 06:45 uur was gepleegd. Omstreeks 07:10 uur kwamen verbalisanten aan bij de woning en hebben zij de aangifte van [slachtoffer 3] opgenomen en wat onderzoek in en rondom de woning gedaan.
Aangever [slachtoffer 3] , woonachtig aan de [adres 3] in [plaats] , heeft verklaard dat hij op zaterdagochtend 16 november 2024, omstreeks 06:45 uur, wakker werd. Hij hoorde wat gerommel beneden en toen hij ging kijken zag hij dat de achterdeur open was, de lamp aanstond en dat zijn werklaptop weg was. Vervolgens zag hij dat er bij de schutting in de tuin een man stond. Deze man zag hem ook, mompelde wat en rende toen weg. [slachtoffer 3] ging naar binnen en sloot de achterdeur af. Nadat zijn vader uit bed was gekomen, keken ze samen rond wat ze allemaal miste. Zij zagen dat er één akoestische basgitaar miste en twee Spaanse gitaren. Ook een brons Ganesha beeld was weg, evenals een Philips computerscherm, een Playstation 5, een soundbar van het merk Sony, een sleutelbos met meer dan tien sleutels, waaronder autosleutels, sleutels van het huis en sleutels van het werk, ongeveer 120 euro en draadloze zwarte Golden Sound oortjes. De man die [slachtoffer 3] in de tuin zag staan, was een man met een witte huidskleur en een slanke lichaamsbouw in de leeftijd van 35 tot 45 jaar, van ongeveer 1.85 meter, met kort, bruin haar.
[slachtoffer 3] zag verder dat zijn gifgroene Nike rugzak was weggenomen. Daarin zaten een Samsung
telefoonlader en een pakje sigaretten van het merk Lucky Strike. Ook merkte hij dat het kratje Hertog Jan bier uit de gang was weggenomen.
Verdachte was op 16 november 2024 45 jaar. Verbalisant [verbalisant 3] heeft de persoon die op camerabeelden van 27 november 2024 (dus in een andere zaak) is te zien omschreven als een man met een lichte getinte huidskleur en kort donker haar. Verdachte heeft bevestigd dat hij op die beelden te zien is.
Verbalisant [verbalisant 2] trof tijdens het onderzoek naar de inbraak buiten op het achterpad direct bij de schuttingdeur een geopend bierflesje aan. Het bierflesje was van hetzelfde merk (Hertog Jan) als dat bij [slachtoffer 3] in de koelkast stond. Aan de andere kant van de schuttingdeur, ook buiten in het achterpad, zag zij een soundbar, vijf Playstation spellen, een draadloze geluidsdrager, een partyspel Hitster en de oplader van een laptop liggen. Zij hoorde [slachtoffer 3] zeggen dat de door haar aangetroffen goederen van hem waren.
Verbalisant [verbalisant 2] trof tijdens een buurtonderzoek op een traptrede bij de voordeur van [adres 4]
in [plaats] een geopend bierflesje van het merk Hertog Jan aan. Zij zag dat het flesje voor de helft was leeggedronken en dat het eenzelfde bierflesje was als het flesje dat was aangetroffen op het achterpad direct bij de schuttingdeur van het adres [adres 3] .
De drinkopeningen van de twee aangetroffen bierflesjes zijn bemonsterd. Uit de bemonstering van het flesje dat is aangetroffen op het achterpad direct bij de schuttingdeur van de woning aan de [adres 3] in [plaats] is een enkelvoudig DNA-profiel verkregen van een man, waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op de één miljard. De mogelijke donor van het celmateriaal is verdachte.
Uit de bemonstering van het flesje dat is aangetroffen op een traptrede bij de voordeur van [adres 5] in [plaats] is een DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op de één miljard. De mogelijke donor van het celmateriaal is verdachte (DNA-hoofdprofiel).
De rechtbank leidt hieruit af dat beide drinkopeningen van de aangetroffen bierflesjes DNA van verdachte bevatten.
Uit genoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat aangever [slachtoffer 3] op 16 november 2024 omstreeks 06:45 uur een persoon overloopt die qua omschrijving past bij het uiterlijk van verdachte en dat verbalisanten niet veel later, rond 07:10 uur, ter plaatse komen en bij de schuttingdeur een deel van de gestolen goederen aantreffen, alsmede een geopend bierflesje van hetzelfde merk als de bierflesjes die eveneens uit de woning van [slachtoffer 3] zijn gestolen en welk bierflesje het DNA van verdachte bevat. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 16 november 2024 de in de tenlastelegging opgenomen goederen uit de woning aan de [adres 3] in [plaats] heeft gestolen.
Het bierflesje met het DNA van verdachte is van hetzelfde merk als de bij aangever gestolen flesjes bier en is aangetroffen in het achterpad, samen met de uit de woning gestolen goederen, kort nadat aangever een inbreker heeft overlopen, die qua uiterlijk en geschatte leeftijd overeenkomt met die van verdachte. In deze omstandigheden verwerpt de rechtbank de voor het eerst ter zitting geuite, niet onderbouwde, concrete en verifieerbare verklaring van verdachte voor het aantreffen van het bierflesje “Ik drink veel en leg wel eens ergens wat neer, […] Ik heb geen vast adres. Het kan zo zijn dat ik hier en daar wat laat liggen. […] Ik sta bekend bij politie dat ze mij aantreffen met een blikje of flesje. Dat is door heel [plaats] heen. Achterpaadje op plek waar is ingebroken? Waarom ik dat doe? Ik leg het gewoon neer. Dan zit mijn buik vol.” als ongeloofwaardig. Dat het flesje van een veel verkocht biermerk is, doet daaraan niet af.
Feit 1 en 2 van parketnummer 05.403935-24 en het feit van parketnummer 05.381195-24
Aangeefster [slachtoffer 1] , woonachtig aan de [adres 2] te [plaats] , heeft verklaard dat zij op woensdag 27 november (kennelijk 2024) omstreeks 05:45 uur wakker werd en op haar telefoon keek om te controleren of de kerstverlichting was uitgegaan die zij die dag ervoor had opgehangen. Zij heeft een Ring camera die gericht staat op de achtertuin. [slachtoffer 1] zag op de beelden een persoon lopen. Deze persoon scheen met een lampje bij haar achterdeur. Zij zag dat de man daarna richting de keukendeur liep en daar ook met een lampje bij het slot scheen. Vervolgens zag [slachtoffer 1] dat de persoon zich omdraaide en weer richting de tuin liep. De persoon liep richting haar schuurtje dat zich achterin de tuin bevindt. [slachtoffer 1] zag dat de persoon de deur van de schuur openende en naar binnen liep. Zij zag dat de persoon de deur achter zich sloot. Na enkele minuten zag zij dat de persoon weer naar buiten liep en over de schutting klom naar de tuin van de buren die op de [adres 6] wonen. Vervolgens belde zij de politie, dit was om 06:06 uur diezelfde dag.
Verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] kregen op woensdag 27 november 2024, omstreeks 06:30 uur, de opdracht om te gaan naar het adres [adres 2] te [plaats] , waar melder op haar beveiligingscamera had gezien dat op 27 november 2024 om 05:54 uur een man over de schutting van haar achtertuin de tuin binnenkwam en aan de klinken van de achterdeuren van haar woning voelde. De man had een zaklamp bij zich waarmee hij naar binnen scheen. Verbalisanten kwamen om 06:50 uur ter plaatse op het adres [adres 2] te [plaats] . Verbalisanten spraken meldster [slachtoffer 1] en bekeken de beelden op haar telefoon.
Verbalisant [verbalisant 6] herkende de man als de hem ambtshalve bekende [verdachte] .
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zichzelf herkent op de camerabeelden. Hij is over de schutting geklommen en is in de schuur geweest. Ook voelde hij aan de deur van de bijkeuken.
Voornoemde verbalisanten verlieten op 27 november 2024 omstreeks 07:05 uur de woning van [slachtoffer 1] . Zij reden op dezelfde dag omstreeks 07:10 uur over de openbare weg op de [adres 8] te [plaats] . Deze straat ligt in het verlengde van de [adres 7] . Op dat moment was het donker, de zon was nog onder en de straatverlichting brandde. Zij zagen een persoon zonder achterlichtverlichting fietsen over de [adres 8] . De fietser droeg een donkere jas en was slecht zichtbaar. Zij zagen dat de fietser een krat bier vervoerde op de bagagedrager. Verbalisant [verbalisant 4] sommeerde de man om te stoppen met fietsen. Verbalisanten stapten uit het dienstvoertuig om de fietser een bekeuring te geven voor het fietsen zonder fietsverlichting. Verbalisant [verbalisant 6] herkende de fietser als de hem ambtshalve bekende [verdachte] .
Verdachte had op dat moment de volgende goederen bij zich: een fiets, een krat Grolsch bier, 2 flessen ranja, zak met 10 kg aardappelen, 2 kinderkoptelefoons, slaapzak, ronde rugtas, fles motorolie, Parkside accuboormachine, 2 zonnebrillen, flesje aftershave, tas met opdruk Mauritius, strijkijzer, 1 schroevendraaier, 2 chocoladeletters, zakken pepernoten en ingevroren zalm. Verdachte had geen verklaring voor waar deze spullen vandaan kwamen. Bij een aantal spullen werden direct aangiften gevonden, maar bij een groot deel van de aangetroffen spullen niet. Verbalisant [verbalisant 3] heeft deze spullen eind november 2024 op de Facebookpagina van de politie IJsselstreek laten plaatsen.
Aangeefster [slachtoffer 4] , woonachtig aan [adres 9] in [plaats] , heeft verklaard dat op woensdag 27 november 2024, omstreeks 09:45 uur, de buurvrouw van de [adres 2] bij haar aan de deur kwam en vertelde dat er die nacht was ingebroken in meerdere schuren, dat die persoon over de daken was gekomen en dat ze dit op de deurbelcamera had gezien. [slachtoffer 4] hoorde haar zeggen dat ze foto's had van gestolen goederen. Hier zaten kinderspullen bij en omdat [slachtoffer 4] kinderen heeft, was ze naar haar gegaan. De buurvrouw liet haar de foto's zien op haar telefoon. [slachtoffer 4] herkende direct de Mauritius tas en de zak aardappels van 10 kilo. Ook herkende zij de flessen ranja. Zij zag verder een kratje Grolsch op de foto's maar herkende deze niet direct. Toen zij in de schuur keek, zag zij dat ook het kratje Grolsch uit de schuur was weggenomen. Er ontbraken drie flesjes Grolsch, omdat deze bij haar in de koelkast lagen. Het krat dat is weggenomen had 21 lege flesjes. Op de foto's die de buurvrouw toonde, stond ook een schroevendraaier, zwart en rood van kleur. [slachtoffer 4] herkende de schroevendraaier als die van haar.
Aangeefster [slachtoffer 5] , woonachtig aan [adres 10] in [plaats] , heeft verklaard dat zij op woensdag 27 november 2024, omstreeks 10:00 uur, van de buurvrouw wonend aan [adres 9] een WhatsAppbericht kreeg of er bij haar was ingebroken. Zij liep toen naar de schuur en zag dat zij haar boormachine van het merk Parkside mistte. Zij appte vervolgens haar buurvrouw dat zij dit goed miste. Hierop kreeg zij van de buurvrouw een schermafbeelding te zien waarop een accuboormachine met een rood zwarte koffer van het merk Parkside stond. [slachtoffer 5] herkende deze boormachine als zijnde haar boormachine.
Kennelijke verschrijving in proces-verbaal van aangifte feit 1 (parketnummer 05.403935-24)
De rechtbank overweegt dat in het hierna aangehaalde proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] in de verklaring de datum “ergens tussen maandag 25 en vrijdag 29 december” staat vermeld als de datum waarop de goederen zouden zijn gestolen. Omdat in datzelfde proces-verbaal bij de omschrijving van de aangifte ook als pleegdatum is opgenomen “tussen maandag 25 november 2024 om 10:00 uur en zaterdag 30 november 2024 om 14:00 uur” en de door [slachtoffer 6] via internet aangeboden aangifte reeds op 7 december 2024 door verbalisant is verwerkt tot een proces-verbaal, gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van een kennelijke verschrijving en leest zij de pleegdatum in de verklaring als “ergens tussen maandag 25 en vrijdag 29 november 2024.”
Aangever [slachtoffer 6] , woonachtig aan de [adres 7] in [plaats] , heeft verklaard dat er ergens tussen maandag 25 en vrijdag 29 november 2024 enkele items zijn gestolen uit zijn schuur, te weten twee kinderkoptelefoons, twee chocoladeletters, pepernoten, chocolade munten en een rugtas voor zijn instrument. De tuindeur van 1.75 meter hoog zat op slot. De dief is er waarschijnlijk overheen geklommen.
Verbalisant [verbalisant 3] kreeg na het plaatsen van de aangetroffen spullen op Facebook een terugbelverzoek van [slachtoffer 6] . [slachtoffer 6] herkende diverse spullen op de Facebookpagina als zijn eigendom en die uit de schuur in de achtertuin van zijn woning aan de [adres 7] te [plaats] waren weggenomen, namelijk een opgerolde slaapzak, twee kinderkoptelefoons, een ronde rugzak voor een instrument, een fles Valvoline motorolie, twee chocoladeletters, meerdere pakken ingevroren zalm, twee zakken pepernoten en chocoladegeld.
De rechtbank leidt uit deze bewijsmiddelen het volgende af.
[slachtoffer 1] ziet op 27 november 2024 omstreeks 05:45 uur op beelden van haar Ring camera een man in haar tuin lopen die met een lampje bij de achterdeur staat te schijnen, die ook bij het slot van de keukendeur met een lampje staat te schijnen, die vervolgens de deur van de schuur opent, daar naar binnen gaat en die enkele minuten later weer naar buiten loopt en over de schutting klimt naar de tuin van de buren op de [adres 6] . Zij belt om 06:06 uur de politie. Verbalisanten krijgen omstreeks 06:30 uur de melding om naar de woning van [slachtoffer 1] te gaan. Zij komen daar rond 06:50 uur aan, bekijken de beelden en een van de verbalisanten herkent verdachte op die beelden. Zij verlaten om 07:05 uur weer de woning. Enkele minuten later, omstreeks 07:10 uur, zien zij verdachte over de openbare weg, de [adres 8] te [plaats] , fietsen. Verdachte heeft allerlei goederen bij zich. [slachtoffer 1] gaat diezelfde ochtend, op woensdag 27 november 2024 rond 09:45 uur, naar [slachtoffer 4] en laat haar foto’s zien van gestolen goederen. [slachtoffer 4] herkent op die foto’s de Mauritius tas, de zak aardappels van 10 kilo, de flessen ranja, het kratje Grolsch en een zwart met rode schroevendraaier als haar eigendom. Al deze goederen stonden/lagen bij haar in de schuur. [slachtoffer 4] appt vervolgens om 10:00 uur haar buurvrouw [slachtoffer 5] met de vraag of er bij haar is ingebroken. [slachtoffer 5] loopt daarop naar de schuur en ziet dat een boormachine van het merk Parkside weg is. Zij herkent deze boormachine als haar eigendom op een schermafbeelding die [slachtoffer 4] haar toestuurt. [slachtoffer 6] , die in dezelfde straat woont als [slachtoffer 1] , herkent een aantal dagen later diverse spullen op de Facebookpagina van de politie als zijn eigendom. Deze goederen stonden/lagen allemaal in de schuur in de achtertuin van zijn woning. Het gaat om een opgerolde slaapzak, twee kinderkoptelefoons, een ronde rugzak voor een instrument, een fles Valvoline motorolie, twee chocoladeletters, meerdere pakken ingevroren zalm, twee zakken pepernoten en chocoladegeld. Alle goederen die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] herkennen als hun eigendom zijn op 27 november 2024 om 07:10 uur bij verdachte aangetroffen.
De rechtbank acht met inachtneming van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 van parketnummer 05.403935-24 ten laste gelegde feiten en het primair onder parketnummer 05.381195-24 ten laste gelegde feit heeft begaan.
Met betrekking tot feit 2 van parketnummer 05.403935-24 overweegt de rechtbank nog dat verdachte met een (zak)lamp in de tuin van [slachtoffer 1] heeft rondgelopen, met die lamp bij de achter- en keukendeur heeft geschenen en gekeken, aan één van de deuren heeft gevoeld, enkele minuten in de schuur is geweest en uiteindelijk over de schutting naar de tuin van de buren is geklommen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze handelingen te kwalificeren als een begin van uitvoering van een inbraak, nu de gedragingen naar uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van dat misdrijf.
4. De bewezenverklaring
parketnummer 05.381195-24
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de navolgende ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
parketnummer 05.403935-24
1. primair hij in/op of omstreeks de periode van 25 november 2024 tot en met 27 november 2024 te [plaats] - een of meerdere koptelefoons, - een of meerdere chocoladeletters, - een of meerdere zakken pepernoten, - een of meerdere chocolademunten, - een rugtas, - een fles motorolie, - een slaapzak en/of - een ingevroren zalm, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;
2. hij op of omstreeks 27 november 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere goederen naar zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van inklimming - dat besloten erf van die [slachtoffer 1] heeft betreden en/of over de schutting van dat besloten erf is geklommen, - met een lamp op de achterdeur en/of het slot van de keukendeur heeft geschenen, - de schuur (die op dat besloten erf staat) heeft betreden en/of - in die schuur zoekend heeft rondgekeken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4. hij op of omstreeks 16 november 2024 te [plaats] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 3] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, - een of meerdere gitaren, - een bronzen beeld, - een computerscherm, - een playstation en/of een of meerdere spellen, - een soundbar, - een paar draadloze oortjes, - een laptop, - een of meerdere flesjes bier en/of een bierkrat, - een haspel, - een rugzak, - een of meerdere opladers, - een (gezelschap)spel, - een sleutelbos en/of - een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
primair
hij op of omstreeks 27 november 2024 te [plaats] een of meerdere levensmiddelen en/of een of meerdere stukken gereedschap en/of een (boodschappen)tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlasteleggingen kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 05.403935-24
feit 1 primair:
Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;
feit 2:
Poging tot diefstal in een woning en op een besloten erf waarop een woning staat door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;
feit 4:
Diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
Ten aanzien van parketnummer 05.381195-24
primair:
Diefstal, meermalen gepleegd.
6. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
7. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
8. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om in geval van enige bewezenverklaring een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk deel en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de raadsman verzocht om de voorlopige hechtenis zo spoedig mogelijk op te heffen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Verdachte heeft ingebroken in een woning en drie schuren, waarbij hij in drie van de vier gevallen meerdere goederen heeft weggenomen, en hij heeft geprobeerd in te breken in een andere woning. Dit soort misdrijven zorgen niet alleen voor schade en ongemak voor de slachtoffers, maar ook voor gevoelens van onveiligheid bij die slachtoffers en in de samenleving. Het handelen van verdachte getuigt van weinig respect voor de eigendommen van anderen en hij heeft kennelijk enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin. De rechtbank neemt hem dit kwalijk.
Uit het strafblad van verdachte van 4 maart 2025 volgt dat hij eerder al meermalen voor strafbare feiten is veroordeeld, waaronder ook voor vermogensdelicten. Deze eerdere veroordelingen hebben hem er blijkbaar niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van het Leger des Heils van 20 maart 2025. Hieruit volgt dat verdachte sinds zijn veertiende verslaafd is aan alcohol, cocaïne en softdrugs. Hij heeft een daklozenuitkering, geen huisvesting en een negatief sociaal netwerk. In ambulant kader kwam hij in de afgelopen jaren afspraken niet of nauwelijks na en zijn verschillende trajecten mislukt, zowel in een vrijwillig als in een gedwongen kader. Zonder klinische behandeling is de kans aannemelijk dat verdachte direct terugvalt in middelengebruik. Om die reden is er verdiepingsdiagnostiek aangevraagd en is een aanmelding gedaan voor een klinische opname bij de Piet Roorda Kliniek. Op 27 februari 2025 heeft het IFZ een klinisch plaatsingsbesluit afgegeven voor verdachte en staat hij op de wachtlijst voor een klinische plaatsing. De wachttijd bedraagt op dit moment drie tot zes maanden. Het Leger des Heils schat het risico op recidive, alsmede het risico op onttrekken aan voorwaarden, in als hoog. Omdat het Leger des Heils geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen en omdat er nog geen zicht is op een klinische plaatsing op dit moment, adviseert zij bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. Indien toch een voorwaardelijke sanctie wordt opgelegd, adviseert het Leger des Heils de volgende bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij de reclassering;
- Opname in een zorginstelling;
- Meewerken aan middelencontrole.
Gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde feiten en het feit dat hij eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten acht de rechtbank een gevangenisstraf op zijn plaats. Een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de raadsman bepleit, is niet passend. Bij het bepalen van de duur van die gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij wat in soortgelijke gevallen wordt opgelegd en heeft zij acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarbij zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen ten behoeve van de klinische opname die in het vrijwillige kader is mislukt. Hoewel een dergelijk traject in een gedwongen kader eerder ook al is mislukt, acht de rechtbank een opname in een zorginstelling als bijzondere voorwaarde nog een kans voor verdachte om aan zijn verslavingsproblematiek te werken en een terugval in het middelengebruik, met mogelijk recidive tot gevolg, te voorkomen.
Alles afwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op deze gevangenisstraf. Aan het voorwaardelijk deel worden de door het Leger des Heils geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de raadsman om de voorlopige hechtenis zo spoedig mogelijk op te heffen wordt afgewezen.
9. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met feit 4 van parketnummer 05.403935-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 200,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 158,50, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair dient de vordering te worden afgewezen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd, dan wel omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 4 van parketnummer 05.403935-24 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, onder meer door het verlies van contant geld en geluidsoortjes, blijkens de aangifte van het merk Golden Sound. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De in dit verband gevorderde schadevergoeding van € 200,00 is echter niet in zijn geheel toewijsbaar. De benadeelde partij vordert € 150,00 aan contant geld dat is gestolen, maar in de aangifte is slechts een bedrag van € 120,00 opgenomen. Dit laatste bedrag staat daarom naar het oordeel van de rechtbank in direct verband met het bewezenverklaarde feit, is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. Dat er meer geld is gestolen dan in de aangifte staat, kan zonder nadere onderbouwing en bewijslevering, waarvoor geen plaats is in het strafproces, niet worden vastgesteld. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dat meerdere (€ 30,00) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Hij kan dit deel nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De benadeelde partij vordert voorts € 50,00 voor de gestolen oortjes. Een factuur daarvan is niet overgelegd. De rechtbank zal de schade vanwege het verlies van de oortjes begroten door de waarde van die oortjes te schatten. De rechtbank gaat ervan uit dat het door benadeelde zonder verder toelichting genoemde bedrag de nieuwwaarde van de oortjes betreft. Gesteld noch gebleken is dat de gestolen oortjes nieuw waren. De rechtbank zal daarom, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid, de hoogte van deze schade begroten op 75% van de gevorderde € 50,00, te weten € 37,50 (en niet, zoals de officier van justitie heeft berekend € 38,50). Het meerdere (€ 12,50) zal worden afgewezen.
Resumerend zal een totaalbedrag van € 157,50 worden toegewezen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen. De proceskosten tot vandaag worden begroot op nihil.
Verdachte is vanaf 16 november 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder 3 primair en subsidiair van parketnummer 05.403935-24 ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden:
- Verdachte meldt zich binnen veertien werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering van het Leger des Heils op het adres Van Pallandtstraat 11, 6814 GM in Arnhem. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- Verdachte laat zich opnemen in FVK-FVA Piet Roordakliniek of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start binnen drie tot zes maanden. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- Verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;
veroordeelt verdachte in verband met feit 4 van parketnummer 05.403935-24 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 157,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor een bedrag van € 30,00 niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
wijst de vordering tot materiële schade voor een bedrag van € 12,50 af;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2025.