ECLI:NL:RBGEL:2025:10069

ECLI:NL:RBGEL:2025:10069, Rechtbank Gelderland, 26-11-2025, 11573421

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 04-12-2025
Zaaknummer 11573421
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zutphen
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005289 BWBR0031432

Samenvatting

Overeenkomst van opdracht. Schending klachtplicht 6:89 BW. Schuldenaar is door het late klagen in zijn belangen geschaad.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 11573421 \ CV EXPL 25-604

Vonnis van 26 november 2025

in de zaak van

[eisende partij in conventie] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eisende partij in conventie] ,

voorheen procederend bij gemachtigde mr. T.L. Mulder, thans procederend in persoon,

tegen

AHC CAWI STALTECHNIEK B.V.,

te Hengelo (Gld),

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: Cawi,

gemachtigde: mr. L.R. Brendel.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 mei 2025,

- de conclusie van antwoord in reconventie,

- de akte overlegging producties, tevens houdende vermeerdering van eis in conventie,

- de e-mail van 7 oktober 2025 met productie 31 van de zijde van Cawi,

- de antwoordakte van [eisende partij in conventie] met aanvullende producties,

- de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[eisende partij in conventie] exploiteert een onderneming als BIM-modelleur, waarbij hij zich bezighoudt met bouw gerelateerde vraagstukken.

Cawi exploiteert een onderneming die zich onder meer richt op constructiewerk, toelevering, plaatbewerking en buigwerk.

Cawi is één van de leveranciers van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] verkoopt aan haar klanten binnen Europa onder meer fietsenstallingen die specifiek zijn ontworpen en geproduceerd. [bedrijf 1] zet diverse opdrachten van haar klanten door naar Cawi.

Op 24 mei 2024 hebben partijen een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eisende partij in conventie] werkzaamheden heeft verricht voor Cawi (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst zijn de door [eisende partij in conventie] te verrichten werkzaamheden omschreven als: “Projectleider / Tekenaar / Sales”. Partijen zijn een door Cawi aan [eisende partij in conventie] te betalen vergoeding van € 55,00 (excl. btw) per uur overeengekomen.

Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Zelfstandige Professionals (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Daarin is, voor zover thans relevant, het volgende bepaald:

“(…)

Artikel 11 – Urenverantwoording, facturering en betaling

1. Opdrachtnemer draagt zorg voor een deugdelijke urenverantwoording op de door Cliënt gewenste wijze. Deze urenverantwoording is definitief als deze door Cliënt is goedgekeurd. Het verantwoorden van uren is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van Opdrachtgever en Cliënt om de mogelijkheid van controle op de in te dienen facturen mogelijk te maken.

(…)

Artikel 14 – Aansprakelijkheid

(…)

3. Opdrachtnemer is aansprakelijk voor schade verband houdende met de uitvoering van de Overeenkomst van Opdracht. (…) Opdrachtnemer is uitsluitend aansprakelijk indien er sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Opdrachtnemer en voor zover Opdrachtnemer hier enige invloed op kon of had kunnen uitoefenen.

4. In het geval dat Opdrachtnemer naar oordeel van Cliënt, de Werkzaamheden zodanig uitvoert dat er sprake is van ondeugdelijke werkzaamheden (door ondeskundigheid, een gebrek aan vakmanschap en/of onzorgvuldigheid van Opdrachtnemer), en/of het Resultaat niet overeenkomt met de in de Overeenkomst van Opdracht vastgelegde verwachtingen, kan de Cliënt, ondanks dat eventueel de gewerkte uren zijn goedgekeurd, vorderen dat de Werkzaamheden zo spoedig mogelijk en voor eigen rekening van Opdrachtnemer opnieuw door Opdrachtnemer worden uitgevoerd of hersteld worden, zodat er naar oordeel van Cliënt er geen sprake meer is van ondeugdelijke werkzaamheden en/of onvoldoende Resultaat. (…)

(…)

7. De aansprakelijkheid zoals genoemd in lid 2, 3 en 4 van dit artikel is beperkt tot een maximum bedrag per gebeurtenis of reeks van gerelateerde gebeurtenissen. Het maximum bedrag is in de Opdracht benoemd.

In juni 2024 is [eisende partij in conventie] gestart met de uitvoering van de werkzaamheden. [eisende partij in conventie] heeft voor vier projecten van Cawi het tekenwerk en de projectbegeleiding verzorgd, namelijk de projecten:

- [kenmerk 1] ,

- Pixel [kenmerk 2] ,

- Structura Wildenborst [kenmerk 3] ,

- Overkapping Magenta Zorg [kenmerk 4] .

Partijen hebben met elkaar afgesproken dat [eisende partij in conventie] door gebrek aan tijd niet tot nauwelijks werkzaamheden zou gaan verrichten in het kader van verkoop van nieuwe projecten.

In de periode van 7 juni tot en met 6 december 2024 heeft [eisende partij in conventie] een bedrag van in totaal € 50.789,21 (excl. btw) aan Cawi in rekening gebracht voor de door hem gewerkte uren en gemaakte onkosten. Cawi heeft van dit factuurbedrag een bedrag van € 10.863,78, ondanks herhaalde aanmaning, onbetaald gelaten.

Op 4 oktober 2024 heeft de partner van [eisende partij in conventie] , [naam 1] , een factuur met urenregistratie van [eisende partij in conventie] toegezonden aan de directeur van Cawi, [naam 2] . Daarop heeft [naam 2] bij e-mail van 7 oktober 2024 als volgt gereageerd:

“Ik denk dat het het beste is om bij iedere factuur ook een urenverantwoording mee te sturen. Dus wekelijks is dan wenselijk.

De prijs (waar nu €55,- staat) moet dan ook de totaalprijs zijn. Want ik kan er nu nog steeds uithalen dat dit een factuur is voor gemaakte uren. En volgens mijn accountant zien ze dat als verkapt dienstverband waar de komende tijd veel op gecontroleerd gaat worden.

(…)”

In reactie daarop heeft [naam 1] bij e-mail van 11 oktober 2024 een factuur en een urenregistratie aan [naam 2] verzonden en heeft zij hem gevraagd of hij de factuur goed vindt qua beschrijving. Daarop heeft [naam 2] bij e-mail van 18 oktober 2024 geantwoord:

“Dit lijkt mij goed zo! Je mag ook de urenverantwoording gewoon in de mail typen. Dan hoef je niet steeds een extra bestand te maken.”

Bij WhatsApp-bericht van 6 december 2024 heeft de directeur van [naam 2] aan [eisende partij in conventie] bericht dat Cawi heeft besloten om per direct geen gebruik meer te maken van de diensten van [eisende partij in conventie] .

Bij e-mail van 9 december 2024 heeft [naam 2] in aanvulling op het WhatsApp-bericht van 6 december 2024 het volgende aan [eisende partij in conventie] bericht:

“Zoals aangegeven, zou ik je nog een toelichting geven over de reden waarom wij per direct zijn gestopt met het afnemen van jouw diensten.

(…) Voornamelijk de projecten voor [kenmerk 3] , [kenmerk 4] en [kenmerk 2] vielen onder jouw verantwoordelijkheid.

Je hebt hiervoor het tekenen opgepakt. Voor jou nog nieuw dus logisch dat dit wat meer tijd in beslag neemt in het begin. Echter zijn hierdoor ook gigantisch veel fouten gemaakt in tekeningen en in de uitvoering waardoor veel ook nog eens opnieuw getekend moest worden en de productie veel meer uren in beslag heeft genomen dan verwacht. Ook de planning is van alle drie de projecten extreem uitgelopen. Daarnaast is de bouwtechnische- en materiaalkennis van een te laag niveau gebleken. Dit is te ontwikkelen. Maar na het vergelijken van de tekeningen uit verschillende projecten, is het duidelijk dat je hier nauwelijks progressie in hebt geboekt. Jouw uurloon in combinatie met het aantal uren dat je hebt getekend, zijn dan ook veel te hoog. €55,- per uur is een hoog bedrag, dan mogen wij als bedrijf dan ook best professionaliteit en goede resultaten verwachten.

Daarnaast is de projectbegeleiding ook nergens goed gegaan. Voor ieder project heb ik nu al bij de klant gezeten omdat er zeer veel ontevredenheid was vanuit de klant. Onze belangrijkste klant heeft nu al aangegeven volgend jaar hoogstwaarschijnlijk minder orders bij ons neer te gaan leggen doordat we het afgelopen half jaar alleen maar met problemen over de orders zijn gekomen.

In onderstaande afbeelding heb ik even opgeteld hoe hoog de extra kosten zijn opgelopen afgelopen jaar:

(…)

Totaal extra kosten: € - 93.250,89

(…) Op basis van beroepsaansprakelijkheid stellen we je verantwoordelijk en zouden we je daarom eerst de kans willen geven om met een passende oplossing te komen voor de financiële gevolgen waar wij nu mee geconfronteerd worden.

(…)”

3. Het geschil

in conventie

[eisende partij in conventie] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Cawi zal veroordelen tot:

1. nakoming van de overeenkomst en tot betaling van een bedrag van € 10.863,78, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover,

2. betaling van een bedrag van € 883,64 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na het wijzen van het vonnis,alsmede Cawi zal veroordelen in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na het wijzen van het vonnis indien en voor zover deze niet binnen die termijn zijn voldaan.

in reconventie

Cawi vordert, na eisvermeerdering, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eisende partij in conventie] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 134.944,18, althans tot betaling van een zodanig bedrag als de kantonrechter mag vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 21 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling,

2. [eisende partij in conventie] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 25.104,98 wegens onverschuldigde betaling, althans tot betaling van een zodanig bedrag als de kantonrechter mag vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 21 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling,alsmede [eisende partij in conventie] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd.

Cawi heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vordering van [eisende partij in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij in conventie] in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[eisende partij in conventie] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van Cawi.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

[eisende partij in conventie] vordert in conventie betaling van een hoofdsom van € 10.863,78. Dit bedrag ziet op vier factuurbedragen die [eisende partij in conventie] aan Cawi in rekening heeft gebracht voor de door hem gewerkte uren in de weken 46 tot en met 49.

Cawi heeft de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom betwist. Zij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat [eisende partij in conventie] geen uitgebreide urenregistratie heeft bijgehouden terwijl hij daartoe op grond van artikel 11 lid 1 van de algemene voorwaarden wel was gehouden. Vanaf oktober 2024 nam [eisende partij in conventie] in zijn facturen één totaalbedrag onder de noemer ‘projectbegeleiding’ op, zonder enige vermelding van het betreffende project of de concreet uitgevoerde werkzaamheden. Daarom kan niet worden gezegd dat deze uren zijn gewerkt in opdracht van Cawi. Partijen zijn nooit overeengekomen dat het wenselijk was om in de facturen geen gewerkte uren op te nemen, aldus Cawi.

Cawi wordt niet in haar verweer gevolgd. Uit de hiervoor onder 2.9. uiteengezette correspondentie blijkt namelijk juist dat [naam 1] door [naam 2] is verzocht om in de facturen geen gewerkte uren meer op te nemen maar om afzonderlijk een urenverantwoording mee te sturen. De vervolgens op 11 oktober 2024 door [naam 1] opgestelde factuur en afzonderlijk opgestelde urenverantwoording heeft [naam 2] bij e-mail van 18 oktober 2024 goedgekeurd. Niet gesteld of gebleken is dat Cawi tegen de hierna door [naam 1] of [eisende partij in conventie] toegezonden facturen en urenverantwoordingen heeft gereclameerd. In het licht van deze omstandigheden mocht [eisende partij in conventie] erop vertrouwen dat de wijze waarop de facturen en urenverantwoordingen werden aangeleverd, akkoord werd bevonden door Cawi. Bovendien geldt dat ook wanneer er veronderstellender-wijs van zou worden uitgegaan dat de urenverantwoording door [eisende partij in conventie] ondeugdelijk zou zijn geweest, dit nog niet betekent dat die uren niet in opdracht van cawi zijn gewerkt en ontslaat dit Cawi op zichzelf niet van haar betalingsverplichting jegens [eisende partij in conventie] . Dit volgt niet uit artikel 11 van de algemene voorwaarden, noch uit de wet.

Cawi heeft verder aangevoerd dat de gewerkte uren die [eisende partij in conventie] in de onderhavige facturen in rekening heeft gebracht, allemaal betrekking hebben op werkzaamheden die hij heeft verricht om de gebreken in zijn eerdere werkzaamheden te herstellen. Deze kosten komen daarom volgens Cawi op grond van het bepaalde in artikel 14 lid 4 van de algemene voorwaarden niet voor haar rekening.

Waar het Cawi is die stelt dat [eisende partij in conventie] in de weken 46 tot en met 49 herstelwerkzaamheden heeft verricht, ligt het, gelet op de betwisting van die stelling door [eisende partij in conventie] , op de weg van Cawi om deze stelling verder te onderbouwen. Cawi heeft dat echter nagelaten. Zij heeft geen concrete feiten naar voren gebracht of stukken overgelegd waaruit blijkt dat [eisende partij in conventie] in de weken 46 tot en met 49 herstelwerkzaamheden heeft verricht die op grond van artikel 14 lid 4 van de algemene voorwaarden voor zijn eigen rekening dienen te blijven. Daarmee heeft Cawi haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Aldus is niet vast komen te staan dat de door [eisende partij in conventie] gewerkte uren in de weken 46 tot en met 49 voor zijn eigen rekening komen. Dit verweer van Cawi faalt derhalve.

Cawi heeft voor het overige de verschuldigdheid van de door [eisende partij in conventie] gevorderde hoofdsom op zichzelf niet betwist maar zij heeft zich beroepen op verrekening met een vordering die zij stelt te hebben op [eisende partij in conventie] . Cawi heeft naar eigen zeggen schade geleden omdat [eisende partij in conventie] zijn werkzaamheden ondeugdelijk heeft verricht. Ook heeft Cawi, zo stelt zij, diverse door haar betaalde factuurbedragen onverschuldigd aan [eisende partij in conventie] betaald. In reconventie heeft Cawi in dit verband aanspraak gemaakt op betaling van een schadevergoeding en terugbetaling van de gestelde onverschuldigde betaling. Zoals hierna echter uit de beoordeling in reconventie zal blijken, zal de vordering van [eisende partij in conventie] worden afgewezen. Van een tegenvordering is dus geen sprake. Cawi kan zich om deze reden in conventie niet met succes op verrekening beroepen.

Omdat de door [eisende partij in conventie] gevorderde hoofdsom overigens voor toewijzing vatbaar is, zal de gevorderde hoofdsom, ondanks het gedane beroep op verrekening, worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke handelsrente daarover is als de wet gegrond eveneens toewijsbaar zoals hierna in de beslissing is vermeld.

[eisende partij in conventie] heeft onweersproken gesteld dat hij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De hoogte van het gevorderde bedrag ad € 883,64 is in overeenstemming met het tarief dat is weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en dat geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen dan ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover is eveneens toewijsbaar.

Cawi is de partij die in conventie ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Aan gemachtigdensalaris zal één punt worden toegekend omdat de gemachtigde van [eisende partij in conventie] zich na de dagvaarding heeft onttrokken en [eisende partij in conventie] vanaf dat moment zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde.

Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eisende partij in conventie] als volgt vastgesteld en begroot:

- kosten van de dagvaarding

148,04

- griffierecht

257,00

- salaris gemachtigde

406,00

(1 punt × € 406,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

946,04

in reconventie

Eerst moet worden beoordeeld of de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil in reconventie. De reconventionele vordering betreft namelijk een vordering die de competentiegrens van de kantonrechter van € 25.000,00 overstijgt. Deze zaken worden op grond van het bepaalde in artikel 93 aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet door de kantonrechter behandeld en beslist. In artikel 97 Rv is echter bepaald dat een zaak in reconventie wordt behandeld en beslist door de rechter die de zaak in conventie behandelt en beslist, als de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval sprake. Zowel de vordering in conventie als de vordering in reconventie zijn gegrond op de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht en Cawi heeft zich in conventie op verrekening beroepen met de tegenvordering die hij in reconventie jegens [eisende partij in conventie] heeft ingesteld. De vorderingen in conventie en in reconventie hangen daarom zodanig met elkaar samen dat het ongewenst is dat deze vorderingen door afzonderlijke rechters worden behandeld. De conclusie is dan ook dat de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil in reconventie.

Cawi heeft na de conclusie van eis in reconventie bij akte haar eis vermeerderd. [eisende partij in conventie] heeft daartegen verweer gevoerd. Volgens [eisende partij in conventie] is de eisvermeerdering onredelijk en in strijd met de goede procesorde omdat Cawi haar eis pas op 3 oktober 2025, één dag voordat [eisende partij in conventie] een conclusie van antwoord in reconventie mocht indienen, ingrijpend heeft vermeerderd.

De kantonrechter overweegt dat het Cawi op grond van het bepaalde in artikel 130 Rv in elke stand van de procedure is toegestaan haar eis te vermeerderen, tenzij dat in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. [eisende partij in conventie] heeft immers de gelegenheid gekregen om bij akte en tijdens de mondelinge behandeling te reageren op de eisvermeerdering. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Het verweer van [eisende partij in conventie] op dit punt wordt daarom verworpen.

Cawi maakt in reconventie enerzijds aanspraak op betaling van een schadevergoeding van € 134.944,18 en anderzijds op betaling van een bedrag van € 25.104,98 wegens onverschuldigde betaling. Deze onderdelen van de vordering zullen hierna afzonderlijk aan de orde komen.

Cawi heeft gesteld dat [eisende partij in conventie] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenissen uit hoofde van de overeenkomst, waardoor Cawi schade heeft geleden tot een bedrag van € 134.944,18. Volgens Cawi is [eisende partij in conventie] op grond van de artikelen 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en 14 lid 3 van de algemene voorwaarden verplicht deze schade aan haar te vergoeden.

Volgens Cawi heeft [eisende partij in conventie] zijn werkzaamheden niet deugdelijk en niet naar behoren uitgevoerd omdat hij:

- onjuiste en onvolledige productietekeningen afleverde,

- de projectbegeleiding ondeugdelijk uitvoerde,

- geen rekening en verantwoording aflegde naar Cawi,

- gebrekkig communiceerde,

- een algemene onprofessionele houding en uitvoering van werkzaamheden had en

- herhaaldelijk de overeengekomen opleverdata overschreed.

[eisende partij in conventie] heeft allereerst aangevoerd dat partijen in de overeenkomst iedere aansprakelijkheid van [eisende partij in conventie] voor schade uitdrukkelijk hebben uitgesloten. [eisende partij in conventie] heeft daartoe verwezen naar de overeenkomst van 24 mei 2024, meer in het bijzonder de bepaling over de aansprakelijkheid in de kolom op de derde pagina. Daarin is het volgende vermeld:

“Artikelen Algemene voorwaarden

Omschrijving

Bedrag (€)

(…)

(…)

(…)

Artikel 14 lid 7

Maximale aansprakelijkheid

n.v.t.”

De kantonrechter is van oordeel dat uit deze bepaling in samenhang met artikel 14 lid 7 van de algemene voorwaarden (zie hiervoor 2.5.) niet blijkt dat de aansprakelijkheid van [eisende partij in conventie] is uitgesloten maar slechts dat partijen geen maximum bedrag aan de aansprakelijkheid van [eisende partij in conventie] hebben verbonden. [eisende partij in conventie] heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit een andere bedoeling van partijen volgt en die zijn evenmin gebleken. Voormelde bepaling kan daarom niet anders worden uitgelegd dan dat partijen zijn overeengekomen dat de aansprakelijkheid [eisende partij in conventie] niet aan een maximum bedrag is verbonden. Anders dan [eisende partij in conventie] meent, is dus geen sprake van een exoneratie van aansprakelijkheid. Het verweer van [eisende partij in conventie] op dit punt faalt dan ook.

[eisende partij in conventie] heeft voorts als verweer opgeworpen dat Cawi niet heeft voldaan aan de klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 BW.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:89 BW kan een schuldeiser (in dit geval Cawi) op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar (in dit geval [eisende partij in conventie] ) ter zake heeft geprotesteerd. Dit artikel is van toepassing op alle verbintenissen, dus ook op verbintenissen tot het verrichten van diensten (zoals in dit geval een overeenkomst van opdracht). De achtergrond van de klachtplicht is dat de schuldenaar wordt beschermd tegen te late en daardoor moeilijk tegen te spreken klachten. Hij mag erop rekenen dat de schuldeiser op tijd onderzoekt of sprake is van een gebrek en, als dat niet het geval is, hij dit bij de schuldenaar meldt.

Met inachtneming van het voorgaande moet worden beoordeeld (i) op welk moment de klachttermijn is gaan lopen, (ii) of en zo ja, op welk moment Cawi heeft geklaagd en (iii) of Cawi binnen bekwame tijd heeft geklaagd.

(i) het moment waarop de klachttermijn is gaan lopen

De klachttermijn van artikel 6:89 BW gaat lopen zodra Cawi de gestelde gebreken in de prestatie heeft ontdekt of had moeten ontdekken.

Cawi heeft gesteld dat zij de ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden aanvankelijk niet heeft opgemerkt omdat de opleverdata van de projecten werden verschoven en de gebreken daardoor pas later zichtbaar werden. Cawi heeft echter ook gesteld dat zij al in juli 2024, derhalve één maand na de start van de werkzaamheden, in het project ‘ [kenmerk 1] ’ veel klachten en een lijst met gebreken heeft ontvangen van de klant en dat die gebreken voornamelijk bestonden uit constructieve gebreken door zeer gebrekkige tekeningen van [eisende partij in conventie] (randnummer 3.18 van de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie). Cawi heeft naar eigen zeggen daarom ten behoeve van dit project in augustus en september 2024 met [eisende partij in conventie] herstelwerkzaamheden moeten uitvoeren. Cawi heeft voorts gesteld dat na afloop van de vakantieperiode (in 2024) duidelijk werd dat het technisch niveau van de werkzaamheden van [eisende partij in conventie] ernstig onder de maat was (randnummer 3.7 van de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie). Uit deze stellingen van Cawi blijkt dus dat zij uiterlijk in augustus 2024 bekend was met de gestelde gebreken in de prestatie, althans dat zij de gestelde gebreken op dat moment redelijkerwijs had moeten ontdekken.

(ii) heeft Cawi geklaagd en zo ja, op welk moment?

Vooropgesteld wordt dat gelet op de achtergrond van artikel 6:89 BW een schuldeiser (in dit geval Cawi) niet kan volstaan met een enkele mededeling dat de verrichte prestatie achterblijft bij hetgeen de verbintenis vergt. De schuldeiser dient de schuldenaar daarom in beginsel, voor zover mogelijk, te informeren over de aard en de omvang van de tekortkoming. Klagen is dus meer dan het enkel uiten van ongenoegen over de prestatie.

Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat Cawi in de e-mail van 9 december 2024 (zie hiervoor 2.11.) aan [eisende partij in conventie] heeft toegelicht om welke redenen zij per 6 december 2024 is gestopt met het afnemen van zijn diensten. Hierbij heeft zij aangegeven op welke punten [eisende partij in conventie] volgens Cawi is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst en wat de ernst daarvan is. Hiermee is sprake van een voldoende concreet protest als bedoeld in artikel 6:89 BW.

Cawi heeft zich op het standpunt gesteld dat zij eerder dan op 9 december 2024 bij [eisende partij in conventie] heeft geklaagd. Zij heeft daartoe gesteld dat zij [eisende partij in conventie] heeft betrokken in de e-mailcorrespondentie over klachten van klanten. Cawi heeft in dit verband verwezen naar een e-mail van 19 augustus 2024 van [eisende partij in conventie] aan [bedrijf 1] .

De kantonrechter stelt vast dat [eisende partij in conventie] in deze e-mail slechts in het algemeen heeft geschreven dat Cawi haar excuses aanbiedt voor het niet naar wens opleveren van de op maat gemaakte fietsenstalling en dat Cawi daarom voorstelt om de gebreken zo snel mogelijk op te lossen. Hieruit blijkt niet dat deze gebreken door toedoen van [eisende partij in conventie] zijn ontstaan en evenmin dat Cawi daarover bij [eisende partij in conventie] heeft geklaagd. Van een klacht als bedoeld in artikel 6:89 BW is geen sprake.

Cawi heeft voorts gesteld dat [eisende partij in conventie] ook in september 2024 bekend is geworden met klachten over zijn werkzaamheden. Vanaf dat moment heeft Cawi naar eigen zeggen wekelijks de voortgang van alle projecten met meerdere betrokkenen besproken en tijdens deze overleggen heeft zij actiepunten voor onder andere herstelwerkzaamheden opgenomen, ook voor [eisende partij in conventie] .

De kantonrechter is van oordeel dat deze stellingen van Cawi – ook indien de juistheid daarvan vast komt te staan – niet tot de conclusie kunnen leiden dat Cawi in september 2024 bij [eisende partij in conventie] heeft geklaagd over de gestelde gebreken in de prestatie. Het enkele feit dat wekelijks met onder meer [eisende partij in conventie] de voortgang van projecten is besproken en actiepunten zijn opgenomen is daarvoor in elk geval onvoldoende. De inhoud van de door Cawi overgelegde ‘Actie & Besluitenlijst Projectvoortgangsoverleg’ (productie 5 van Cawi) maakt dit niet anders. Daaruit blijkt dat actiepunten zijn opgenomen voor diverse betrokkenen, waaronder [eisende partij in conventie] . Uit de beschrijving van de actiepunten die zijn bedoeld voor [eisende partij in conventie] blijkt niet dat deze punten zien op werkzaamheden die door hem moeten worden verricht naar aanleiding van een of meerdere gebreken in een prestatie van zijn kant en evenmin dat Cawi ontevreden was met de kwaliteit van de door [eisende partij in conventie] uitgevoerde werkzaamheden. Hieruit kan dan ook niet worden afgeleid dat Cawi vanaf september 2024 concreet over de gestelde gebreken in de prestatie heeft geklaagd.

Cawi heeft ten slotte aangevoerd dat zij tijdens het laatste project met [eisende partij in conventie] een eindcontrole heeft uitgevoerd en dat zij daarbij tijdig en herhaaldelijk heeft geklaagd. Cawi heeft deze stelling echter niet nader onderbouwd, terwijl [eisende partij in conventie] uitdrukkelijk betwist dat hij op een eerdere datum is aangesproken op gebreken in de prestatie. Daarmee heeft Cawi haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd.

Cawi heeft ook voor het overige niet gesteld, laat staan concreet gemaakt, dat zij op een eerdere datum bij [eisende partij in conventie] heeft geklaagd over de gestelde gebreken van zijn kant. Uitgangspunt is dan ook dat Cawi niet eerder dan op 9 december 2024 bij [eisende partij in conventie] heeft geklaagd als bedoeld in artikel 6:89 BW.

(iii) heeft Cawi binnen bekwame tijd geklaagd?

De vraag of Cawi binnen bekwame tijd heeft geklaagd, moet worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden. Daarbij is de verstreken tijd een factor maar niet doorslaggevend. Van veel gewicht is of het belang van de schuldenaar is geschaad als gevolg van het verstrijken van de tijd totdat tegen de afwijking is geprotesteerd.

Hiervoor is vast komen te staan dat Cawi in elk geval vanaf augustus 2024 op de hoogte was van de gestelde gebreken in de prestatie en dat zij pas op 9 december 2024, dus bijna vier maanden later en enkele dagen nadat Cawi de samenwerking met [eisende partij in conventie] heeft beëindigd, daarover bij [eisende partij in conventie] heeft geklaagd. [eisende partij in conventie] heeft gesteld dat hij door deze late kennisgeving nadeel heeft geleden omdat hij daardoor niet de mogelijkheid heeft gekregen de gestelde gebreken in de prestatie tijdig te herstellen. De kantonrechter volgt [eisende partij in conventie] hierin. Indien [eisende partij in conventie] immers wel eerder inhoudelijk op de hoogte was gesteld van de aard en de omvang van de gestelde gebreken in de prestatie dan had hij zijn werkzaamheden kunnen aanpassen om eventuele toekomstige schade te kunnen voorkomen. Door Cawi is hiertegen onvoldoende ingebracht om daarover anders te oordelen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eisende partij in conventie] in zijn belangen is geschaad omdat Cawi pas op 9 december 2024 heeft geklaagd. De conclusie is daarom dat Cawi de klachtplicht heeft geschonden. Dit betekent dat het beroep op artikel 6:89 BW slaagt.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat Cawi geen beroep kan doen op gebreken in de prestatie van [eisende partij in conventie] , zodat de vordering die strekt tot betaling van de schadevergoeding van € 134.944,18 zal worden afgewezen.

Ten overvloede wordt overwogen dat ook wanneer in deze procedure wel was vast komen te staan dat Cawi tijdig heeft geklaagd bij [eisende partij in conventie] , de gevorderde schadevergoeding ook was afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.

[eisende partij in conventie] heeft gemotiveerd betwist dat hij de door Cawi gevorderde schade heeft veroorzaakt. De stelplicht van de stelling dat schade is ontstaan door het handelen van [eisende partij in conventie] , ligt bij Cawi, maar zij heeft die stelling onvoldoende onderbouwd. Uit geen van de door Cawi overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de gestelde schadeposten zoals Cawi die heeft uiteengezet in productie 29 zijn veroorzaakt door toedoen van [eisende partij in conventie] . Aanknopingspunten daarvoor ontbreken. Cawi heeft daarmee haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat niet is vast komen te staan dat [eisende partij in conventie] is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst. Daarmee ontbreekt een grondslag voor de gevorderde schadevergoeding.

Cawi heeft gesteld dat [eisende partij in conventie] alle werkzaamheden die hij heeft verricht vanaf 12 september 2024, zien op herstelwerkzaamheden. De kosten daarvoor blijven daarom op grond van artikel 14 lid 4 van de algemene voorwaarden voor rekening van [eisende partij in conventie] , aldus Cawi.

De kantonrechter overweegt dat het gelet op de gemotiveerde betwisting van de stelling dat [eisende partij in conventie] vanaf 12 september 2024 alleen nog maar herstelwerkzaamheden heeft verricht, op de weg van Cawi had gelegen om die stelling nader te onderbouwen. Cawi heeft echter geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht of stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Daarmee heeft Cawi haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Niet gebleken is dan ook dat de vanaf 12 september 2024 in rekening gebrachte en door Cawi betaalde factuurbedragen voor rekening van [eisende partij in conventie] moeten blijven. Cawi dient deze factuurbedragen op grond van de overeenkomst van opdracht aan [eisende partij in conventie] te betalen. De betaling van de factuurbedragen heeft dus, anders dan Cawi meent, wel een rechtsgrond, zodat geen sprake is van een onverschuldigde betaling. Ook dit onderdeel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

Cawi zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij in conventie] gevallen. Deze proceskosten worden vastgesteld op nihil omdat [eisende partij in conventie] zich in reconventie niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

veroordeelt Cawi om aan [eisende partij in conventie] te betalen een bedrag van € 10.863,78, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW daarover vanaf de vervaldata van de onderscheiden facturen tot aan de dag van volledige betaling,

veroordeelt Cawi om aan [eisende partij in conventie] te betalen een bedrag van € 883,64 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

veroordeelt Cawi in de proceskosten van € 946,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Cawi niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt Cawi tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vordering van Cawi af,

veroordeelt Cawi in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eisende partij in conventie] vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.

lt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?