RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/296542-24
Datum uitspraak : 10 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
raadsvrouw: mr. S. Grilk, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2024 tot en met 13 juni 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere perso(o)n(en), althans alleen, (een) ander(en), te weten:
- [naam] , uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s), wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was,
- door voornoemde [naam] (tegen betaling) onderdak en/of verblijfplaats en/of werkplaats te bieden en/of contacten te leggen en/of te onderhouden ten einde die [naam] aan een verblijfsplaats/werkplaats te helpen en/of aan het werk te helpen als prostituee en/of (aldus) haar prostitutiewerk mogelijk te maken en haar (daarmee) te helpen aan middelen van bestaan in Nederland.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 11-15;
- het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam] , p. 41-42;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2025.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2024 tot en met 13 juni 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere perso(o)n(en), althans alleen, (een) ander(en), te weten:
- [naam] , uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s), wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was,
- door voornoemde [naam] (tegen betaling) onderdak en/of verblijfplaats en/of werkplaats te bieden en/of contacten te leggen en/of te onderhouden ten einde die [naam] aan een verblijfsplaats/werkplaats te helpen en/of aan het werk te helpen als prostituee en/of (aldus) haar prostitutiewerk mogelijk te maken en haar (daarmee) te helpen aan middelen van bestaan in Nederland.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Het een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland/IJsland/ Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het in het eerste lid genoemde protocol, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en voorts tot het verrichten van 180 uren werkstraf subsidiair 90 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de beperkte rol van verdachte ten aanzien van het gepleegde feit, de betrekkelijk korte periode, het ontbreken van relevante justitiële documentatie en de meewerkende houding van verdachte. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de aanwezige LVB-problematiek en het niet-aangeboren hersenletsel. De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar in overeenstemming met de eis van de officier van justitie aan verdachte een taakstraf op te leggen, eventueel met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan het verschaffen van wederrechtelijk verblijf in Nederland, door een kamer te verhuren aan [naam] uit Thailand, zodat zij in die kamer illegaal prostitutiewerkzaamheden kon verrichten. [naam] verbleef illegaal in Nederland en verdachte was daarvan op de hoogte. Verdachte kreeg honderd euro per dag voor het beschikbaar stellen van een kamer in zijn woning, wat voor hem een inkomstenbron was. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen illegaal verblijf van [naam] in Nederland mogelijk gemaakt, maar ook bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit, dat op grote schaal misbruik maakt van kwetsbare mensen die prostitutiewerk in landen als Nederland als uitweg zien van de leefomstandigheden in het land van herkomst. Door de gestelde regels te omzeilen en mensen wederrechtelijk verblijf in Nederland te bieden, wordt het overheidsbeleid doorkruist en wordt illegaal verblijf en illegale arbeid in Nederland bevorderd. Dat verdachte daar geen oog voor heeft gehad en enkel uit winstbejag heeft gehandeld, rekent de rechtbank verdachte aan.
Uit het strafblad van verdachte van 17 januari 2025 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Uit het reclasseringsadvies van 19 februari 2025 volgt dat verdachte bekend is met niet-aangeboren hersenletsel en gediagnosticeerd is met een licht verstandelijke beperking. Verdachte ontvangt wekelijks begeleiding van ‘Zozijn’ en hij staat onder bewind. De reclassering stelt dat de criminogene factoren gelegen zijn in de financiële situatie van verdachte en in zijn sociale netwerk. Volgens de reclassering zijn het contact met zijn familie, het hebben van vaste huisvesting en de houding van verdachte ten aanzien van begeleiding aan te merken als beschermende factoren. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als laag. De reclassering ziet geen noodzaak om verdachte in het kader van een reclasseringstoezicht te begeleiden.
Gelet op al het voorgaande, acht de rechtbank – in overeenstemming met de eis van de officier van justitie – een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en daarnaast een werkstraf van 180 uren passend en geboden en zal dit ook aan verdachte opleggen. Gezien de beïnvloedbaarheid van verdachte, acht de rechtbank het van belang dat verdachte door het opleggen van een proeftijd een stok achter de deur krijgt, om ervoor te zorgen dat hij in de toekomst niet nogmaals in de fout gaat.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 197a van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt op een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen.