RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11651113 \ VV EXPL 25-63
Vonnis in kort geding van 27 augustus 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigden: mr. D. Beumer en mr. M.J.J. Nijenhof,
tegen
[gedaagde] ,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R. Rouwen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10
- het namens [gedaagde] op 23 mei 2025 ingediende uitstelverzoek
- de reactie namens [eiser] op het uitstelverzoek- de drie op 26 mei 2025 namens [gedaagde] ingediende producties - de op 26 mei 2025 namens [eiser] ingediende productie 11.
De zaak is mondeling behandeld op 27 mei 2025. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun gemachtigden. Mrs. Beumer en Rouwen hebben pleitnota’s voorgedragen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken.
De kantonrechter heeft de zaak aangehouden om beide partijen stukken te laten indienen.
Daarna zijn ingekomen:
- de e-mail met producties 4 tot en met 7 namens [gedaagde]
- de e-mail met bijlagen 1 en 2 van mrs. Beumer en Nijenhof van 10 juni 2025
- de e-mail namens [gedaagde] van 10 juni 2025
- de e-mail namens [eiser] van 11 juni 2025
Vervolgens heeft een voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden op 26 augustus 2025. Verschenen zijn [eiser] , bijgestaan door mr. Nijenhof, en
mr. Rouwen namens [gedaagde] .
Tot slot is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
Met ingang van 1 mei 2021 huurt [gedaagde] van [eiser] voor onbepaalde tijd de zelfstandige woonruimte aan de [adres] . [eiser] is eigenaar van de woning.
Bij brief van 28 november 2024 heeft de gemeente Westervoort een brief gestuurd aan [eiser] waarin melding wordt gemaakt dat - kort gezegd - de burgemeester voornemens is over te gaan tot tijdelijke sluiting van door [gedaagde] gehuurde woonruimte op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. In deze brief staat onder meer:
“(…)
Op 27 oktober 2024 is uw huurder, de heer [gedaagde] , door de politie van het basisteam Arnhem-Noord aangehouden naar aanleiding van een bedrijfsinbraak. De politiemedewerkers besloten nader onderzoek te doen in de woning en het daarbij behorende erf waarvan u de eigenaar/verhuurder bent. Volgens de gegevens van de Basisregistratie Personen stond de heer [gedaagde] ingeschreven op dit adres. Uit de gegevens van de politie en de gemeente Westervoort blijkt dat het pand één huisnummer heeft, namelijk [huisnr.] . Ter plaatse echter, bleek dat het pand was opgedeeld in twee afzonderlijke woonruimtes, die elk – van buitenaf – een eigen toegangsdeur hebben. Beide woonruimtes zijn via een gemeenschappelijke tuin bereikbaar en vermoedelijk door de bewoners/gebruikers zelf voorzien van afzonderlijke huisnummer: te weten [huisnr.] en [huisnr.] . Aan de voorzijde van het erf zagen de politiemedewerkers twee brievenbussen met de huisnummers [huisnr.] en [huisnr.] .
Volgens de hoofdbewoner van nummer [huisnr.] , mevrouw [naam 1] , en de politiemedewerkers is de heer [gedaagde] , samen met zijn partner mevrouw [naam 2] en zijn zoontje [naam 3] , woonachtig op nummer [huisnr.] . De toegangsdeur naar hun woonruimte bevindt zich onder een overkapping aan de achterzijde van het pand. Via deze overkapping, die ook is ingericht als woonruimte en onder meer voorzien is van een loungebank, heeft de heer [gedaagde] toegang tot zijn voordeur en tot een grote opslagkast met dubbele zwarte deuren. De politie heeft de woonruimte met de bijbehorende overkapping, inclusief de opslagkast, doorzocht.
Uit de bestuurlijke rapportage van de politie blijkt dat de volgende stoffen en goederen zijn aangetroffen in de opslagkast en in de woonruimte:
Aangetroffen stoffen en goederen in de opslagkast behorende bij de woonruimte:
Tussen de 960 en 1000 XTC-tabletten, met een brutogewicht van 494 gram;
Een witte brok MDMA, met een brutogewicht van 95 gram;
Stempels met logo’s: het is bij de politie ambtshalve bekend dat deze stempels worden gebruikt om een vorm en logo aan te brengen tijdens de productie van XTC-tabletten.
Aangetroffen goederen in de woonruimte:
36 sloffen sigaretten van het merk ‘Marseille’.
Deze combinatie van stoffen en goederen duit op overtreding van de Opiumwet. Alle voornoemde stoffen en goederen zijn inbeslaggenomen en getest door de politie.
(…)
Damoclesbeleid gemeente Westervoort
Het Damoclesbeleid van de gemeente Westervoort (hierna: het Damoclesbeleid) heeft in de eerste laats betrekking op de bevoegdheid van de burgemeester om woningen, lokalen of bijbehorende erven te sluiten. De toepassing van deze bevoegdheid heeft concreet als doel de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs in of vanuit een woning, lokaal, of bijbehorende erf (definitief) te beëindigen en beëindigd te houden. Daarnaast beoogt het beleid herhaling van dergelijke activiteiten te voorkomen en, wat betreft voorbereidingshandelingen, de aanvang van drugshandel of -productie te beletten.
(…)
Ingeval van, zoals in casu, het aantreffen van een hoeveelheid harddrugs van meer dan 5 gram in een woning schrijft mijn Damoclesbeleid een sluitingsduur van zes maanden voor.
(…)
Gezien het bovenstaande acht ik het aannemelijk dat de woonruimte, samen met de overkapping en de opslagkast, wordt gebruikt voor de (drugs)handel. Op grond van de handhavingsmatrix zoals weergegeven in het Damoclesbeleid van de gemeente Westervoort heb ik het voornemen om de woonruimte van huisnummer [huisnr.] en het bijbehorende erf voor de duur van es maanden te sluiten. Ik acht deze maatregel noodzakelijk.
(…)
Tegen de achtergrond van vorenstaand beoordelingskader meen ik dat de constateringen van de politie en van buurtbewoners betreffende uw woning een sterke indicatie vormen dat uw woning met bijbehorende overkapping worden gebruikt voor de handel in verdovende middelen. Hierop duidt de aanzienlijke hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen, die een overschrijding opleveren van ruim meer dan 1.100 keer de gedoogde gebruikshoeveelheid voor harddrugs volgens de Aanwijzing Opiumwet. Ook zijn er aanwijzingen dat uw woning vermoedelijk onderdeel uitmaakt van een breder illegaal en crimineel handelscircuit.
Uit verklaringen van buurtbewoners blijkt dat er sprake is van ‘loop’ naar uw pand. Er bevinden zich dagelijks verschillende ongure personen rondom de woning van de heer [gedaagde] . Deze personen worden omschreven als ‘junkies met ingevallen gezichten die (oog)contact vermijden.’ Buurtbewoners voelen zich niet meer veilig in en bij hun woningen. Uit de eveneens aangetroffen illegale sigaretten en de vermoedelijke betrokkenheid bij meer bedrijfsinbraken blijkt dat de heer [gedaagde] zich waarschijnlijk in het criminele circuit bevindt. Bij elkaar genomen levert dit duidelijke aanwijzingen op dat de woning een schakel vormt in de keten van drugshandel en, gelet op de eveneens aangetroffen stempel, vermoedelijk ook drugsproductie. Ik ben van oordeel dat deze feiten en omstandigheden zodanig ernstig zijn, dat een tijdelijke sluiting van de woning voor, overeenkomstig mijn Damoclesbeleid, de duur van zes maanden noodzakelijk is (mede) met het oog op de gezondheid en veiligheid van omwonenden, passanten en derden, ter definitieve beëindiging van de overtreding en om en om herhaling ervan te voorkomen. Tevens wil ik met de tijdelijke sluiting een duidelijk signaal afgeven naar betrokken (drugs)criminelen en omwonenden dat tegen de geconstateerde feiten wordt opgetreden en dat de relatie tussen de woning en de criminele handel is verbroken.
(…)
Ik realiseer mij tevens dat de woningsluiting een inbreuk maakt op de grondrechten van uw huurder, waaronder het recht op bescherming van zijn woonrecht. Ik begrijp dat deze sluiting zijn gezin raakt, vooral omdat er een baby in de woning verblijft. Het is voor de opvoeding en ontwikkeling van een kind zeer gevaarlijk om op te groeien in een omgeving waar drugs worden verhandeld, gebruikt en aanwezig zijn. Dit aspect neem ik ook mee in mijn belangenafweging. Via de politie is mij ter ore gekomen dat zijn partner en kind al vóór de instap elders verbleven.
Tevens wijs ik erop dat op hetzelfde erf nog een ander gezin verblijft op huisnummer [huisnr.] , bestaande uit een moeder en een dochter. Hoewel huisnummer [huisnr.] volgens de kadastrale gegevens en de Basisregistratie Persnoen niet bestaat, beschouw ik deze woonruimte, met een afzonderlijke voordeur en brievenbus, als een aparte woning. Aangezien deze bewoners niet door de politie zijn aangemerkt als verdachten en er geen aanwijzingen zijn dat zij betrokken zijn bij de handel in drugs of voorbereidingshandelingen, vind ik het buitenproportioneel om huisnummer [huisnr.] te sluiten.(…)”
[eiser] heeft tijdens een zienswijzegesprek op 17 december 2024 een toelichting gegeven op de situatie voor zover die aan hem bekend was. Bij brief van 9 januari 2025 heeft de burgemeester van de gemeente Westervoort het besluit tot sluiting van de woning genomen. In deze brief wordt een sluitingsperiode genoemd die eindigt op 16 april 2025. Deze sluitingsdatum wordt bij brief van 15 januari 2025 gerectificeerd; de sluitingstermijn loopt van 16 januari 2025 10:30 uur tot en met 16 mei 2025. Het sluitingsbesluit is inmiddels onherroepelijk geworden.
Bij brief van 5 februari 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] een brief aan [gedaagde] gestuurd waarin hij de huurovereenkomst op grond van 7:231 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) namens [eiser] buitengerechtelijk ontbindt.
Per e-mailbericht van 12 februari 2025, 16:14 uur, schrijft [gedaagde] aan [eiser] in reactie op de buitengerechtelijke ontbinding: “Bij Dezen schriftelijke bevestiging dat er gevolg zal plaatsvinden.”
De gemachtigde van [eiser] bevestigt op 12 februari 2025, 16:38 uur, dat [gedaagde] de buitengerechtelijke ontbinding accepteert. Ook verzoekt hij [gedaagde] te laten weten op welke wijze [gedaagde] de sleutels van de woning wil overhandigen en dat zal worden bekeken hoe eventuele eigendommen uit het gehuurde gehaald kunnen worden.
Op 12 februari 2025 om 16:42 uur stuurt [gedaagde] nogmaals een e-mail aan de gemachtigde van [eiser] waarin hij schrijft: “Hierbij mijn schriftelijke bevestiging dat er gevolg zal plaatsvinden op deze buitengerechtelijke ontbinding.”
Bij die e-mail zit een Word bestand met daarin een reactie en bezwaar van [gedaagde] tegen de buitengerechtelijke ontbinding.
Op 4 april 2025 stuurt de gemachtigde van [eiser] een e-mail aan [gedaagde] waarin hij schrijft:
“Ik heb vernomen dat u meent terug te kunnen gaan naar de voorheen door u gehuurde woning. Daarvan kan geen sprake zijn. De huurovereenkomst is (en blijft) ontbonden en u kunt dus niet terug.(…)
U kunt binnen één week na heden contact met mij opnemen zodat praktische afspraken gemaakt kunnen worden over het ophalen van uw eigendommen uit de woning. Daarmee wordt u een laatste maal in de gelengheid gesteld een procedure en daarmee gepaard gaande hoge kosten (inclusief die van ontruiming) te voorkomen.(…)”
3. Het geschil
[eiser] vordert samengevat - ontruiming van de woning door [gedaagde] binnen zeven dagen na 16 mei 2025, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag.
Er is sprake van een situatie als omschreven in artikel 7:231 lid 2 BW. [eiser] heeft in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van zijn ontbindingsbevoegdheid gebruik gemaakt. Per 16 mei 2025 is de sluiting van de woning op grond van artikel 13b eerste lid, aanhef en onder a en b van de Opiumwet tot een einde gekomen. [eiser] heeft vanaf die datum als eigenaar de feitelijke beschikking over de woning gekregen en [gedaagde] heeft geen recht op het gebruik meer. [gedaagde] bewoont het gehuurde weer en weigert contact op te nemen met [eiser] om een afspraak te maken om zijn eigendommen uit de woning op te komen halen. [eiser] heeft recht en belang bij een ontruiming op de kortst mogelijke termijn, zodat de woning leeg en ontruimd aan een nieuwe huurder ter beschikking kan worden gesteld.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
[gedaagde] voert aan dat er voldoende grond is voor twijfel over het te verwachten oordeel van de bodemrechter. Hij betwist met klem dat hij iets te maken heeft met de gevonden drugs. Hij en zijn echtgenote zijn ook niet strafrechtelijk vervolgd hiervoor. De tuinkast bevindt zich aan de zijkant van de woning en maakt volgens [gedaagde] geen deel uit van het gehuurde. Op het moment dat de drugs zijn aangetroffen maakte hij ook geen gebruik van de tuin of de tuinkast. Verder voert [gedaagde] aan dat zijn belangen en die van zijn gezin zo zwaar wegen dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het spoedeisend belang
De kantonrechter is van oordeel dat, nu de gedwongen sluiting van het gehuurde door de burgemeester reeds is afgelopen en [gedaagde] het gehuurde weer bewoont en weigert te verlaten, [eiser] een spoedeisend belang heeft bij een antwoord op de vraag of [gedaagde] , gelet op de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst, het gehuurde moet ontruimen.
De ontruiming
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Artikel 7:231 lid 2 BW maakt buitengerechtelijke ontbinding mogelijk wanneer het bevoegd gezag op grond van de in dat lid genoemde artikelen - uit de Gemeentewet, de Opiumwet of de Woningwet - sluiting van een pand heeft gelast op grond van gedragingen in het gehuurde of voor gedragingen in de onmiddellijke nabijheid van het gehuurde die de openbare orde ernstig verstoren (of bij ernstige vrees daarvoor). Voor een buitengerechtelijke ontbinding is een schriftelijke verklaring vereist die de huurder ex artikel 3:37 BW moet hebben bereikt.
Tussen partijen is niet in geschil dat het sluitingsbesluit van de burgemeester nog van kracht was op het moment dat [eiser] de huurovereenkomst ontbond en dat de grondslag van de sluiting ligt in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Dat betekent dat [eiser] bevoegd was de huurovereenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk te ontbinden. Daarnaast staat vast dat de buitengerechtelijke ontbinding [gedaagde] heeft bereikt.
Bij de buitengerechtelijke ontbinding van een huurovereenkomst op grond van voormeld wetsartikel geldt als uitgangpunt dat de verhuurder - in dit geval [eiser] - af mag gaan op het sluitingsbesluit van de burgemeester en niet zelf nader onderzoek hoeft te doen naar de juistheid van het sluitingsbesluit. Ook mag de civiele rechter het sluitingsbesluit niet zelfstandig beoordelen; dat is voorbehouden aan de bestuursrechter. Zolang het sluitingsbesluit van kracht is, mag de verhuurder de huurovereenkomst in beginsel buitengerechtelijk ontbinden. Wel is de kantonrechter op grond van Europese jurisprudentie over artikel 8 EVRM gehouden te beoordelen of de gevorderde ontruiming evenredig (proportioneel) is in de zin van deze grondrechtelijke bepaling.
Bij de beantwoording van de vraag of ontruiming gerechtvaardigd is moeten alle feiten en omstandigheden afgewogen worden. Om te bepalen of de maatregel van ontruiming evenredig is dient aangeknoopt te worden bij artikel 3:13 lid 2 BW (misbruik van bevoegdheid) of artikel 6:248 BW (redelijkheid en billijkheid). Omstandigheden die daarbij een rol spelen zijn: de kans dat het besluit tot sluiting wordt herroepen of vernietigd, of nakoming van de overeenkomst door de sluiting onmogelijk is geworden (conform de ratio van artikel 7:231 lid 2 BW), de ernst van de overtreding die ten grondslag ligt aan de sluiting en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de mogelijk verstrekkende gevolgen van ontbinding in de huidige woningmarkt.
De toetsing is marginaal, er is geen plaats voor een volledige belangenafweging. Het feit dat het gehuurde is gesloten levert een nauwelijks te weerleggen rechtsvermoeden op dat een verhuurder de huurovereenkomst met recht heeft ontbonden. Alleen als de buitengerechtelijke ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of wanneer misbruik is gemaakt van bevoegdheden, kan de ontruiming worden afgewezen. Alle omstandigheden van het geval moeten hierbij worden onderzocht,
mede bezien in het licht van artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK. Bij deze toetsing dienen alle relevante omstandigheden te worden betrokken en de belangen van partijen te worden afgewogen.
Met inachtneming van het voorgaande overweegt de kantonrechter het volgende.
De tuinkast waarin de drugs en de stempels (die worden gebruikt voor het bewerken, verwerken en verkopen van XTC-tabletten) zijn gevonden bevindt zich onder de door [gedaagde] direct naast het gehuurde gemaakte overkapping, in de tuin van het gehuurde. In de huurovereenkomst wordt expliciet benoemd dat de (zich ook in de tuin van het gehuurde bevindende) schuur niet tot het gehuurde behoort, maar over de overkapping is niets opgenomen, terwijl [gedaagde] daar in ieder geval feitelijk wel gebruik van maakt. Uit de door partijen overgelegde foto’s blijkt dat je, om bij de overkapping en de tuinkast te komen, vanaf de openbare weg eerst een stoep over moet, vervolgens een tuinhek door en dan nog een stuk naar achteren moet lopen (evenwijdig aan het gehuurde) in de tuin. Er is naast het tuinhek geen andere toegangsmogelijkheid tot de tuin. Het is dus niet zo, zoals [gedaagde] tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft gesteld, dat de tuinkast vanaf de openbare weg direct toegankelijk is. Daarnaast heeft [eiser] onweersproken gesteld dat je via de overkapping moet om het gehuurde te betreden. Dit wordt ook bevestigd in de brief betreffende de burgemeesterssluiting.
In deze omstandigheden acht de kantonrechter het ongeloofwaardig dat [gedaagde] , die heeft erkend dat hij een verleden heeft in het drugscircuit en tijdens de eerste periode van de burgemeesterssluiting in diverse drugspanden heeft verbleven, niets met de gevonden drugs te maken heeft gehad.
En ook al zou [gedaagde] niets van de drugs geweten hebben, dan is dat niet doorslaggevend. Hij is als huurder immers in beginsel verantwoordelijk voor wat er in het gehuurde gebeurt. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling op 27 mei 2025 zelf verklaard dat hij wel een vermoeden heeft wie de drugs en stempels in de tuinkast heeft neergelegd, maar dat niet hard kan maken. Bovendien zijn in het gehuurde zelf illegale sloffen sigaretten gevonden, waarvan [gedaagde] heeft erkend dat die van hem afkomstig waren. Dit kan wijzen op betrokkenheid van de woning in een breder illegaal handelscircuit en op de directe bijdrage van [gedaagde] daarin. Tijdens de mondelinge behandeling op 26 augustus 2025 is door (de echtgenote van) [eiser] onbetwist verklaard dat het ook de laatste tijd een komen en gaan is van “ongure types” bij het gehuurde. Dit was, zo blijkt uit de brief van de burgemeester van 28 november 2024, ten tijde van de burgemeesterssluiting ook het geval en geeft, in samenhang met de overige omstandigheden, op zijn minst een aanwijzing dat sprake is van drugshandel vanuit en/of rondom het gehuurde. Dat verhuurder niet wil dat zijn woning in verband wordt gebracht met drugshandel is begrijpelijk. Een feit van algemene bekendheid is immers dat deze handel het risico op criminaliteit en overlast vergroot en de rust en veiligheid van de straat en/of wijk verstoort.
[gedaagde] heeft, met name onder verwijzing naar artikel 3 IVRK, aangevoerd dat zijn belangen en die van zijn gezin moeten prevaleren boven die van [eiser] .
Voor zover het kind van [gedaagde] daadwerkelijk in het gehuurde woont, hetgeen [eiser] expliciet betwist, overweegt de kantonrechter in dat kader het volgende.
Artikel 3 IVRK vereist dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. De belangen van het minderjarig kind spelen dan ook een grote rol bij de vraag of ontruiming gerechtvaardigd is. Dat betekent echter niet dat het belang van het kind doorslaggevend is bij de rechterlijke afweging van alle omstandigheden en dat een woning waarin minderjarigen wonen nooit mag wordt ontruimd.
In dit geval is een Opiumdelict in het spel waarvan de kantonrechter voorshands aannemelijk acht dat [gedaagde] betrokkenheid daarbij heeft gehad, dan wel daarvoor in zijn hoedanigheid van huurder verantwoordelijk kan worden geacht en daarvan in die zin een verwijt te maken valt. Drugshandel vormt een inbreuk op de openbare orde, die ook de veilige woonomgeving van omwonenden aantast. [gedaagde] zelf is verantwoordelijk voor de nadelige gevolgen van de ontruiming en dient die gevolgen zoveel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door zo nodig hulpverlenende instanties in te schakelen. Dat betekent dat er ondanks de mogelijke aanwezigheid van een minderjarige ruimte is voor een belangenafweging in het voordeel van een ontruiming. Dat zich hier een noodsituatie voordoet, is de kantonrechter niet gebleken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de overlegde brief van de burgemeester aan de echtgenote van [gedaagde] van 28 november 2024 blijkt dat zij reeds vóór de doorzoeking van het gehuurde een tijdelijk ander onderkomen had gevonden voor haar en het kind. Dat haar dat na de ontruiming niet weer zal lukken, is onvoldoende onderbouwd.
Bij deze stand van zaken is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet gebleken van een situatie waarin het belang van het kind, voor zover dat kind daadwerkelijk in het gehuurde woont, de doorslag dient te geven.
Verder heeft [gedaagde] zelf weliswaar een groot belang bij het behoud van zijn woning, mede gezien de huidige krapte op de huurwoningenmarkt, maar kan dat belang tegenover het belang van [eiser] in de gegeven omstandigheden niet de doorslag geven. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de buitengerechtelijke ontbinding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is en dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheden door [eiser] .
Gelet op het voorgaande acht de kantonrechter het aannemelijk dat in een bodemprocedure niet zal worden geoordeeld dat het disproportioneel is dat [eiser] van zijn buitengerechtelijke ontbindingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Dit betekent dat aannemelijk is dat [gedaagde] de woning zonder recht of titel onder zich houdt. Op grond van artikel 7:224 lid 1 BW moet [gedaagde] de woning ter beschikking van [eiser] stellen. De kantonrechter zal de vordering tot ontruiming daarom toewijzen.
[eiser] vordert een termijn van ontruiming van zeven dagen na 16 mei 2025. Nog daargelaten dat deze datum inmiddels al is verstreken, ziet de kantonrechter geen reden om af te wijken van de gebruikelijke ontruimingstermijn van twee weken na de datum van betekening van dit vonnis.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
162,01
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
814,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.201,01
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De uitvoerbaar bij voorraadverklaring
De kantonrechter zal het vonnis, zoals onbetwist gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat [eiser] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoet.
5. De beslissing
De kantonrechter,
rechtdoende als voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.201,01, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op
27 augustus 2025.
41245 \ 61525