RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/454213 / HA ZA 25-283
Vonnis in incident van 26 november 2025
in de zaak van
1. [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. H.H.G. Theunissen,
tegen
1. [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. K. Horstman.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 juli 2025 met producties 1 tot en met 16;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;
- de antwoordconclusie inzake incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid.
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.
2. Het geschil in het incident
[eisers] stellen in de hoofdzaak dat hun buren [gedaagden] een kippenhok in de tuin hebben staan waar hanen in verblijven en dat zij overlast ervaren van het kraaien van de hanen. Zij vorderen onder meer dat de rechtbank voor recht verklaart dat het kraaien van de hanen onrechtmatige hinder veroorzaakt en dat zij [gedaagden] veroordeelt om de hanen te verwijderen of op te hokken.
Volgens [gedaagden] is niet de handelsrechter maar de kantonrechter bevoegd om over dit geschil te oordelen.
[gedaagden] hebben hiertoe aangevoerd dat de vordering van [eisers] tot het verwijderen of ophokken van de hanen kan worden gewaardeerd op de kosten van een haan die variëren van € 5,00 tot € 50,00. Dat is minder dan € 25.000,00 en daarom is volgens hen de kantonrechter bevoegd.
[eisers] brengen hiertegen in dat hun vordering tot een verklaring voor recht dat het kraaien van de hanen onrechtmatige hinder oplevert van onbepaalde waarde is en dat duidelijke aanwijzingen ontbreken dat deze vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. Zo kan deze verklaring voor recht grondslag zijn voor een schadevergoedingsvordering waarbij duidelijke aanwijzingen ontbreken dat deze schadevergoeding niet meer dan € 25.000,00 zal bedragen.
3. De beoordeling
In het incident
Als de vorderingen van [eisers] van onbepaalde waarde zijn en er duidelijke aanwijzingen bestaan dat deze vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00, dan is de kantonrechter bevoegd (artikel 93 aanhef onder b en 94 lid 2 Rv). De rechtbank zal zich hierbij beperken tot de gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde verwijdering of ophokplicht van de hanen.
Aan de beide vorderingen ligt de gestelde hinder door het kraaien van de hanen ten grondslag. De gevorderde verwijdering of ophokplicht van de hanen is daarom niet slechts te waarderen op de kosten die de verwijdering of een ophokplicht met zich brengen. Dit standpunt gaat voorbij aan de aard en het immateriële karakter van de gestelde hinder. De gestelde hinder is als zodanig namelijk niet op een bedrag in geld te waarderen. Door [gedaagden] zijn geen duidelijke aanwijzingen aangevoerd waaruit blijkt dat de waarde van de gestelde hinder en daarmee samenhangend de vorderingen van [eisers] geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00. Verder ziet de rechtbank ook geen duidelijke aanwijzingen dat de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan
€ 25.000,00. Dat betekent dat de vordering van [gedaagden] tot verwijzing zal worden afgewezen.
[gedaagden] worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
614,00
(1 punt × € 614,00)
Totaal
€
614,00
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
In de hoofdzaak
De rechtbank stelt [gedaagden] in de gelegenheid een conclusie van antwoord in te dienen. De zaak zal daarvoor worden verwezen naar de rol.
Alle beslissingen worden aangehouden.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de vordering af;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van dit incident ter hoogte van € 614,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rolzitting van 7 januari 2026 voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.
167/2075