RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/182407-24
Datum uitspraak : 18 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1980 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] , in [woonplaats] .
Raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 februari 2024 te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s),
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal in/tegen zijn gezicht en/of hoofd en/of lichaam gestompt en/of geslagen en/of getrapt en/of die [slachtoffer] gedurende enige tijd in een zogenoemde wurggreep vastgehouden en/of (met kracht) vastgepakt en/of ten val gebracht en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (lang) hard voorwerp op/tegen zijn hoofd en/of rug en/of arm(en), althans op/tegen zijn lichaam geslagen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 8 februari 2024 te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft/hebben mishandeld door die [slachtoffer]
- meermalen, althans eenmaal in/tegen zijn gezicht en/of hoofd en/of lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of die [slachtoffer] gedurende enige tijd in een zogenoemde wurggreep vast te houden en/of (met kracht) vast te pakken en/of ten val te brengen en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (lang) hard voorwerp op/tegen zijn hoofd en/of rug en/of arm(en), althans op/tegen zijn lichaam te slaan.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, omdat het dossier hiervoor onvoldoende bewijs bevat. Voor het onderdeel verwurging heeft hij partiële vrijspraak verzocht. Hij heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.
Beoordeling door de rechtbank
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij 8 februari 2024 aan het slapen was in zijn woning op de [locatie] in [plaats 1] , toen hij wakker werd van gebonk op de deur. Er werd geroepen dat ze de politie waren en dat hij de deur moest openen en dat deze anders zou worden geforceerd. Na het openen van de deur liepen drie mannen naar binnen en ze begonnen hem op zijn hoofd te slaan. Hij werd op bed getrokken en met de vuist op het hoofd geslagen. Toen hij buiten stond, is hij nog geslagen met een voorwerp op zijn rug en achterop zijn hoofd.
Bij onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] werden de volgende letsels vastgesteld: enkele blauwe plekken in het gelaat, enkele hechtingen bovenop zijn hoofd, een huidbeschadiging in de omgeving van de hals/nek, diverse huidbeschadigingen op de rug (acht kommavormige wondjes), een huidbeschadiging op de linker zijkant van de romp en enkele huidbeschadigingen op de onderarmen.
Verdachte heeft verklaard dat hij mee de woning in is gegaan en dat daar een worsteling was tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer] , en dat hij hen naar de grond heeft geduwd. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij bovenop [slachtoffer] is gesprongen.
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de man in de woning een paar klappen heeft gegeven.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat toen [slachtoffer] de deur opende, een woordenwisseling ontstond met geduw en getrek. In de woning heeft hij [slachtoffer] meerdere keren met zijn vuist geraakt waar hij hem maar raken kon.
Op grond van genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte en zijn medeverdachten [slachtoffer] meermalen tegen het gezicht hebben geslagen en gestompt en hem ten val hebben gebracht. Ook stelt de rechtbank vast dat zij [slachtoffer] met een (hard) voorwerp hebben geslagen. De letsels die op zijn rug en hoofd zijn ontstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank, mede gezien de verklaring van [slachtoffer] dat hij met een voorwerp is geslagen, niet anders zijn ontstaan dan door het slaan met een (hard) voorwerp. Voor de onderdelen verwurgen en trappen tegen het lichaam is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs. Voor deze delen van de tenlastelegging wordt verdachte vrijgesproken.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van opzet op zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] , ook niet in voorwaardelijke zin. Daarvan zou sprake zijn indien met het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer heeft bestaan, en verdachte die kans willens en wetens heeft aanvaard. De bewezenverklaarde geweldshandelingen, namelijk het slaan en stompen op het gezicht en hoofd en slaan met een (hard) voorwerp op hoofd en/of rug, leveren naar het oordeel van de rechtbank geen opzet of aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen.
De rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 8 februari 2024 te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft/hebben mishandeld door die [slachtoffer]
- meermalen, althans eenmaal in/tegen zijn gezicht en/of hoofd en/of lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of die [slachtoffer] gedurende enige tijd in een zogenoemde wurggreep vast te houden en/of (met kracht) vast te pakken en/of ten val te brengen en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (lang) hard voorwerp op/tegen zijn hoofd en/of rug en/of arm(en), althans op/tegen zijn lichaam te slaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling in vereniging.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen waarvan 89 dagen voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de voorwaarden worden gekoppeld zoals door reclassering geadviseerd, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft hij gevorderd dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uren wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de LOVS-richtlijn voor mishandeling met behulp van een slagwapen/kopstoot met lichamelijk letsel, zijnde een taakstraf van 120 uren.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling in vereniging. Hij heeft zich met zijn medeverdachten, midden in de nacht, naar de woning van het slachtoffer begeven en daar het slachtoffer mishandeld. De aanleiding van dit geweldsincident was een conflict tussen een van de medeverdachten en het slachtoffer, waarbij verdachte en zijn medeverdachten lichtvaardig zijn overgaan tot het plegen van geweld. Het slachtoffer heeft door de mishandeling stevig letsel opgelopen. Bovendien heeft het feit bij hem gevoelens van onveiligheid teweeggebracht, waar hij tot op de dag van vandaag last van heeft, zo is gebleken uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 7 november 2024. Zij hebben geconstateerd dat verdachte moeite heeft met het uiten van zijn emoties, waardoor hij geneigd is om spanningen op te kroppen. Vermoedelijk is sprake van een lichte verstandelijke beperking. De kans op recidive wordt ingeschat als laag-gemiddeld. Om recidive te voorkomen, adviseert de reclassering de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en een contactverbod met het slachtoffer.
Alles afwegende komt de rechtbank tot een taakstraf van 180 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de taakstraf zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals de reclassering heeft geadviseerd. Deze straf is lager dan geëist door de officier van justitie, hetgeen samenhangt met het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt.
8. De beoordeling van het beslag
De rechtbank zal de teruggave van de jas (goednummer 3149567) en de stanleymessen (goednummers 3149565 en 3149566) aan verdachte gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.
9. De beoordeling van de civiele vordering
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk en tot een door de rechtbank te bepalen hoogte kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is, omdat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde. Subsidiair heeft hij verzocht om een substantieel lager bedrag toe te wijzen.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij kan worden ontvangen in de vordering tot schadevergoeding. De voeging is voorafgaand aan de zitting ingediend zonder een handtekening van de benadeelde. Nu de vordering ter zitting is gedaan en toegelicht door de advocaat van de benadeelde en de benadeelde partij zelf aanwezig was, is echter (alsnog) sprake van een geldige voeging.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één categorie van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de mishandeling heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank overweegt dat het letsel aan het oor en het oog in causaal verband staan tot het gepleegde feit. Van de, geruime tijd na het feit ontstane, hernia is geen causaal verband vast te stellen op basis van de stukken.
Dat de benadeelde letsel heeft opgelopen, is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,00 vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verdachte is vanaf 8 februari 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan immateriële schade verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ten aanzien van de toegewezen bedragen ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
Geen eigen schuld
Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre eigen schuld van de benadeelde partij leidt tot vermindering van de schadevergoedingsplicht, moet worden beoordeeld in welke mate de gedragingen van het slachtoffer aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat uitsluitend de bewezen verklaarde gedraging van de verdachte – het mishandelen van [slachtoffer] – de schade heeft veroorzaakt. De omstandigheid dat het slachtoffer zich op enig moment heeft verdedigd terwijl hij in zijn eigen woning werd aangevallen, maakt dit niet anders. Eigen schuld is daarom niet aan de orde. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde;
verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf, te weten 60 (zestig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van de volgende voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;
o stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
o stelt als bijzondere voorwaarde(n) dat verdachte:
verdachte zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 in Arnhem of via telefoonnummer 088-8041401, en zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa Plus-training of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1989;
o stelt als overige voorwaarden dat:
verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
gelast de teruggave van de jas (goednummer 3149567) en de stanleymessen (goednummers 3149565 en 3149566) aan verdachte;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij
veroordeelt verdachte in verband met het feit bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.000,00 aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost (voorzitter), mr. J.S.W. Lucassen en
mr. E.H.T. Rademaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van der Velden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 maart 2025.
De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.