RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/301713-24 en 05/304655-24 (gev. ttz)
Datum uitspraak : 21 januari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] in [plaats 1] .
Raadsvrouw: mr. A. Sahin, advocaat in Lent.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
05-304655-24
1.
hij op of omstreeks 23 september 2024 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning gelegen aan het [adres 1] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond een bakje en/of een of meerdere sleutels en/of een of meerdere pasjes en/of een kaarthouder en/of kleingeld en/of een rugtas en/of een portemonnee en/of een of meerdere brillenkokers en/of deodorant en/of een of meerdere folders, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 september 2024 te [plaats 2] , in de woning, het besloten lokaal en/of het
besloten erf, te weten een woning gelegen aan het [adres 1] bij [slachtoffer 1]
, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte in gebruik wederrechtelijk is
binnengedrongen en/of aldaar vertoevende zich, niet op de vordering van of vanwege de
rechthebbende aanstonds heeft verwijderd, waarbij hij, verdachte zich de toegang tot voornoemde woning hebben verschaft door middel van braak en/of inklimming.
2.
hij op of omstreeks 23 september 2024 te [plaats 3] (gemeente [plaats 4] ), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, geld en/of een of meerdere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel
- over een muur en/of de toegangsdeur naar het perceel behorende bij de Cafetaria gelegen aan de [adres 2] is geklommen en/of
- zoekend (met een aansteker) rond heeft gekeken en/of
- ( met kracht) in de richting van het kozijn heeft getrapt en/of (vervolgens) naar binnen is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 september 2024 te [plaats 3] (gemeente [plaats 4] ), in de woning, het
besloten lokaal en/of het besloten erf, te weten de Cafetaria aan de [adres 2] bij [slachtoffer 2] ,
althans bij een ander of anderen dan bij verdachte in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen en/of aldaar vertoevende zich, niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd, waarbij hij, verdachte zich de toegang tot voornoemde woning hebben verschaft door middel van braak en/of inklimming.
3.
hij op of omstreeks 29 september 2024 te [plaats 5] , in elk geval in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een schuur gelegen aan de [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
4.
hij op of omstreeks 29 september 2024 te [plaats 5] , in elk geval in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning gelegen aan de [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond een of meerdere sleutels, te weten een autosleutel en/of een huissleutel, en/of een geldbedrag en/of een suikerlepel en/of een bankpas en/of een telefoonhoesje, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
05-301713-24
hij op of omstreeks 20 september 2024 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een gouden ketting in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen
voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij dicht(er) bij die [slachtoffer 5] kwam lopen en/of (vervolgens) (met kracht) de gouden ketting om de hals van die [slachtoffer 5] heeft vast gepakt en/of (vervolgens)(met kracht) aan die gouden ketting heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten onder beide parketnummers.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangegeven dat zij zich ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 en feit 3 onder parketnummer 05-304655-24 refereert aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 4 onder dit parketnummer heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat er, afgezien van de bij verdachte aangetroffen autosleutel, geen wettig bewijs is. Ten aanzien van het feit onder parketnummer 05-301713-24 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat om verdachte te koppelen aan de poging tot diefstal met geweld.
Beoordeling door de rechtbank
05-304655-24
Feit 1
Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat er op 23 september 2024 een bericht in de buurtapp werd gestuurd dat er bij de woning in de steeg was ingebroken. Toen ze thuis kwam, zag ze dat de voorruit van haar woning aan het [adres 1] in [plaats 2] eruit lag. Eén van de buren kwam met het bakje dat in de keuken stond aanlopen. Ze hoorde dat de verdachte het bakje in zijn vlucht had weggegooid. Er zaten diverse pasjes, sleutels, een kaarthouder, sleutels en kleingeld in. Het kleingeld ontbrak nu. Ook was de rugtas van haar vriend weg. In de rugtas zaten meerdere goederen.
Getuige [getuige 1] woont boven de woning van aangeefster en hoorde een flink glasgerinkel. Hij keek naar buiten en zag glas liggen buiten op straat. Vervolgens is hij naar buiten gelopen en zag hij een man via het raam dat kapot was uit de woning van de onderburen komen. [getuige 1] is de man achterna gerend richting de Spar, waar anderen de man verder achterna zijn gegaan. Later is [getuige 1] naar de man gaan zoeken in de richting van het [park] .
De politie kreeg op 23 september 2024 om 20.10 uur een melding van een woninginbraak. De verbalisanten troffen melder ter plaatse van de [locatie] in het [park] in [plaats 2] . Melder gaf een signalement van de man. Om 20.20 uur kregen de verbalisanten het bericht dat collega’s in de politiehelikopter iemand verstopt zagen zitten ter hoogte van de toren in het park. Deze persoon voldeed voor een zeer groot deel aan het signalement. Bovenop de toren lagen allerlei goederen verspreid over de grond. De verbalisanten zagen de verdachte niet. Ze kregen enkele seconden later een melding dat de verdachte verderop in het park was aangehouden. De goederen die bij de toren waren gevonden zijn tijdens het opnemen van de aangifte aan aangeefster getoond. Zij herkende de goederen. Het gaat om: een bruine portemonnee, twee brillenkokers, een pasje en sleutel van het werk van haar vriend, een ASN-bankpas, diverse folders van vakantie en deodorant. Er zaten bloedvlekken op de aangetroffen goederen.
Verdachte heeft verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij met zijn been het raam kapot heeft gemaakt. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij naar binnen is gegaan, maar dat hij niets heeft meegenomen.
Gelet op genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte het raam van de woning aan het [adres 1] in [plaats 2] kapot heeft gemaakt, de woning binnen is gegaan en de goederen zoals genoemd heeft weggenomen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 6-7;
- het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden, p. 16-17;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2025.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 6-7;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 10;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2025.
Feit 4
Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij aan de [adres 4] in [plaats 5] woont en dat hij op 29 september 2024 om 10.30 uur naar boven ging. Toen hij rond 11.00 uur naar beneden kwam zag hij dat iemand zonder toestemming in zijn huis was geweest en goederen had weggenomen. Er was geen sprake van braak. De dader moet via de achterdeur naar binnen gekomen zijn. Aangever heeft verklaard dat uit een bakje op de schoorsteenmantel een bedrag van ongeveer 130 euro is weggenomen. Ook zijn een zilveren suikerlepel, een bankpas van de ING, een autosleutel van een Ford, een huissleutel en een telefoonhoesje weggenomen.
In de fouilleringszak van verdachte is een Ford autosleutel aangetroffen. Verdachte heeft afstand gedaan van de autosleutel. Verbalisanten zijn naar de woning van aangever gegaan en hebben gecontroleerd of de sleutel de sleutel is die hoort bij de Ford van aangever. Dit bleek het geval.
De politie heeft in een proces-verbaal van bevindingen vastgelegd dat in een kort tijdsbestek op die 29e september meerdere meldingen zijn gedaan van verdachte situaties in en rondom woningen in [plaats 5] . Uit het proces-verbaal blijkt dat de bewoner van de [adres 3] in [plaats 5] naar de verbalisant toe kwam en dat zij vertelde dat iemand hun scooter had gestolen, dat haar man de dader van de scooter had getrapt en dat ze de scooter weer terug hadden. Verdachte heeft dit feit, ten laste gelegd onder feit 3 van onderhavig parketnummer, bekend. De diefstal van de scooter vond plaats op 29 september 2024 rond 09.30 uur. Uit de aangifte van [slachtoffer 4] blijkt dat de goederen uit zijn woning in [plaats 5] zijn weggenomen op 29 september 2024 tussen 10.30 en 11.00 uur.
Gelet op de korte tijdsduur tussen de diefstal van de scooter en de diefstal in de woning van [slachtoffer 4] , het feit dat de twee woningen in elkaars nabijheid liggen en vanwege het feit dat een deel van de buit, de autosleutel, bij verdachte is aangetroffen, zonder dat hij daar een aannemelijke verklaring voor heeft, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 4 tenlastegelegde.
05-301713-24
Aangeefster [slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij op 20 september 2024 om 17.30 uur in [plaats 2] liep. Ze zag dat een man op dezelfde stoep liep en vlak naast haar kwam lopen. Direct daarna voelde ze dat hij met zijn hand haar gouden ketting vastpakte en dat hij een harde ruk gaf aan de ketting. Aangeefster zag dat een jongen de man aansprak en ze hoorde dat de jongen tegen de man zei dat hij had gezien dat de man de ketting wilde stelen. Op het moment dat de jongen de politie wilde bellen, rende de man hard weg. Toen de man weg was, zag aangeefster dat de ketting kapot om haar nek hing.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat ze in haar auto reed en dat ze mensen hoorde schreeuwen. Ze vroeg wat er aan de hand was en een man en een dame op leeftijd gaven aan dat de verdachte had geprobeerd om sieraden van de vrouw af te pakken. De dame en de persoon die bij haar stond wezen naar een man die wegrende. [getuige 2] is achter de man aangereden en heeft ondertussen 112 gebeld. De politie kwam aanrijden en ze heeft aan hen verteld om wie het ging. Ze zag dat de politie naar de juiste man toe liep.
Verdachte is de persoon die door de politie is aangehouden.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte vlak naast [slachtoffer 5] is gaan lopen en dat hij heeft geprobeerd om de gouden halsketting van [slachtoffer 5] af te pakken door een harde ruk aan de ketting te geven. Aangeefster en de man die bij aangeefster stond hebben getuige [getuige 2] de man, die dat deed, aangewezen en zij zag dat deze man uiteindelijk door de politie is aangehouden. Dit bleek verdachte te zijn. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder parketnummer 05-301713-24 tenlastegelegde.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder parketnummers 05-304655-24 en 05-301713-24 heeft begaan, te weten dat:
05-304655-24
1.
hij op of omstreeks 23 september 2024 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning gelegen aan het [adres 1] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond een bakje en/of een of meerdere sleutels en/of een of meerdere pasjes en/of een kaarthouder en/of kleingeld en/of een rugtas en/of een portemonnee en/of een of meerdere brillenkokers en/of deodorant en/of een of meerdere folders, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorden heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
2.
hij op of omstreeks 23 september 2024 te [plaats 3] (gemeente [plaats 4] ), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, geld en/of een of meerdere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel
- over een muur en/of de toegangsdeur naar het perceel behorende bij de Cafetaria gelegen aan de [adres 2] is geklommen en/of
- zoekend (met een aansteker) rond heeft gekeken en/of
- ( met kracht) in de richting van het kozijn heeft getrapt en/of (vervolgens) naar binnen is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 29 september 2024 te [plaats 5] , in elk geval in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een schuur gelegen aan de [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
4.
hij op of omstreeks 29 september 2024 te [plaats 5] , in elk geval in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning gelegen aan de [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond een of meerdere sleutels, te weten een autosleutel en/of een huissleutel, en/of een geldbedrag en/of een suikerlepel en/of een bankpas en/of een telefoonhoesje, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
05-301713-24
hij op of omstreeks 20 september 2024 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een gouden ketting in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen
voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij dicht(er) bij die [slachtoffer 5] kwam lopen en/of (vervolgens) (met kracht) de gouden ketting om de hals van die [slachtoffer 5] heeft vast gepakt en/of (vervolgens)(met kracht) aan die gouden ketting heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
05-304655-24
feit 1 primair:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
feit 2 primair:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
feit 3:
diefstal op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt
feit 4:
diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt
05-301713-24
poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van de tijd dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte hulp nodig heeft en vraagt de rechtbank om aan verdachte een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van 2 jaar en daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden, namelijk verplicht reclasseringscontact, het meewerken aan UC controles en het openstaan voor ambulante behandeling.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere woninginbraken en een poging daartoe. Ook heeft hij een diefstal in een woning en een diefstal in een bij een woning behorende schuur gepleegd. Hij heeft hierbij schade aan de woningen toegebracht en een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de bewoners en de omwonenden. Ook heeft verdachte geprobeerd om met geweld een halsketting afhandig te maken van [slachtoffer 5] door hier een harde ruk aan te geven terwijl zij nietsvermoedend over straat liep. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen is gebleken hoeveel impact de feiten op de benadeelde partijen hebben gehad. [slachtoffer 1] en haar partner zijn na de inbraak verhuisd, omdat zij zich niet meer prettig voelden in hun woning en [slachtoffer 5] durft niet meer alleen over straat en krijgt psychische hulp.
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij in Nederland eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. In Polen is verdachte op 29 augustus 2019 veroordeeld vanwege meerdere diefstallen na illegale toegang, hetgeen vergelijkbaar is met onderhavige feiten. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee.
De reclassering rapporteert op 5 december 2024 dat verdachte instabiliteit kent op diverse leefgebieden en zijn middelengebruik en verslaving worden gezien als de voornaamste criminogene factor. Verdachte komt in de korte periode dat hij in Nederland verblijft veelvuldig in aanraking met justitie. Op 26 september 2024 werd de voorlopige hechtenis in een van de onderhavige zaken van verdachte geschorst met als voorwaarde dat verdachte contact met de reclassering zou opnemen. Dat heeft verdachte niet gedaan en enkele dagen later pleegde hij opnieuw een strafbaar feit. De reclassering ziet onvoldoende responsiviteit bij verdachte, hij heeft geen hulpvraag en hij ziet geen meerwaarde in hulpverlening of behandeling. Zij adviseren dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Hoewel verdachte tijdens de zitting erkent hulp nodig te hebben en zijn raadsvrouw heeft gepleit voor een straf met bijzondere voorwaarden, zal de rechtbank, gelet op de inhoud van het rapport van de reclassering, geen bijzondere voorwaarden opleggen.
Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles overziende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Een andere of lichtere straf zou geen recht doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen hiervan voor de slachtoffers en het gegeven dat sprake is van recidive.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
Benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 onder parketnummer 05-304655-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert €522,75 aan materiële schade en €315,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering deels dient te worden toegewezen. Het bedrag dat ziet op de koptelefoon kan niet worden toegewezen, omdat uit de aangifte en tenlastelegging niet blijkt dat deze is weggenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de schadeposten rugzak, portemonnee, contant geld en kosten voor de verhuisbus niet inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de eerder genoemde schadeposten tot een hoogte van €334,75 kan worden toegewezen.
De rechtbank is van oordeel dat benadeelde in de vordering met betrekking tot de koptelefoon niet ontvankelijk dient te worden verklaard , aangezien de koptelefoon niet is genoemd in de aangifte en de tenlastelegging en de koptelefoon niet bij verdachte is aangetroffen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door feit 1 is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast, nu verdachte inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van benadeelde. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van €315 aan smartengeld kan worden toegewezen.
Verdachte is vanaf 23 september 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3)
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met feit 3 onder parketnummer 05-304655-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert €250 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Uit de aangifte volgt de schadeveroorzakende toedracht, die voldoende samenhangt met het bewezenverklaarde.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft het eigen risico van de scooter tot een hoogte van €100 kan worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering met betrekking tot het eigen risico van de auto niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd.
Verdachte is vanaf 29 september 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 4)
De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met feit 4 onder parketnummer 05-304655-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert €853,71 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft het geldbedrag en de zilveren lepel dient te worden afgewezen, omdat die niet bij verdachte zijn aangetroffen.
Beoordeling door de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering in het geheel kan worden toegewezen, derhalve inclusief de door de verdediging betwiste schadeposten, omdat het door verdachte wegnemen van het in de aangifte nader aangeduide contante geldbedrag en de zilveren lepel bewezen is verklaard en de posten niet onredelijk voorkomen.
Verdachte is vanaf 29 september 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Benadeelde partij [slachtoffer 5] (05-301713-24)
De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft in verband met parketnummer 05-301713-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert €75,- aan materiële schade en €550,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadepost niet inhoudelijk is betwist. De schadepost is voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kapotte ketting tot een hoogte van €75 kan worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het feit is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast, aangezien verdachte met zijn handelen een inbreuk op de persoonlijke integriteit van de benadeelde heeft gemaakt. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van €550 aan smartengeld kan worden toegewezen.
Verdachte is vanaf 20 september 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
De vorderingen van de benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;