RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/455389 / HZ ZA 25-220
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[eiser] ,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna samen te noemen: eiser,
advocaat: mr. I.L. Conijn,
tegen
O&M INŽENJERING GROUP D.O.O.,
te Zrenjanin (Servië),
gedaagde partij,
hierna te noemen: gedaagde,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 september 2025;
- de akte overlegging productie van eiser;
- het tegen gedaagde verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
In het tussenvonnis van 24 september 2025 heeft de rechtbank aan eiser de opdracht gegeven om bij akte de verklaring zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken van 15 november 1965, Trb. 1969, 55
(hierna: “het Haags Betekeningsverdrag”) over te leggen. Eiser heeft deze verklaring middels productie 11 bij akte overlegging productie van 10 oktober 2025 overgelegd. In de overgelegde verklaring heeft het arrondissement Oost-Nederland bevestigd dat overeenkomstig artikel 5 sub a van het Haags Betekeningsverdrag alle formaliteiten met betrekking tot de betekening zijn vervuld. De rechtbank stelt daarom vast dat overeenkomstig het Haags Betekeningsverdrag aan gedaagde is betekend. Omdat gedaagde niet is verschenen, zal de rechtbank tegen haar verstek verlenen.
Eiser heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Eiser vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) over het bedrag van
€ 34.266,29. Dit bedrag bestaat onder meer uit de hoofdsom van € 28.947,50, vermeerderd met de verschenen wettelijke handelsrente van 23 januari 2024 tot 2 april 2025. Op grond van artikel 6:119a lid 3 BW is wettelijke handelsrente slechts toewijsbaar over dat deel van de wettelijke handelsrente dat een vol jaar is verschuldigd. Zodoende is nog geen wettelijke handelsrente verschuldigd over de verschenen handelsrente tussen 23 januari 2025 en
2 april 2025. In zoverre is de vordering dus niet toewijsbaar. De rechtbank zal, als het mindere, de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 28.947,50 toewijzen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:119a lid 3 BW als vermeld in de beslissing.
Eiser vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van
€ 1.064,48. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Eiser heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Eiser heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is één cent hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief. Daarom zal een bedrag van € 1.064,47 worden toegewezen. Eiser vordert daarnaast wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten. Buitengerechtelijke incassokosten zijn een vorm van vermogensschade in de zin van artikel 6:96 sub c BW. Omdat de wettelijke handelsrente-regeling van artikel 6:119a BW niet van toepassing is op schadevergoedingsbedragen, is alleen de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW toewijsbaar. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de betreffende schade is geleden. Bij een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten is dit het moment waarop deze kosten door de schuldeiser zijn betaald. Nu eiser niets heeft gesteld over het moment van betaling, zal de rechtbank de wettelijke rente, als het mindere, toewijzen vanaf de dag der dagvaarding.
De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiser worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,40
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.214,00
(1 punt × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.225,40
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen een bedrag van € 28.947,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 23 januari 2024 en berekend op basis van rente over rente telkens na verloop van een jaar, zoals bedoeld in artikel 6:119a lid 3 BW, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen een bedrag van € 1.064,47 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 2.225,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.
JV/MS